Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP0009

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-01-2011
Datum publicatie
06-01-2011
Zaaknummer
08-3346 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en herziening WW-uitkering. Terugvordering. Boete. Onjuiste invulling werkbriefjes. Schending inlichtingenverplichting. Ook waar het gaat om werkzaamheden die voor de werkgever wellicht niet winstgevend of productief waren, vonden deze werkzaamheden plaats binnen een dienstverband, zodat de daarmee gemoeide uren ook van invloed waren op de omvang van de werkloosheid en het recht op WW-uitkering. Manurenregisters zijn in het ongerede geraakt. De door het Uwv gemaakte schatting is, gelet op de voorhanden zijnde gegevens als de aard en de organisatie van de werkzaamheden op bouwplaatsen in Duitsland en waarbij een stip werd gelijkgesteld met 10 uur, niet onredelijk of onlogisch. Dat betrokkene thans niet meer in de positie verkeert om het bewijs voor de onjuistheid van die schatting aan te dragen, komt voor zijn risico nu het immers aan hem te wijten is dat de werkbriefjes onjuist zijn ingevuld. Geen strijd met gelijkheidsbeginsel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2011/98
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/3346 WW

08/3347 WW

09/5610 WW

10/3710 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

tegen de uitspraken van de rechtbank Leeuwarden van 28 april 2008, 07/2611 en 07/2612 (hierna: aangevallen uitspraak 1) en van de rechtbank Almelo van 9 juni 2010, 09/886 (hierna: aangevallen uitspraak 2),

in de gedingen tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 5 januari 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. G.J. Boven, advocaat te Leusden, tegen aangevallen uitspraak 1 hoger beroep ingesteld.

Mr. Boven heeft de Raad meegedeeld niet langer als gemachtigde van appellant op te treden. Vervolgens hebben [v.d. N.] en [N.] zich als gemachtigden gesteld. Namens appellant zijn de gronden van het hoger beroep aangevuld en diverse nadere stukken ingezonden.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en op 9 oktober 2009 een nieuw besluit genomen.

Bij uitspraak van 26 oktober 2009 (LJN BK1647) heeft de Raad een namensappellant ingediend verzoek om wraking van de behandelend rechters afgewezen. De Raad heeft op 9 november 2009 (LJN BK5717) het bezwaar namens appellant tegen de vertegenwoordiging van het Uwv door [t. L.] afgewezen.

Het onderzoek ter zitting in de gedingen met de registratienummers 08/3346, 08/3347 en 09/5610 WW hebben, gevoegd met het onderzoek in een aantal andere gedingen, plaatsgevonden op 17 december 2009. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door [v.d. N.]. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door [t. L.]. De Raad heeft het onderzoek ter zitting geschorst.

Namens appellant heeft [v.d. N.] tegen aangevallen uitspraak 2 hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft ook in dat geding een verweerschrift ingediend en enkele vragen van de Raad beantwoord.

Bij beslissing van 22 oktober 2010 (LJN BO1700) heeft de Raad een op 24 september 2010 namens appellant ingediend verzoek om wraking van de behandelend rechters afgewezen.

Op 27 oktober 2010 is een herhaald verzoek om wraking van de behandelend rechters ontvangen. Op 12 november 2010 is namens appellant een verzoek om wraking van de wrakingskamer ingediend.

Op 19 november 2010 (LJN BO4591) heeft de Raad het op 12 november 2010 ingediende verzoek om wraking van de wrakingskamer buiten behandeling gelaten, bepaald dat het op 27 oktober 2010 ontvangen verzoek niet in behandeling wordt genomen en bepaald dat een volgend verzoek om wraking in geval van misbruik niet in behandeling wordt genomen.

De zaken zijn ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 24 november 2010. Partijen zijn niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant was werkzaam voor bedrijven van [v.d. N.], laatstelijk voor de rechtspersoon naar Engels recht [naam rechtspersoon]. Aan hem is per 12 januari 2004 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) toegekend. In verband met werkhervatting per 1 april 2004 is die uitkering be?indigd. In de periode waarin appellant de WW-uitkering ontving, heeft hij op de zogenoemde werkbriefjes vermeld dat hij werkzaamheden verrichtte voor [naam rechtspersoon]. Naar aanleiding van de bevindingen in een fraude-onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 25 oktober 2005 de WW-uitkering van appellant per 12 januari 2004 ingetrokken. Appellant heeft daartegen bezwaar gemaakt, welk bezwaar bij besluit van 5 september 2006 ongegrond is verklaard. Appellant heeft daartegen beroep ingesteld.

