Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP0338

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-01-2011
Datum publicatie
11-01-2011
Zaaknummer
09/731 AKW + 09/732 AKW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terugvordering wegens te veel betaalde kinderbijslag. Herziening kinderbijslag staat in rechte vast, zodat er onverschuldigd is betaald. Geen dringende reden om af te zien van terugvordering. Met betrekking tot de weigering kinderbijslag over het vierde kwartaal van 2006, is niet gebleken dat appellanten in voldoende mate hebben bijgedragen in het onderhoud van het kind. De boete wegens het niet naar waarheid of niet volledig invullen van het aanvraagformulier, wordt door de Svb niet gehandhaafd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/731 AKW

09/732 AKW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

[Appellante]r, wonende te [woonplaats] (hierna: appellante) en [Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant, tezamen ook appellanten)

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 16 december 2008, 07/3087 (hierna: aangevallen uitspraak),

in de gedingen tussen

appellanten

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).

Datum uitspraak: 6 januari 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. F. Kiliç, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Namens appellanten heeft mr. M.J.M. Peeters, eveneens advocaat te Amsterdam, de Raad op 15 november 2010 nog een nader stuk doen toekomen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 november 2010. Namens appellanten is verschenen mr. Peeters. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.F.L.B. Metz.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. [S.], geboren [in] 1995, is de zoon van appellant en zijn ex-vrouw [naam ex-vrouw]. [S.] is woonachtig in Turkije. Bij besluit van 8 augustus 2006 heeft de Svb appellante medegedeeld dat het recht op kinderbijslag voor [S.] wordt herzien over het tweede en derde kwartaal van 1998 en het eerste kwartaal van 1999 tot en met het derde kwartaal van 2005. Uit onderzoek is namelijk gebleken dat appellante niet in voldoende mate heeft bijgedragen aan het onderhoud van [S.]. Dit onderhoud moest aangetoond worden omdat uit onderzoek was gebleken dat [S.] niet bij zijn oma, de moeder van appellant, woonachtig was, maar bij zijn moeder. Bij besluit van eveneens 8 augustus 2006 heeft de Svb appellante laten weten dat zij niet in aanmerking komt voor kinderbijslag voor [S.] over het tweede kwartaal van 2006, eveneens vanwege het niet in voldoende mate onderhouden van [S.]. Dit is, voor wat betreft het derde kwartaal van 2006, herhaald bij brief van 24 oktober 2006 en voor het vierde kwartaal van 2006 per brief van 19 februari 2007.

1.2. Het bezwaar tegen het herzieningsbesluit van 8 augustus 2006 is bij besluit op bezwaar van 20 november 2006 niet-ontvankelijk verklaard omdat de bezwaartermijn, zonder geldige reden, was overschreden. Tegen dit besluit zijn geen rechtsmiddelen aangewend.

1.3. Bij besluit van 19 februari 2007 heeft de Svb appellante medegedeeld dat van haar € 5.795,44 wordt teruggevorderd wegens te veel betaalde kinderbijslag. Tevens is haar een boete opgelegd van € 583,– wegens het niet naar waarheid of niet volledig invullen van het aanvraagformulier, wat gevolgen heeft gehad voor het recht op kinderbijslag.

1.4. Het bezwaar tegen beide besluiten van 19 februari 2007 is bij besluit van 28 september 2007 (hierna: bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

3.1. In hoger beroep is namens appellanten opnieuw benadrukt dat wel aan de onderhoudseis is voldaan. De aan appellant opgelegde alimentatieplicht is steeds nagekomen. Samen met overige kosten als vakantie, school, kleding etc. is bewezen dat appellanten in voldoende mate hebben bijgedragen aan het onderhoud van [S.]. Tevens bestrijden zij dat aan hen terecht een boete is opgelegd. Zij menen dat er geen sprake is van het opzettelijk achterhouden van informatie om bevoordeeld te raken.

