Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP0051

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-01-2011
Datum publicatie
10-01-2011
Zaaknummer
08-6862 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Belastbaarheid is correct vastgesteld. De functies die aan de schatting ten grondslag liggen, gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, dienen als voor appellant in medisch opzicht geschikt te worden aangemerkt. Mogelijke overschrijding van de redelijke termijn zowel in de bestuurlijke als in de rechterlijke fase. Heropening onderzoek ter voorbereiding van een nadere uitspraak omtrent het verzoek van appellant om schadevergoeding met betrekking tot de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn en merkt tevens de Staat der Nederlanden (minister van Veiligheid en Justitie) aan als partij in die procedure.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/6862 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 27 oktober 2008, 08/325 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 5 januari 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. G.B.A. Bol, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 december 2009. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Bol. Het Uwv heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

Na de behandeling van het geding ter zitting van de Raad is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad heeft besloten het onderzoek te heropenen.

Bij brief van 11 mei 2010 met bijlagen heeft het Uwv gereageerd op de vraagstelling van de Raad van 5 maart 2010. Daarbij is aangegeven dat in het bijgevoegde rapport van 8 april 2010 de bezwaararbeidsdeskundige G.J.W. van der Hulst op alle door de Raad opgeworpen punten is ingegaan. Bij brief van 8 juni 2010 is namens appellant een reactie ingezonden op deze brief van het Uwv van 11 mei 2010.

Met toestemming van partijen heeft de Raad bepaald dat verder onderzoek ter zitting achterwege blijft, waarna hij het onderzoek heeft gesloten.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant ontving in verband met depressieve klachten met ingang van 16 juni 1999 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Bij besluit van 6 mei 2002 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellant met ingang van 1 mei 2002 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%. Het door appellant tegen dit besluit gemaakte bezwaar is door het Uwv bij besluit van 10 april 2003 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van

6 januari 2005, 03/2232, heeft de rechtbank Amsterdam het beroep van appellant tegen het besluit van 10 april 2003 ongegrond verklaard.

1.2. Bij uitspraak van 14 augustus 2007, LJN BB1786, heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

6 januari 2005 vernietigd, het beroep van appellant tegen het besluit van 10 april 2003 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat het Uwv een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van de uitspraak van de Raad. Aan die uitspraak wordt het volgende ontleend:

“Op het zogeheten fis-formulier va/ad van 12 december 2001 heeft (…) aangegeven dat appellant niet meer dan 20 tot 30 uur per week belastbaar is in gangbare arbeid. De Raad is van oordeel dat met deze omschrijving niet duidelijk is hoe deze urenbeperking moet worden gewogen. Onder erkenning dat het in het algemeen niet eenvoudig is bij de gebleken noodzaak van een medische urenbeperking met precisie aan te geven voor hoeveel uren deze moet gelden, is de Raad van oordeel dat een beperking van 20 tot 30 uur per week niet voldoende exact is.”

1.3. Ter uitvoering van de uitspraak van de Raad van 14 augustus 2007 heeft medisch en arbeidskundig onderzoek plaatsgevonden. Bezwaarverzekeringsarts W.A. Faas heeft in zijn rapport van 26 september 2007 uiteengezet dat de urenbeperking moet worden gelezen als een urenbeperking tot maximaal 30 uur en dat deze opvatting aansluit bij de visie van psychiater M.L. Stek, die appellant op het verzoek van het Uwv heeft onderzocht en van zijn bevindingen op

17 februari 2003 verslag heeft gedaan. Bezwaararbeidsdeskundige Van der Hulst heeft vervolgens in zijn rapport van

11 december 2007 uitgaande van een urenbeperking van maximaal 30 uur per week aan de hand van de als passend geduide functies een verlies aan verdiencapaciteit berekend van 73%.

1.4. Bij besluit van 18 december 2007 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van

6 mei 2002 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit onderschreven en het beroep van appellant ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat zijn belastbaarheid door het Uwv niet juist is vastgesteld. Voorts heeft appellant diverse arbeidskundige bezwaren aangevoerd met betrekking tot de aan de schatting ten grondslag liggende functies. Ten slotte heeft appellant naar voren gebracht dat de redelijke termijn is overschreden en dat aan hem op die grond schadevergoeding dient te worden toegekend.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Met betrekking tot de medische grondslag van het bestreden besluit kan de Raad zich evenals de rechtbank vinden in de bevindingen en conclusies van bezwaarverzekeringsarts Faas dat appellant op de datum in geding in staat moet worden geacht werkzaamheden te verrichten tot maximaal 30 uur per week. Dat oordeel sluit goed aan bij de visie van psychiater Stek zoals uiteengezet in diens op 17 februari 2003 uitgebrachte rapport. Voor een verdergaande urenbeperking heeft de Raad in de beschikbare gegevens geen aanknopingspunten gevonden. Ook anderszins acht de Raad geen grond aanwezig voor twijfel dat de belastbaarheid correct is vastgesteld. Appellant heeft evenmin als in beroep in hoger beroep medische gegevens in het geding gebracht die aanleiding geven voor een andersluidend oordeel.

