Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP0335

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-01-2011
Datum publicatie
11-01-2011
Zaaknummer
10-1871 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om terug te komen van het eerdergenomen besluit, voor zover daarbij verlening van bijstand is afgewezen. Geen sprake van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/1871 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 16 februari 2010, 09/1396 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Venlo (hierna: College)

Datum uitspraak: 4 januari 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. W.H.A. Bos, advocaat te Roermond, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 november 2010. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Bos. Het College heeft zich, zoals tevoren bericht, niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant heeft vanaf 9 maart 1999 bijstand ontvangen. Op 29 april 2008 is appellant als eigenaar van het bedrijf [naam bedrijf] failliet verklaard. Bij besluit van 4 juni 2008 heeft het College de bijstand met ingang van 1 april 2008 ingetrokken. Bij besluit van 18 november 2008 heeft het College ook de aan appellant over de periode van 1 oktober 2007 tot en met 31 maart 2008 toegekende bijstand ingetrokken en de over die periode gemaakte kosten van bijstand van appellant teruggevorderd. Bij besluit van 31 oktober 2008 heeft het College op een aanvraag van appellant beslist hem weer bijstand te verlenen met ingang van 18 augustus 2008, de datum van melding bij het Centrum voor werk en inkomen, en derhalve niet met ingang van 1 april 2008, zoals appellant had verzocht. Appellant heeft tegen geen van deze besluiten een rechtsmiddel aangewend.

1.2. Bij brief van 7 april 2009 heeft appellant het College verzocht om terug te komen van het besluit van 31 oktober 2008, voor zover daarbij verlening van bijstand over de periode van 1 april 2008 tot 18 augustus 2008 is afgewezen.

1.3. Bij besluit van 12 mei 2009 heeft het College dat verzoek afgewezen.

1.4. Bij besluit van 27 augustus 2009 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 12 mei 2009 ongegrond verklaard. Het College heeft zich hierbij op het standpunt gesteld dat het verzoek moet worden afgewezen omdat geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 27 augustus 2009 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Een bestuursorgaan is in het algemeen bevoegd een verzoek van een belanghebbende om van een eerder genomen besluit terug te komen inhoudelijk te behandelen en daarbij de oorspronkelijke beslissing in volle omvang te heroverwegen. Bewoordingen en strekking van artikel 4:6 van de Awb staan daaraan niet in de weg. Indien het bestuursorgaan met gebruikmaking van deze bevoegdheid de eerdere afwijzing handhaaft, kan dit echter niet de weg openen naar een toetsing als betrof het een oorspronkelijk besluit. Een dergelijke wijze van toetsen zou zich niet verdragen met de dwingendrechtelijk voorgeschreven termijn(en) voor het instellen van rechtsmiddelen in het bestuursrecht. De bestuursrechter dient dan ook het oorspronkelijke besluit tot uitgangspunt te nemen en zich in beginsel te beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en, zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien.

4.2. De Raad stelt vast dat het besluit van 31 oktober 2008, waarop het verzoek van appellant betrekking heeft, rechtens onaantastbaar is geworden.

4.3. Het verzoek van appellant om van dat besluit terug te komen is hierop gebaseerd dat het College bij het nemen van dat besluit niet op de hoogte zou zijn geweest van de slechte financiƫle situatie waarin appellant verkeerde en met name niet van het op 29 april 2008 uitgesproken faillissement. Daardoor heeft appellant niet tijdig kennis kunnen nemen van aan hem gerichte, relevante poststukken, omdat hij deze via de curator in het faillissement ontving, aldus appellant. Overigens zou appellant vanaf 1 april 2008 in bijstandsbehoevende omstandigheden hebben verkeerd.

4.4. De Raad is evenals de rechtbank van oordeel dat het daarbij niet gaat om nieuw gebleken feiten of veranderende omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Awb. Uit de beschikbare gegevens en met name uit het rapport van 31 oktober 2008 blijkt immers dat het College bij het nemen van zijn besluit van 31 oktober 2008 reeds op de hoogte was van het faillissement van appellant. Voorts had appellant, indien hij bezwaar tegen dit besluit zou hebben aangetekend, vorengenoemde omstandigheden, waarvan in het bijzonder die betrekking hebbend op de late ontvangst van post, naar voren kunnen brengen in een bezwaarschrift. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen speelt in zaken zoals deze volgens vaste rechtspraak van de Raad de (kennelijke) onjuistheid van het oorspronkelijke besluit op zichzelf geen beslissende rol.

4.5. Hetgeen appellant in hoger beroep nog naar voren heeft gebracht met betrekking tot de onder 1.1 genoemde besluiten van 4 juni 2008 en 18 november 2008, welke besluiten eveneens rechtens onaantastbaar zijn geworden, heeft geen betrekking op het hier ter beoordeling voorliggende verzoek van appellant, zodat de Raad daaraan voorbij moet gaan.

4.6. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak bevestigd dient te worden.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.M.A. van der Kolk-Severijns, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 januari 2011.

(get.) J.M.A. van der Kolk-Severijns.

(get.) N.M. van Gorkum.

SB