3.2. In het in rubriek I genoemde verweerschrift heeft de Svb te kennen gegeven de opgelegde boete niet langer te handhaven. Gelet op artikel 17e, tweede lid, van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) wordt een boete in elk geval niet opgelegd na verloop van vijf jaren nadat de desbetreffende gedraging heeft plaatsgevonden. In dit geval heeft de beboete gedraging in 1997 plaatsgevonden. Voor het overige handhaaft de Svb zijn standpunt.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. De herziening van het recht op kinderbijslag over het tweede en derde kwartaal van 1998 en het eerste kwartaal van 1999 tot en met het derde kwartaal van 2005 staat in rechte vast nu geen rechtsmiddelen zijn aangewend tegen het in 1.2 genoemde besluit van 20 november 2006. Hiermee staat tevens vast dat de Svb een bedrag ad € 5.795,44 onverschuldigd heeft betaald. Op grond van artikel 24, eerste lid, van de AKW is de Svb gehouden de onverschuldigd betaalde kinderbijslag terug te vorderen van de verzekerde of degene met wie hij een huishouden vormt. Op grond van artikel 24, vierde lid, van de AKW kan de Svb besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien indien dringende redenen aanwezig zijn. Zoals de Raad reeds meermalen heeft overwogen kunnen dringende redenen als hier bedoeld slechts zijn gelegen in de onaanvaardbaarheid van de financiële en/of sociale gevolgen die een terugvordering voor een verzekerde heeft. Namens appellanten is aangevoerd dat zij wel degelijk aan de onderhoudseis hebben voldaan, maar dat het bewijs daarvoor niet eenvoudig is te leveren, mede door een problematische relatie met de ex-vrouw van appellant, de verzorgster van [S.]. De Raad stelt vast dat dit geen dringende redenen zijn die zien op de onaanvaardbare gevolgen van de terugvordering. De door appellanten aangevoerde redenen hadden ingebracht kunnen worden in een procedure over het besluit tot herziening van 20 november 2006.

4.2. Appellanten hebben er tevens op gewezen dat het besluit tot herziening van het recht op kinderbijslag niet in rechte vast zou staan, omdat de Svb nog een besluit moet nemen in het verzoek tot herziening daarvan. De Raad kan appellanten hierin niet volgen. Het bezwaar tegen het herzieningsbesluit is niet-ontvankelijk verklaard, waarna, nu hiertegen geen rechtsmiddelen zijn aangewend, het geschil hierover is geëindigd. Een verzoek om herziening kan pas rechtsgevolgen hebben nadat dit verzoek is gehonoreerd en dan slechts voor zover het is gehonoreerd.

4.3. Met betrekking tot de weigering kinderbijslag over het vierde kwartaal van 2006 overweegt de Raad dat niet is gebleken dat appellanten in voldoende mate hebben bijgedragen in het onderhoud van [S.]. De in geding gebrachte bonnen zien voor een groot deel niet op dit kwartaal. Voor zover ze hierop wel betrekking hebben is niet duidelijk voor wie de goederen zijn aangeschaft en wie de betaling heeft gedaan. Het aan de moeder van appellant overgemaakte bedrag kan niet aangemerkt worden als onderhoudskosten, omdat zij niet de verzorgster is van [S.] en onvoldoende, eenvoudig controleerbaar, bewijs is aangedragen dat dit bedrag toch aan de verzorgster van [S.] is betaald voor verzorging van [S.].

4.4. Zoals in 3.2 is weergegeven handhaaft de Svb het bestreden besluit niet voor zover dit ziet op de opgelegde boete. In zoverre zal de aangevallen uitspraak vernietigd worden, evenals het bestreden besluit en het besluit van 19 februari 2007. Uit 4.1 tot en 4.3 volgt dat de aangevallen uitspraak voor het overige zal worden bevestigd.

5.1. Met betrekking tot de gevraagde vergoeding van kosten in bezwaar als bedoeld in artikel 7:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) overweegt de Raad als volgt. Nu de Svb de Raad heeft verzocht het bestreden besluit en het primaire besluit te herroepen voor zover dit ziet op de boete, zal de Raad de Svb veroordelen tot vergoeding van de kosten in bezwaar, ter grootte van € 644,–.

5.2. De Raad acht voorts termen aanwezig om de Svb met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellanten in beroep en hoger beroep tot een bedrag van in totaal € 1.288,– wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, behoudens voor zover daarin het beroep tegen het opleggen van een boete ongegrond is verklaard;

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover deze betrekking heeft op de opgelegde boete;

Vernietigt het bestreden besluit voor zover dit betrekking heeft op de opgelegde boete;

Herroept het besluit van 19 februari 2007 voor zover dit ziet op de opgelegde boete;

Veroordeelt de Svb in de proceskosten van appellanten in beroep en hoger beroep tot een bedrag van € 1.288,–;

Veroordeelt de Svb in de kosten in bezwaar van appellanten tot een bedrag van € 644,–;

Bepaalt dat de Svb aan appellanten het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van € 146,– vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door T.L de Vries als voorzitter en E.E.V. Lenos en B. Barentsen als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 januari 2011.

(get.) T.L de Vries.

(get.) M.A. van Amerongen.

IvR