Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP0210

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-01-2011
Datum publicatie
10-01-2011
Zaaknummer
09-5508 WSF
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om toegekende prestatiebeurs om te zetten in een gift. Terecht is geoordeeld dat uit de medische informatie overgelegd door appellant niet blijkt dat sprake is van een structurele bijzondere omstandigheid.

Wetsverwijzingen
Wet studiefinanciering 2000 5.16
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2011/86
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/5508 WSF

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 27 augustus 2009, 09/191 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep (hierna: IB-Groep).

Datum uitspraak: 7 januari 2011

I. PROCESVERLOOP

In dit geding is een uitspraak aan de orde over een besluit dat is genomen door de IB-Groep. Op 1 januari 2010 is de Wet van 15 oktober 2009 tot intrekking van de Wet verzelfstandiging informatiseringsbank en wijziging van diverse wetten in verband met de oprichting van de Dienst Uitvoering Onderwijs in werking getreden. Als gevolg hiervan is de IB-Groep opgehouden te bestaan. Ingevolge artikel XXI, eerste lid, van de wet treedt in dit geding de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: de Minister) in de plaats van de IB-Groep. In deze uitspraak wordt onder de Minister tevens verstaan de IB-Groep.

Namens appellant heeft mr. M.T. Gans, advocaat te Heerlen, hoger beroep ingesteld.

De Minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 november 2010. Appellant is verschenen, bijgestaan door

mr. F.H.C. Aarts, advocaat te Heerlen. De Minister was vertegenwoordigd door mr. drs. E.H.A. van den Berg.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij formulier gedateerd 20 februari 2008 heeft appellant de Minister verzocht om met toepassing van artikel 5.16, tweede lid, van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) de hem toegekende prestatiebeurs om te zetten in een gift.

Van dit formulier maakt deel uit het formulier Medische informatie. Op dit formulier heeft C.J. Verheecke, arts, psychotherapeut, niet aangekruist dat bij appellant sprake is van een handicap of chronische ziekte, maar dat een medische omstandigheid in de periode januari 2007 tot en met juni/augustus 2007 aan de orde is.

Van het formulier maakt voorts deel uit de Verklaring door de onderwijsinstelling. De onderwijsinstelling heeft niet aangekruist dat sprake is van een bijzondere niet-medische omstandigheid, maar aangekruist dat een bijzondere medische omstandigheid aan de orde is.

1.2. Bij besluit van 11 juni 2008 heeft de Minister het verzoek van appellant afgewezen op grond van de overweging dat uit de medische informatie overgelegd door appellant blijkt dat sprake is van een tijdelijke medische omstandigheid en dat het verzoek slechts kan worden ingewilligd indien sprake is van een structurele bijzondere omstandigheid.

1.3. In bezwaar tegen het besluit van 11 juni 2008 heeft appellant gesteld dat anders dan op het formulier Medische informatie is vermeld wel sprake is van een structurele bijzondere omstandigheid. Appellant heeft erop gewezen dat hij is behandeld voor zijn klachten in de periode januari 2007 tot augustus 2007, maar dat het risico van herhaling van zijn problemen levensgroot aanwezig is. Hij heeft er voorts op gewezen dat hij een bindend afwijzend studieadvies heeft gekregen en hij mitsdien als gevolg van zijn psychische beperkingen de opleiding niet verder kan volgen.

1.4. De Minister heeft zich in bezwaar gewend tot zijn medisch adviseur. Deze adviseur is in zijn rapportage van

9 december 2009, na verkregen informatie van Verheecke, tot de opvatting gekomen dat geen sprake is van een bijzondere omstandigheid van structurele aard. De medisch adviseur heeft erop gewezen dat ook behandeling van appellant heeft plaatsgevonden vanaf augustus 2007 tot en met 25 november 2008, doch dat sprake was van gesprekken met een lage frequentie gericht op het bij appellant verkrijgen van inzicht, egoversterking en het verwerven van adequate coping. De diagnose persoonlijkheidsstoornis kon door Verheecke niet worden gesteld.

1.5. Bij besluit van 24 december 2008 heeft de Minister, beslissend op bezwaar, gehandhaafd zijn besluit te weigeren de prestatiebeurs van appellant om te zetten in een gift. Aan dit besluit ligt ten grondslag de overweging dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden van structurele aard op grond waarvan de omzetting kan plaatsvinden.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant gericht tegen het besluit van 24 december 2008 ongegrond verklaard.

3.1. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de door hem aangevoerde beroepsgronden geen doel treffen. Appellant heeft ter staving van zijn standpunt dat sprake is van bijzondere omstandigheden van structurele aard een op 6 december 2009 gedateerd Verslag Psychodiagnostisch onderzoek van de klinisch psycholoog-psychotherapeut P.A. Baggelaar overgelegd.

