Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP0345

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-01-2011
Datum publicatie
11-01-2011
Zaaknummer
07-920 WAO-T
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak. Intrekking WAO-uitkering. Geen aanleiding van het oordeel van de door de Raad ingeschakelde deskundige af te wijken. Uitgaande van de door de deskundige geadviseerde beperkingen is nog niet duidelijk of de aan de schatting ten grondslag liggende functies in medisch opzicht voor appellant geschikt zijn. De Raad ziet aanleiding met toepassing van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet middels de tussenuitspraak het Uwv opdracht te geven de FML door een bezwaarverzekeringsarts aan te laten passen aan de door de deskundige vermelde beperkingen en door een bezwaararbeidsdeskundige, zonodig na overleg met de bezwaarverzekeringsarts, te laten beoordelen of met inachtneming van de aangepaste FML de geduide functies ten tijde hier in geding in medisch opzicht geschikt zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/920 WAO-T

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

T U S S E N U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 2 januari 2007, 06/2042 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 5 januari 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B.C.F. Kramer, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld en een schrijven van 30 april 2006 van huisarts A.M. Bruce ingezonden.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingezonden met een commentaar van 29 maart 2007 van de bezwaarverzekeringsarts P.M. Cramer.

Bij brief van 9 maart 2009 heeft appellant een schrijven van 1 maart 2009 van zijn huisarts ingezonden, brieven van 20 december 2007 en 17 december 2008 van psychiater T. Holwerda en een brief van 3 maart 2009 van psychiater E. Raven, beiden verbonden aan Mentrum geestelijke gezondheidszorg te Amsterdam (hierna: Mentrum).

Hierop heeft het Uwv met een rapport van 12 maart 2009 van de bezwaarverzekeringsarts Cramer gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 maart 2009. Appellant is verschenen bij mr. Kramer. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door F.M.J. Eymael.

Omdat het onderzoek niet volledig werd geacht is dit heropend.

Op verzoek van de Raad heeft G. Nabarro, psychiater te Amsterdam, als deskundige bij rapport van 5 maart 2010 van verslag en advies gediend over enige de gezondheidstoestand van appellant en zijn arbeidsmogelijkheden gerezen vragen.

De bezwaarverzekeringsarts Cramer heeft bij rapport van 8 april 2010 op het advies van de deskundige Nabarro commentaar geleverd.

Op verzoek van de Raad is de deskundige Nabarro bij rapport van 20 mei 2010 op dit commentaar ingegaan.

Daarop heeft de bezwaarverzekeringsarts Cramer bij schrijven van 9 juni 2010 gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft opnieuw plaatsgevonden op 13 oktober 2010. Appellant is verschenen als ter zitting van 20 maart 2009. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. J.P.H. Loogman.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Voor een overzicht van de voor dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden alsmede een overzicht van de van toepassing zijnde regelgeving verwijst de Raad in de eerste plaats naar hetgeen de rechtbank daaromtrent, gelet op de gedingstukken met juistheid, heeft weergegeven.

1.2. De Raad volstaat hier voor zover nog van belang met de vermelding dat het Uwv bij besluit van 29 december 2005 de aan appellant ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) verleende uitkering, laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 24 februari 2006 heeft ingetrokken. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft het Uwv bij besluit van 31 mei 2006 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. In beroep heeft appellant doen aanvoeren dat in onvoldoende mate rekening is gehouden met zijn lichamelijke en psychische klachten. Daarbij heeft hij gewezen op door hem overgelegde gegevens van zijn huisarts en van Mentrum. Daarnaast zijn gronden van arbeidskundige aard aangevoerd.

3.1. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak overwogen geen reden te hebben om te twijfelen aan de juistheid van hetgeen de bezwaarverzekeringsarts omtrent de medische situatie van appellant heeft vastgesteld. Daarbij heeft de rechtbank van belang geacht dat appellant eerst ruim zeven maanden na de datum hier in geding (24 februari 2006) bij Mentrum onder behandeling is gekomen en dat de door Mentrum gehanteerde werkdiagnose dat er waarschijnlijk sprake is van een ernstige depressie met psychotische kenmerken, gebaseerd is op het klachtenverhaal van appellant en een objectieve onderbouwing ontbeert.