1.2. Bij besluit van 28 maart 2007 heeft het Uwv de WW-uitkering over de periode van 12 januari tot en met 2 april 2004 ten bedrage van € 3.537,07 teruggevorderd. Bij besluit van 16 april 2007 heeft het Uwv appellant een boete opgelegd van € 363,-. Appellant heeft tegen beide besluiten bezwaar gemaakt, welke bezwaren bij besluiten van

31 augustus 2007 ongegrond zijn verklaard. Appellant heeft daartegen beroep ingesteld.

1.3. Bij uitspraak van 21 mei 2007 heeft de rechtbank Leeuwarden het beroep tegen de intrekking van de WW-uitkering ongegrond verklaard. Appellant heeft daartegen hoger beroep ingesteld.

1.4. Bij aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank Leeuwarden het beroep tegen de terugvordering ongegrond verklaard en het beroep tegen de boete gegrond verklaard. Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak voor zover deze betrekking had op de terugvordering.

1.5. Bij uitspraak van 26 februari 2009 (LJN BH6129) heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 21 mei 2007 aangaande de intrekking van de WW-uitkering vernietigd. Nadat appellant onder meer door middel van een hoorzitting in de gelegenheid was gesteld om te reageren op het voornemen van het Uwv om een nieuw besluit op zijn bezwaar te nemen, heeft het Uwv op 14 augustus 2009 een nieuw besluit genomen. Kort gezegd heeft het Uwv de WW-uitkering van appellant in de periode van 12 januari 2004 tot 4 april 2004 thans gedeeltelijk herzien omdat appellant tijdens zijn periode van werkloosheid werkzaamheden is blijven verrichten voor zijn werkgever, zij het niet in alle weken gedurende 40 uur. Appellant heeft daartegen beroep ingesteld.

1.6. Bij besluit van 9 oktober 2009 heeft het Uwv het terug te vorderen bedrag verlaagd naar € 1.495,70. De opgelegde boete is bij dat besluit verlaagd naar € 150,-.

1.7. Bij aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank Almelo het beroep van appellant tegen de herziening gegrond verklaard en het herzieningsbesluit vernietigd. De rechtbank heeft de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten ten aanzien van de periodes van 12 januari tot en met 16 februari 2004, van 19 februari tot en met 21 maart 2004 en van 1 tot en met 4 april 2004. Appellant heeft ook tegen die uitspraak hoger beroep ingesteld, voor zover de rechtsgevolgen in stand waren gelaten.

2. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

2.1. Voor het relevante wettelijke kader wordt volstaan met een verwijzing naar de aangevallen uitspraken.

2.2. De Raad merkt vooraf op dat in deze gedingen niet langer de vraag aan de orde is of appellant onderworpen was aan de Nederlandse sociale zekerheidswetgeving. Het Uwv heeft die vraag reeds bevestigend beantwoord en ook de Raad gaat daarvan uit.

2.3. Aangevallen uitspraak 1 kan niet in stand blijven voor zover het beroep tegen de terugvordering ongegrond is verklaard, omdat het Uwv het terugvorderingsbesluit niet langer handhaaft en heeft vervangen door het besluit van 9 oktober 2009. Het hoger beroep tegen die uitspraak, voor zover aangevochten, slaagt. De Raad zal het beroep tegen het terugvorderingsbesluit van 31 augustus 2007 gegrond verklaren en dat besluit vernietigen wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

2.4. Het nieuwe besluit van 9 oktober 2009 komt niet volledig tegemoet aan appellant en zal daarom met overeenkomstige toepassing in hoger beroep van de artikelen 6:18 en 6:19 van de Awb in de procedure worden betrokken. Het van rechtswege ontstane beroep strekt zich ook uit tot de bij het besluit van 9 oktober 2009 opgelegde boete van € 150,-, nu dat besluit in zoverre niet tegemoet komt aan het beroep van appellant en appellant kenbaar heeft gemaakt zich niet te kunnen verenigen met het nadere boetebesluit. Alvorens het beroep tegen het besluit van 9 oktober 2009 te beoordelen zal de Raad eerst het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 2 behandelen. Deze is door appellant aangevochten voor zover de rechtbank de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand heeft gelaten. In dit verband is het volgende van belang.