3.2. De Minister heeft zich in verweer achter het oordeel van de rechtbank geschaard. De Minister heeft aangevoerd dat het verslag van Baggelaar, bedoeld in 3.1, hem geen aanleiding geeft zijn opvatting te herzien. Hij heeft in dit verband gewezen op de op verzoek van zijn dienst naar aanleiding van het verslag van Baggelaar uitgebrachte rapportage van psychiater-psychotherapeut G.J. van der Bent. In deze rapportage is vermeld dat bij appellant geen sprake is van een persoonlijkheidsstoornis, maar van persoonlijkheidsproblematiek voortkomend uit belastende gezinsomstandigheden. De gevolgen van de belastende gezinsomstandigheden waren niet zodanig ernstig dat deze hebben geleid tot het ontstaan van een persoonlijkheidsstoornis en, volgens Van der Bent, daardoor niet tot een innerlijke omstandigheid van structurele, ernstige en langdurige aard. Naar de indruk van Van der Bent is appellant op zoek geweest naar de juiste scholing en naar de geschikte studie- en werkomgeving.

4.1.1. De Raad overweegt als volgt.

4.1.2. In de Wsf 2000 is, kort samengevat en voor zover hier van belang, bepaald dat omzetting van de prestatiebeurs kan plaatsvinden indien de studie binnen de diplomatermijn - 10 jaar - wordt afgerond.

4.1.3. In artikel 5.16 van de Wsf 2000 is een regeling getroffen voor een aantal bijzondere omstandigheden waarin niet onverkort aan de diplomatermijn wordt vastgehouden. Dit artikel luidt als volgt:

o 1. Indien een student als direct gevolg van bijzondere omstandigheden van tijdelijke aard niet in staat is binnen de diplomatermijn hoger onderwijs met goed gevolg het afsluitend examen te behalen, wordt deze termijn verlengd met de duur van die bijzondere omstandigheden.

o 2. Indien een student als direct gevolg van bijzondere omstandigheden van structurele aard niet in staat is met goed gevolg het afsluitend examen te behalen, wordt de aan hem toegekende prestatiebeurs omgezet in een gift. Onder bijzondere omstandigheden van structurele aard kunnen in ieder geval worden verstaan functiebeperking of chronische ziekte.

o 3. Indien een student als direct gevolg van een tijdens de studie verworven handicap, ten gevolge van een zich tijdens de studie verergerende handicap of ten gevolge van een zich tijdens de studie manifesterende chronische ziekte genoodzaakt is een reeds begonnen opleiding te beëindigen, ontvangt de student bij keuze voor een passender opleiding nieuwe aanspraak op studiefinanciering.

o 4. De IB-Groep stelt op aanvraag van de student vast of er sprake is van bijzondere omstandigheden in de zin van dit artikel. De bijzondere omstandigheden kunnen uitsluitend worden aangetoond door gedagtekende verklaringen van een arts en de natuurlijke persoon of het bestuur van de rechtspersoon van de onderwijsinstelling waar hij is ingeschreven. Indien de bijzondere omstandigheden uitsluitend van niet-medische aard zijn, volstaat een gedagtekende verklaring van de natuurlijke persoon of het bestuur van de rechtspersoon van de onderwijsinstelling waar de student is ingeschreven.

4.1.4. Uit de Memorie van Toelichting (MvT) bij artikel 5.17 van de Wsf 2000 (Tweede Kamer, vergaderjaar 1999-2000,

26 873, nr. 3, pagina 58 en verder) volgt dat de wetgever van opvatting was dat deze voorziening slechts voor een zeer beperkt aantal gevallen noodzakelijk zal zijn, aangezien de lange diplomatermijn al veel mogelijkheden biedt om tegenslag op te vangen.

Voorts is in de MvT vermeld dat het evenwel voor een uiterst beperkt aantal omstandigheden gewenst is de gevolgen van het niet kunnen voldoen aan de prestatie-eis ongedaan te maken, door hetzij de diplomatermijn te verlengen (tijdelijke aard), hetzij de prestatiebeurs alsnog om te zetten (stucturele aard). Dit zal zich uitsluitend voordoen in gevallen van evidente onredelijke of onbillijke aard. Voor de bijzondere omstandigheden zullen in alle gevallen verklaringen van zowel een arts als van de onderwijsinstelling moeten worden overgelegd.

