Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP0217

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-01-2011
Datum publicatie
11-01-2011
Zaaknummer
10-2335 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht op WIA-uitkering. Medische beperkingen juist vastgesteld. Een niet-objectiveerbare beperking kan bij de beoordeling van de belastbaarheid in het kader van de WIA geen rol spelen. Eerst in hoger beroep door middel van een rapport van de bezwaararbeidsdeskundige is de passendheid van de functies voldoende toegelicht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/2335 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 23 maart 2010, 09/3424 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 7 januari 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.G.H.M. de Glas, advocaat te Nijmegen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 december 2010. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. De Glas. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. P.J. Reith.

II. OVERWEGINGEN

1. Bij besluit van 13 juli 2009 heeft het Uwv, beslissende op bezwaar, zijn beslissing dat appellant geen recht heeft op een uitkering op grond van de Wet WIA, gehandhaafd.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen dat besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek op ondeskundige of onzorgvuldige wijze is verricht of dat daaraan anderszins gebreken kleven. Voorts is de rechtbank niet gebleken dat de (bezwaar)verzekeringsarts relevante aspecten van appellants gezondheidstoestand heeft gemist, dan wel onjuist in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) heeft vertaald. Uit de informatie van psychotherapeut

A.J. Gerritsen en het Eindrapport van Bounce kan de rechtbank evenmin afleiden dat de medische beperkingen onjuist zijn vastgesteld. De rechtbank acht voldoende gemotiveerd dat er geen redenen zijn om aan te nemen dat appellant medisch gezien niet in staat is om werkzaamheden onder zijn niveau te verrichten.

3. In hoger beroep heeft appellant hiertegen aangevoerd dat de uitspraak onvoldoende gemotiveerd is. Hij is met name van mening dat de door de psychotherapeut Gerritsen genoemde beperking dat in het geval van appellant bij de beoordeling van de - psychische - belastingmogelijkheden steeds moet worden uitgegaan van de eigen inschatting en betekenisgeving door appellant zelf van zijn persoonlijke draagkracht ten onrechte niet in de FML (onder punt 1.8) is opgenomen.

4.1. De Raad overweegt als volgt.

4.2. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd bevat, in vergelijking met zijn stellingname in eerste aanleg, geen nieuwe gezichtspunten en heeft de Raad niet tot een ander oordeel gebracht dan het in de aangevallen uitspraak neergelegde oordeel van de rechtbank. Het oordeel van de rechtbank is inzichtelijk en voldoende gemotiveerd en de rechtbank is op alle stellingen van appellant ingegaan, ook op de stelling van appellant dat volgens psychotherapeut Gerritsen moet worden uitgegaan van de eigen inschatting van appellant van zijn belastbaarheid. De Raad voegt daaraan toe dat vanuit therapeutisch oogpunt een dergelijke benadering wellicht nodig of wenselijk is maar dat zo’n niet-objectiveerbare beperking bij de beoordeling van de belastbaarheid in het kader van de Wet WIA geen rol kan spelen.

4.3. In de geduide functies doen zich geen overschrijdingen voor van de vastgestelde belastbaarheid, zodat appellant in staat moet worden geacht die functies te verrichten. Evenmin als de rechtbank ziet de Raad reden voor het oordeel dat appellant om medische redenen geen functies onder zijn niveau zou kunnen vervullen. De Raad wijst er voorts op dat het gaat om voorbeeldfuncties. Aangezien eerst in hoger beroep door middel van het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige van 14 oktober 2010 de passendheid van de functies voldoende is toegelicht ziet de Raad redenen het Uwv te veroordelen in de door appellant in beroep en in hoger beroep gemaakte proceskosten. Deze kosten worden begroot op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand in beroep alsmede reiskosten ad € 18,02 en € 874,-- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 1.536,02.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep tot een bedrag groot € 1.536,02 te betalen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het Uwv aan appellant het betaalde griffierecht van € 152,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen in tegenwoordigheid van R.L. Venneman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 januari 2011.

(get.) I.M.J. Hilhorst-Hagen.

(get.) R.L. Venneman.

NW