2.5. Naar aanleiding van een verhoor van een voormalig werknemer van een bedrijf van [v.d. N.] heeft het Uwv een onderzoek verricht en in dat kader diverse werknemers gehoord. Uit die verklaringen en uit gegevens van de Duitse sociale verzekeringsinstanties is het vermoeden gerezen dat de werknemers van [naam rechtspersoon] tijdens de WW-uitkeringsperiode zoveel mogelijk doorwerkten, waarbij slechts een deel van de gewerkte uren en het ontvangen loon op de werkbriefjes werden vermeld. De bevindingen ten aanzien van appellant zijn neergelegd in een rapport van 21 maart 2005. Daaruit blijkt dat voor appellant van 1 september 2003 tot 31 augustus 2004 een dienstverband is aangemeld bij de Duitse Bau Berufsgenossenschaft en dat appellant van 12 januari 2004 tot en met 4 april 2004 vrijwel onafgebroken was aangemeld op projecten in Duitsland volgens § 3 van het Arbeitnehmer Entsendegesetz. Met de rechtbank en op de door de rechtbank aangegeven gronden is de Raad van oordeel dat appellant in de periodes van 12 januari tot en met 16 februari 2004, van 19 februari tot en met 21 maart 2004 en van 1 tot en met 4 april 2004 meer heeft gewerkt dan door hem is opgegeven op de werkbriefjes.

2.6. Nu de ten name van appellant ingediende werkbriefjes geen getrouwe weergave bevatten van de omvang van de werkzaamheden van appellant in de genoemde periodes heeft het Uwv een schatting van die omvang moeten maken. Het Uwv heeft zich voor de bepaling van de omvang van de voor appellant in aanmerking te nemen uren vooral gebaseerd op het door appellant getekende “Übersicht gearbeitete tagen BRD”, door de rechtbank aangeduid als de stippenlijst. Het betreft hier maandoverzichten die per dag en per werknemer zijn bijgehouden door middel van het plaatsen van een zwarte stip. De betrokken werknemers hebben met hun handtekening de juistheid van die overzichten bevestigd. Namens appellant is benadrukt dat op de overzichten in verband met mogelijke loonbelastingplicht in Duitsland de dagen zijn vermeld dat men gewerkt heeft en de dagen waarop men fysiek aanwezig was in Duitsland, maar dat dit niet betekent dat iedere stip staat voor een gewerkte dag. Een stip kan volgens appellant onder meer ook staan voor rest- en opruimwerkzaamheden, kleine herstelwerkzaamheden, administratieve handelingen op het kantoor van de werkgever en andere bijeenkomsten met de werkgever.

Daarmee wordt echter miskend dat, ook waar het gaat om werkzaamheden die voor de werkgever wellicht niet winstgevend of productief waren, deze werkzaamheden plaatsvonden binnen een dienstverband en dat de daarmee gemoeide uren daarom ook van invloed waren op de omvang van de werkloosheid en het recht op WW-uitkering.

2.7. Appellant heeft diverse malen benadrukt dat de ware omvang van de werkzaamheden slechts is vast te stellen aan de hand van de zogenoemde mandagenregisters. Volgens appellant heeft het Uwv dan wel een overheidsinstantie deze registers met opzet laten verdwijnen. In het dossier bevindt zich een overzicht van de stukken die bij een doorzoeking bij de werkgever in beslag zijn genomen. Onder nummer 24 op die lijst wordt een mandagenregister vermeld. In het dossier bevinden zich verder overzichten die betrekking hebben op een andere periode dan thans in geding, waarop, herleidbaar naar werknemer, is terug te vinden hoeveel uur deze heeft gewerkt en waar deze werkzaamheden hebben plaatsgevonden. Het is dan ook aannemelijk dat er met betrekking tot de thans aan de orde zijnde periode mandagenregisters zijn geweest. De registers zijn na de inbeslagname op onverklaarde wijze in het ongerede geraakt. Over het bestaan daarvan zijn misverstanden ontstaan omdat aanvankelijk de stippenlijst en de mandagenregisters werden verward. Voor heropening van het onderzoek ten behoeve van een verdere naspeuring naar die registers en in dat verband eventueel aan het Uwv te verstrekken opdrachten of verzoeken bestaat echter geen aanleiding. Nu de mandagenregisters, zoals toegelicht namens appellant ter zitting van 17 december 2009, bewijs bevatten met betrekking tot de verloonde werkzaamheden, is daarmee niet gezegd dat deze registers volledige, betrouwbare en verifieerbare informatie zouden kunnen geven over het precieze aantal uren dat daadwerkelijk in de hier van belang zijnde periode door appellant is gewerkt, omdat onbetaalde arbeidsuren niet zijn verantwoord. De mandagenregisters kunnen dan ook geen getrouw beeld geven van de voor de toepassing van de WW in aanmerking te nemen uren.