4.2. Aldus uitgaande van de juistheid van de met betrekking tot appellant vastgestelde medische beperkingen is de Raad met de rechtbank voorts van oordeel dat de functies die aan de schatting ten grondslag liggen, gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, als voor appellant in medisch opzicht geschikt dienen te worden aangemerkt. Door bezwaararbeidsdeskundige Van der Hulst is in zijn rapport van 11 december 2007, zoals nader toegelicht in zijn rapport van 8 april 2010, afdoende gemotiveerd dat de belasting in de functies die aan de schatting ten grondslag liggen de vastgestelde belastbaarheid niet overschrijdt, zodat die functies voor appellant als geschikt moeten worden aangemerkt. Ook de overige bezwaren van arbeidskundige aard zijn door Van der Hulst in zijn diverse rapporten, in het bijzonder dat van

8 april 2010, afdoende weerlegd. In zijn reactie op dit laatste rapport van Van der Hulst heeft appellant er nog op gewezen dat de functies niet voldoende actueel zijn. De Raad kan appellant hierin niet volgen nu uit de door het Uwv overgelegde functiebeschrijvingen blijkt dat op de datum in geding de functies niet ouder zijn dan 18 maanden. Vergelijking van het zogeheten maatmanloon met de verdiensten in de geselecteerde functies resulteert in een verlies aan verdienvermogen van appellant van 65 tot 80%. De Raad concludeert dan ook dat de rechtbank bij de aangevallen uitspraak terecht het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond heeft verklaard.

4.3. Resteert de grond dat in het onderhavige geval door zowel het Uwv als door de rechter de redelijke termijn is overschreden.

4.3.1. De vraag of de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), is overschreden moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van de betrokkene gedurende de gehele rechtsgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van betrokkene, zoals ook uit de jurisprudentie van het EHRM naar voren komt.

4.3.2. Voor de wijze van beoordeling van een verzoek als het voorliggende verwijst de Raad naar zijn uitspraken van

25 maart 2009 (LJN BH9991) en 15 april 2009 (LJN BI2044). Daarin heeft de Raad onder verwijzing naar zijn uitspraak van

26 januari 2009 (LJN BH1009) overwogen dat in een procedure in drie instanties in socialezekerheidszaken het bezwaar ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar mag duren, terwijl doorgaans geen sprake zal zijn van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De onder 4.3.1 genoemde criteria kunnen onder omstandigheden aanleiding geven overschrijding van deze behandelingsduren gerechtvaardigd te achten. De Raad heeft daaraan toegevoegd dat in een geval waarin een vernietiging van een besluit op bezwaar leidt tot een hernieuwde behandeling van het bezwaar en - eventueel - een hernieuwde behandeling door de rechter, de overschrijding van de redelijke termijn in beginsel volledig aan het bestuursorgaan moet worden toegerekend. Indien echter in de loop van de hele procedure een of meer keren sprake is (geweest) van een langere behandelingsduur bij een rechterlijke instantie dan gerechtvaardigd, dan komt de periode waarmee de rechterlijke instantie de behandelingsduur heeft overschreden, niet voor rekening van het bestuursorgaan maar van de Staat.

4.3.3. Voor het voorliggende geval betekent dit het volgende. Vanaf de ontvangst door het Uwv van het bezwaarschrift op

12 juni 2002 tot de datum van deze uitspraak zijn acht jaar en bijna zeven maanden verstreken. De Raad heeft vooralsnog noch in de zaak zelf, die niet als complex is aan te merken, noch in de opstelling van appellant aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaar zou mogen bedragen. De behandeling van het bezwaar heeft, vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift tot het besluit op bezwaar van 10 april 2003, bijna tien maanden geduurd. De Raad stelt voorts vast dat de eerste behandeling door de rechtbank vanaf de ontvangst van het eerste beroepschrift op 15 mei 2003 tot de uitspraak van 6 januari 2005 meer dan anderhalf jaar heeft geduurd. De eerste behandeling bij de Raad, aangevangen met het eerste hoger beroepschrift op 17 februari 2005, is geëindigd met de uitspraak van 14 augustus 2007 en heeft derhalve meer dan twee jaar geduurd. De hernieuwde behandeling door de rechtbank, welke is aangevangen met de ontvangst van het beroepschrift op 24 januari 2008 en geëindigd met de aangevallen uitspraak op 27 oktober 2008, heeft ruim zeven maanden geduurd. De hernieuwde behandeling bij de Raad is aangevangen met de ontvangst van het hoger beroepschrift op 3 december 2008 en eindigt met deze uitspraak op

5 januari 2011. Deze behandeling heeft derhalve twee jaar en ruim één maand geduurd, terwijl de hernieuwde behandeling door de rechtbank en de Raad tezamen minder dan drie en een half jaar heeft geduurd. Aan het voorgaande kan het vermoeden worden ontleend dat de redelijke termijn zowel in de bestuurlijke als in de (eerste) rechterlijke fase is geschonden.

4.3.4. De Raad verbindt hieraan de gevolgtrekking dat in deze procedure, voor zover nodig met verdragsconforme toepassing van artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), moet worden beslist omtrent appellants verzoek om schadevergoeding met betrekking tot de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn zowel in de bestuurlijke als in de rechterlijke fase. Dit geeft aanleiding om het onderzoek te heropenen. Met verdragsconforme toepassing van artikel 8:26 van de Awb merkt de Raad daarbij naast het Uwv de Staat der Nederlanden (de minister van Veiligheid en Justitie) aan als partij in die procedure.

5. Beslist wordt als hierna in rubriek III staat aangegeven.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Bepaalt dat het onderzoek wordt heropend onder nummers 10/7010 Beslu en 10/7011 Beslu ter voorbereiding van een nadere uitspraak omtrent het verzoek van appellant om schadevergoeding met betrekking tot de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn en merkt tevens de Staat der Nederlanden (minister van Veiligheid en Justitie) aan als partij in die procedure.

Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt als voorzitter en T. Hoogenboom en C.P.M. van de Kerkhof als leden, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 januari 2011.

(get.) H. Bolt.

(get.) D.E.P.M. Bary.

KR