3.2. Met betrekking tot de functies die aan de arbeidsongeschiktheidsschatting van appellant ten grondslag zijn gelegd heeft de rechtbank overwogen dat de belasting daarin de vastgestelde belastbaarheid van appellant niet overschrijdt. Met de daaraan verbonden werkzaamheden kan appellant, aldus de rechtbank, zodanige inkomsten verwerven dat, mede gelet op de overige gegevens van arbeidskundige aard, de mate van arbeidsongeschiktheid per 24 februari 2006 juist is gewaardeerd. Daarop heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

4.1. In hoger beroep heeft appellant het oordeel van de rechtbank bestreden. Daarbij zijn aanvullende gegevens van medische aard, afkomstig van Mentrum, overgelegd, waaraan valt te ontlenen dat bij appellant inmiddels de diagnose schizofrenie is gesteld.

4.2. De bezwaarverzekeringsarts Cramer heeft bij rapport van 12 maart 2009 aangegeven dat duidelijk is dat de medische situatie van appellant na de datum in geding is veranderd, maar dat hij met de diagnose schizofrenie moeite heeft. Daarbij heeft hij gewezen op een in 1999 uitgevoerd psychiatrisch onderzoek van appellant, waarbij deze diagnose niet is gesteld. Als appellant eerder ernstige psychotische verschijnselen had gehad als onderdeel van schizofrenie dan zou dat, aldus de bezwaarverzekeringsarts, ook bij de huisarts bekend moeten zijn en dit blijkt niet uit diverse brieven van de huisarts. De bezwaarverzekeringsarts acht het meer waarschijnlijk dat appellant een depressie heeft gehad met psychotische kenmerken die later is ontstaan. Appellant kan zich om die reden toegenomen arbeidsongeschikt melden per een latere datum, als dit al niet is gedaan.

4.3. Gelet op het in 4.2 omschreven verschil van inzicht in de medische situatie van appellant en het verhandelde ter zitting van 20 maart 2009 heeft de Raad het aangewezen geacht zich nader te laten voorlichten door een medisch deskundige. Bij rapport van 5 maart 2010 is de als deskundige geraadpleegde psychiater Nabarro tot de conclusie gekomen dat ten tijde van zijn onderzoek sprake was van een chronische depressieve stoornis, matig-ernstig, zonder psychotische kenmerken en dat op 24 februari 2006 sprake was van dezelfde geagiteerde depressieve stoornis met beperkingen in het cognitief, affectief en conatief functioneren en met beperkingen in sociaal functioneren.

4.4. De bezwaarverzekeringsarts Cramer heeft er in zijn rapport van 8 april 2010 op gewezen dat appellant bekend was met depressieve klachten die ten tijde in geding niet actueel waren, maar die wel geleid hebben tot het aannemen van beperkingen. Mede gelet op het duidelijk wisselend beloop van dit soort klachten en het ontbreken van duidelijke actuele psychiatrische symptomen rond de datum in geding is de bezwaarverzekeringsarts van oordeel dat met het aannemen van die beperkingen aan appellant voldoende is tegemoet gekomen.

4.5. Bij zijn aanvullend rapport van 20 mei 2010 heeft de deskundige Nabarro (samengevat) verklaard dat er aanwijzingen zijn dat in 2006 een ernstiger symptomatologie aanwezig was bij appellant dan bij zijn onderzoek, dat een depressieve stoornis een wisselend beloop kan hebben en dat in het geval van appellant sprake is van sedert 1997 toenemende depressieve klachten die pas verminderden toen appellant eind 2006 adequaat behandeld werd middels ondersteunende gesprekken en een antidepressivum. Naar het oordeel van de deskundige waren er ten tijde in geding beperkingen in het geheugen, aandacht, concentratie, initiatief nemen, conflictoplossend vermogen, zelfreflectie, geduld en samenwerken.

4.6. In reactie hierop heeft de bezwaarverzekeringsarts Cramer bij rapport van 9 juni 2010 zijn standpunt gehandhaafd.

5.1. De Raad oordeelt als volgt.

5.2. In vaste rechtspraak van de Raad ligt besloten dat de Raad het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige in beginsel pleegt te volgen.