2.8. De door het Uwv gemaakte schatting is, gelet op de voorhanden zijnde gegevens als de aard en de organisatie van de werkzaamheden op bouwplaatsen in Duitsland en waarbij een stip werd gelijkgesteld met 10 uur, niet onredelijk of onlogisch. Dat appellant thans niet meer in de positie verkeert om het bewijs voor de onjuistheid van die schatting aan te dragen, komt voor zijn risico nu het immers aan hem te wijten is dat de werkbriefjes onjuist zijn ingevuld.

2.9. Voor zover appellant met zijn verwijzingen naar besluiten van het Uwv ten aanzien van andere werknemers van [naam rechtspersoon]. betoogt dat het Uwv ook ten aanzien van hem op een vergelijkbare wijze dient te handelen, slaagt die grond niet. Op grond van de gedingstukken, waaronder het proces-verbaal van de zitting van 17 december 2009 en de in de zaak van [M.] bij brief van 19 oktober 2010 door het Uwv verstrekte toelichting, is niet aannemelijk dat de omstandigheden die hebben geleid tot afwijkende standpunten van het Uwv ten aanzien van de door appellant met name genoemde werknemers gelijk zijn aan die van hem.

2.10. Uit 2.5 tot en met 2.9 volgt dat de door appellant tegen de aangevallen uitspraak 2 aangevoerde gronden geen doel treffen. Het hoger beroep tegen die uitspraak slaagt dus niet.

2.11. Met het voorgaande is tevens gegeven dat aan appellant over de in geding zijnde periodes onverschuldigd WW-uitkering is betaald als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenverplichting die op appellant rust. Gezien het imperatieve karakter van artikel 36, eerste lid, van de WW heeft het Uwv hetgeen onverschuldigd is betaald dan ook terecht teruggevorderd. In zijn brief van 5 november 2010 heeft het Uwv het bedrag van de terugvordering nader gesteld op € 1.286,62. De Raad leidt hieruit af dat het in het besluit van 9 oktober 2009 genoemde bedrag niet wordt gehandhaafd door het Uwv. Dat besluit komt reeds daarom in aanmerking voor vernietiging wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. Nu appellant het door het Uwv nader vastgestelde bedrag van de terugvordering niet heeft betwist ziet de Raad aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien en het bedrag van de terugvordering vast te stellen op € 1.286,62.

2.12. Voor de wijze van toetsing van de boete wordt verwezen naar de uitspraak van de Raad van 27 mei 2010 (LJN BM5914). Aan de in artikel 27a van de WW gestelde voorwaarden voor het opleggen van een boete is hier voldaan. Appellant heeft zijn werkbriefjes over de betreffende periode onjuist ingevuld. Binnen de systematiek van de WW vormt dat een ernstige overtreding omdat de rechtmatigheid van de uitkering destijds aan de hand van het werkbriefje werd vastgesteld. Deze overtreding is volledig verwijtbaar. In zijn brief van 5 november 2010 heeft het Uwv verder gesteld dat de omvang van de boete niet wordt gehandhaafd, gezien de nadere vaststelling van het bedrag van de terugvordering. Het Uwv acht thans een boete van € 130,- op zijn plaats. Gelet hierop komt het boetebesluit in aanmerking voor vernietiging wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. Mede gelet op de overige ten aanzien van appellant gebleken omstandigheden is de Raad van oordeel dat een boete van € 130,- een evenredige sanctie is. De Raad zal de boete aldus vaststellen.

3. Er is geen aanleiding voor een kostenveroordeling in het geding betreffende herziening van de WW-uitkering. De Raad ziet wel aanleiding om met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in verbinding met artikel 7:15, tweede tot en met vierde lid, van de Awb het Uwv te veroordelen in de kosten van appellant in het geding betreffende de terugvordering en de boete. De kosten daarvan worden bepaald op € 644,- in bezwaar en € 322,- in hoger beroep voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht, in totaal derhalve € 966,-. Voor de in dat geding in beroep gemaakte proceskosten is door de rechtbank Leeuwarden al een vergoeding toegekend.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 28 april 2008, voor zover

aangevochten;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 31 augustus 2007 inzake de terugvordering

gegrond en vernietigt dat besluit;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 9 oktober 2009 gegrond en vernietigt dat

besluit;

Stelt de terugvordering vast op een bedrag van € 1.286,62 en de boete op een bedrag

van € 130,-;

Bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 9 oktober 2009;

Bevestigt de uitspraak van de rechtbank Almelo van 9 juni 2010;

Veroordeelt het Uwv in de kosten van appellant tot een bedrag van € 966, -;

Bepaalt dat het Uwv het door appellant betaalde griffierecht tot een bedrag van

€ 146,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en H.G. Rottier en B.M. van Dun als leden, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 januari 2011.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) P. Boer.

JL