4.2.1. Appellant heeft zijn aanvraag gebaseerd op het standpunt dat zijn medische situatie aanleiding dient te zijn voor toepassing van artikel 5.16, tweede lid van de Wsf 2000. Appellant is van opvatting dat zijn medische situatie er aan in de weg staat dat hij zijn opleiding verder vervolgt en zodanig bijzonder en structureel is dat omzetting van zijn prestatiebeurs in een gift is aangewezen.

4.2.2. De Raad volgt appellant niet in zijn standpunt.

4.2.3. Uit artikel 5.16 van de Wsf 2000 en de hiervoor geschetste wetsgeschiedenis volgt naar het oordeel van de Raad dat toepassing van dit artikel slechts in zeer bijzondere gevallen aangewezen is.

Voor het kunnen aannemen van een bijzonder geval als hiervoor bedoeld is in ieder geval noodzakelijk dat - nu appellant zich er op beroept dat hij op grond van medische omstandigheden niet in staat is binnen de diplomatermijn een opleiding te volgen welke leidt tot een diploma op grond waarvan omzetting van de prestatiebeurs in een gift kan plaats vinden - buiten twijfel is dat een medische oorzaak aan het behalen van een diploma vorenbedoeld in de weg staat. Van een medische oorzaak is - mede gelet op de eis opgenomen in artikel 5.16 van de Wsf 2000 dat een aanvraag als in geding steeds vergezeld dient te gaan van een verklaring van een arts - naar het oordeel van de Raad sprake indien het niet kunnen behalen van een diploma vorenbedoeld wordt veroorzaakt door een ziekte of een gebrek.

4.2.4. Aan de voorwaarde bedoeld in 4.2.3 is in dit geval niet voldaan.

4.2.5. Uit de brief van Verheecke van 11 november 2008, gericht aan de medische adviseur van de Minister, volgt geenszins dat hij van opvatting is dat appellant niet in staat is tot het succesvol volgen van een opleiding. In deze brief geeft hij slechts aan dat bij appellant sprake was van depressieve klachten op basis van persoonlijkheidsproblematiek, dat appellant niet voldeed aan de criteria om een persoonlijkheidsstoornis als diagnose te kunnen stellen en met welk doel gesprekken met appellant hebben plaatsgevonden.

Ook uit de brieven van MCBrain BV - de organisatie waarvoor ook Verheecke werkzaam is - gedateerd 11 april 2006 en

16 juli 2007 blijkt niet dat appellant niet in staat wordt geacht tot het succesvol volgen van een opleiding.

4.2.6. Ook uit de door appellant in hoger beroep overgelegde rapportage van klinisch psycholoog-psychotherapeut Baggelaar van 6 december 2009, bedoeld in 3.1, volgt niet dat het om medische redenen uitgesloten is dat appellant succesvol een opleiding volgt. Baggelaar heeft weliswaar aangegeven dat appellant problemen heeft met het onder druk presteren en dat het niet raadzaam is voor appellant een opleiding te volgen waar binnen een gestructureerde setting en onder tijdsdruk van hem wordt verwacht om prestaties te leveren, maar Baggelaar heeft in zijn rapportage aangegeven dat zulks het gevolg is van zijn persoonlijkheid. Baggelaar heeft niet aangegeven dat een en ander het gevolg is van een bij appellant aanwezige ziekte of een bij appellant bestaand gebrek. Dat bij appellant sprake is van negatieve faalangst en overgevoeligheid voor autoriteit is onvoldoende voor het aannemen van een ziekte of gebrek. Daarbij komt dat Baggelaar ook heeft vermeld dat - naar is gebleken - appellant wel in staat is diploma’s te halen van opleidingen die duidelijk beneden zijn intellectueel niveau liggen.

4.2.7. Voorts acht de Raad van belang dat uit de rapportage van Van der Bent, bedoeld in 3.2, volgt dat hij voor het standpunt van appellant dat hij om medische redenen niet in staat is studie te volgen geen grond ziet omdat hij - kort samengevat - geen ziekte of gebrek kan aanwijzen op grond waarvan appellant niet in staat zou zijn een studie te volgen.

4.2.8. De door appellant in hoger beroep overgelegde brief van Baggelaar van 7 november 2010 biedt geen aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid van het standpunt van Van der Bent. De reactie van Baggelaar bevat ten opzichte van zijn reactie van 6 december 2009 geen nieuwe gezichtspunten.

5.1. Het hoger beroep van appellant treft gelet op hetgeen overwogen in 4.1.1 tot en met 4.2.8 geen doel.

De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5.2. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel als voorzitter en J. Brand en I.M.J. Hilhorst-Hagen als leden, in tegenwoordigheid van R.L. Venneman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 januari 2011.

(get.) G. van der Wiel.

(get.) R.L. Venneman.

IvR