Van feiten of omstandigheden op grond waarvan het aangewezen voorkomt in dit geval van dat uitgangspunt af te wijken is de Raad niet gebleken. Met name doet zich niet de situatie voor dat uit de reactie van die deskundige Nabarro op het andersluidend oordeel van de bezwaarverzekeringsarts blijkt dat de deskundige zijn eigen oordeel niet serieus heeft heroverwogen.

5.3. De kritiek van de bezwaarverzekeringsarts Cramer komt in wezen erop neer dat de beperkingen van appellant als gevolg van een depressieve stoornis eerst na de datum in geding zodanig zijn toegenomen, dat met de beperkingen zoals die zijn weergegeven in de door de bezwaarverzekeringsarts op 23 mei 2006 opgestelde Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) niet meer kan worden volstaan. Dat standpunt strijdt met het oordeel van de deskundige dat ten tijde hier in geding meer beperkingen hadden moeten worden aanvaard en dat eerst na het inroepen van psychiatrische hulp in 2006 een langzame en lichte verbetering is ingetreden.

5.4.1. Te minder reden ziet de Raad om in weerwil van het advies van de deskundige het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts te volgen, gelet op de wijze van totstandkoming van de medische oordeelsvorming die aan het bestreden besluit ten grondslag ligt. Daarbij heeft de Raad acht geslagen op de volgende omstandigheden.

5.4.2. Uit het verslag van de in de bezwaarfase gehouden hoorzitting blijkt dat de bezwaarverzekeringsarts Cramer in aansluiting op de door hem bijgewoonde hoorzitting appellant heeft meegenomen voor onderzoek van zijn nek- en schouderklachten. Aan zijn aan het bestreden besluit ten grondslag liggend rapport van 23 mei 2006 valt te ontlenen dat bij dit onderzoek aan schouder- rug en benen geen afwijking of bewegingsbeperking is geconstateerd en dat er geen aanwijzingen zijn voor psychopathologie. Op welke gronden de bezwaarverzekeringsarts tot die laatste conclusie is gekomen vermeldt het rapport niet. Niettemin heeft de bewaarverzekeringsarts alsnog enige beperkingen op persoonlijk en sociaal functioneren opgenomen vanwege een kennelijk bestaande kwetsbaarheid ten aanzien van psychische klachten. Daarbij heeft hij overwogen dat de door de huisarts gevonden depressie niet bevestigd was bij onderzoek door de verzekeringsarts en bij zijn eigen onderzoek, dat niet aannemelijk is dat die depressie ernstig is en dat die in ieder geval dateert van na de datum in geding. Dit standpunt is door de weergave van het verrichte onderzoek zodanig summierlijk onderbouwd dat dit moet wijken voor het andersluidende en gemotiveerde oordeel van de deskundige.

6.1. Appellants gemachtigde heeft de Raad verzocht, in het geval de Raad aanleiding ziet het advies van de deskundige te volgen om meer beperkingen aan te nemen dan in de FML is weergegeven, aan het Uwv duidelijke aanwijzingen te geven voor verdere en voortvarende besluitvorming. De Raad verstaat dit verzoek aldus dat verzocht wordt om tot finale geschilbeslechting te komen.

6.2. Daartoe ziet de Raad thans nog geen mogelijkheid, omdat uitgaande van de door de deskundige geadviseerde beperkingen nog niet duidelijk is of de aan de schatting ten grondslag liggende functies in medisch opzicht voor appellant geschikt zijn. Wel ziet de Raad aanleiding met toepassing van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet middels deze tussenuitspraak van heden het Uwv opdracht te geven de FML door een bezwaarverzekeringsarts aan te laten passen aan de door de deskundige vermelde beperkingen en door een bezwaararbeidsdeskundige, zonodig na overleg met de bezwaarverzekeringsarts, te laten beoordelen of met inachtneming van de aangepaste FML de geduide functies ten tijde hier in geding in medisch opzicht geschikt zijn.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Draagt het Uwv op binnen acht weken na verzending van deze tussenuitspraak:

-de gebreken in het besluit van 31 mei 2006 te herstellen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en C.P.J. Goorden en R.P.T. Elshoff als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 januari 2011.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) M.A. van Amerongen.

KR