Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BO9979

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-01-2011
Datum publicatie
06-01-2011
Zaaknummer
10-72 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WGA-uitkering. Deugdelijke medische grondslag. De geselecteerde functies blijven binnen de belastbaarheid van appellant.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/72 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 24 november 2009, 08/2909 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 5 januari 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant is hoger beroep ingesteld en zijn nadere stukken overgelegd.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend, nadere stukken in het geding gebracht en schriftelijk gereageerd op een namens appellant ingediend nader stuk.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 november 2010. Voor appellant is zijn advocaat, mr. A.M. Bruin, verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.M.M. Schalkwijk.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant was in loondienst werkzaam. Op 18 maart 2005 is hij voor zijn werk uitgevallen. De arbeidsovereenkomst is per 15 juni 2005 ontbonden. Appellant is met ingang van 2 augustus 2006 een loongerelateerde uitkering in verband met werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten (WGA-uitkering) op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen toegekend voor de duur van twee jaar.

1.2. De mate van appellants arbeidsongeschiktheid is door het Uwv herbeoordeeld. Dit heeft ertoe geleid dat bij besluit van 5 mei 2008 het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid met ingang van 6 juli 2008 heeft vastgesteld op 24,8 %. De hoogte en einddatum van de loongerelateerde uitkering blijft ongewijzigd. Als de arbeidsongeschiktheid van appellant niet wijzigt, komt hij na die einddatum niet meer in aanmerking voor een WGA-uitkering. Het besluit van 5 mei 2008 rust op een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek. Bij besluit van 27 augustus 2008 heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 5 mei 2008 ongegrond verklaard. Dit besluit berust eveneens op een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het besluit van 27 augustus 2008 ongegrond verklaard. De rechtbank kon zich verenigen met de verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige grondslag van dat besluit.

3. Appellant heeft in hoger beroep zijn in eerste aanleg aangevoerde gronden herhaald. Die strekken ten betoge dat de bij hem aanwezige medische beperkingen voor het verrichten van arbeid door het Uwv zijn onderschat, dat er bij hem geen arbeidscapaciteit aanwezig is en dat het besluit van 27 augustus 2008 een ondeugdelijke arbeidskundige grondslag heeft. Het Uwv heeft aangevoerd dat de rechtbank dit besluit terecht in stand heeft gelaten.

4. Het oordeel van de Raad.

4.1. De rechtbank heeft geconstateerd dat de verzekeringsarts J. Troost appellant in het kader van de herbeoordeling heeft onderzocht. De mogelijkheden tot het verrichten van werkzaamheden van appellant heeft de verzekeringsarts neergelegd in de Functionele Mogelijkheden Lijst. Vervolgens heeft arbeidsdeskundige J.W. Wieske met behulp van het Claim Beoordelings- en Borgingssysteem arbeidskundig onderzoek verricht en hierover een rapport uitgebracht. Hierin stelt de arbeidsdeskundige vast dat appellant voor de functies samensteller elektronica, elektronicamonteur en productiemedewerker bedrading over voldoende opleiding/ervaring beschikt en dat hij voldoende belastbaar is om de bij die functies behorende werkzaamheden te kunnen verrichten. Het verlies aan verdiencapaciteit heeft de arbeidsdeskundige berekend op 24,8 %. Bezwaarverzekeringsarts W. Hovy heeft de conclusies van de verzekeringsarts onderschreven. De bezwaarverzekeringsarts acht de geduide functies acceptabel. Bezwaararbeidsdeskundige J.C.M. Horeman heeft vermeld dat de arbeidskundige heroverweging tot dezelfde conclusie leidt als de arbeidskundige uit zijn onderzoek heeft getrokken.

4.2. De rechtbank heeft in hetgeen appellant heeft aangevoerd geen aanleiding gezien te oordelen dat het bestreden besluit niet op een deugdelijke medische grondslag berust. Appellant is zowel door de verzekeringsarts als de bezwaarverzekeringsarts onderzocht. Verder is de informatie van de behandelend psychiater en orthopedisch chirurg van appellant betrokken bij de heroverweging in bezwaar. Voorts heeft de bezwaarverzekeringsarts gemotiveerd waarom bepaalde beperkingen voor het verrichten van arbeid wel en andere niet zijn aangenomen. Gelet op de beschikbare gegevens, waaronder de rapporten van de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts en de informatie van de behandelaars van appellant, zijn er volgens de rechtbank geen aanknopingspunten om het Uwv niet te volgen in het standpunt dat bij de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per 6 juli 2008 in voldoende mate met zijn beperkingen rekening is gehouden. De Raad onderschrijft deze overweging van de rechtbank. Appellant heeft ook in hoger beroep geen aanknopingspunten geboden die de Raad aanleiding geven om te twijfelen aan de juistheid van het oordeel van de bezwaarverzekeringsarts. In het bijzonder de brief van 13 augustus 2010 van de appellant behandelend psychiater A. Buning geeft de Raad geen reden tot twijfel aan de juistheid van de bij appellant bestaande beperkingen op het psychische vlak. Die brief biedt, in samenhang met in eerdere fasen van de procedure overgelegde brieven van deze psychiater, een beeld van de zich sinds 2005 gunstig ontwikkelende psychische gezondheidstoestand. Die psychiater schrijft dat appellant aan zijn emoties vorm geeft middels somatisatie en regressie. Er is echter geen sprake meer van depressieve stoornis of van agressie in de thuissituatie. Deze arts acht het van belang appellant te motiveren om tot actief en verantwoordelijk gedrag te komen en hem te laten kiezen voor werkre-integratie dan wel voor resocialiserende dagbehandeling. De Raad ziet, evenmin als de rechtbank, reden om met betrekking tot de medische situatie waarin appellant op 6 juli 2008 verkeerde, een medisch specialist als deskundige te benoemen om nader over de gezondheidstoestand van appellant op die datum te rapporteren.

4.3. In verweer tegen de desbetreffende beroepsgrond van appellant heeft het Uwv aangevoerd dat appellant beperkt is met betrekking tot het aspect concentreren van de aandacht. Hij kan zich niet langer dan een half uur concentreren op een informatiebron. Hij heeft zoals blijkt uit het rapport van bezwaarverzekeringsarts Hovy echter geen concentratiestoornis of problemen met de aandachtsverdeling, zodat appellant ondanks zijn psychische klachten in staat moet worden geacht routinematige arbeid te verrichten. Bij de geselecteerde functies gaat het juist om routinematig werk waarvoor geen speciale concentratie is vereist. Het zijn voorspelbare, routinematige handelingen. De werkzaamheden vereisen niet dat iemand zich een half uur aaneengesloten moet concentreren. De rechtbank is het Uwv hierin gevolgd. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank op dit punt. Ook in hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat zijn beperking op het aspect van concentreren van aandacht hem verhindert de geselecteerde functies te vervullen. De Raad ziet in de correspondentie van de hand van de psychiater Buning geen aanwijzing voor de onjuistheid van het oordeel van de bezwaarverzekeringsarts in dezen. Met de rechtbank is de Raad voorts van oordeel dat de geselecteerde functies ook overigens binnen de belastbaarheid van appellant blijven.

4.4. Appellant acht de functie van montagemedewerker, een der functies vallend onder de Sbc-code van samensteller elektronica, ongeschikt omdat hij - gezien zijn beperkingen ten onrechte - in staat wordt geacht om een interne opleiding te volgen. De rechtbank heeft het niet aannemelijk geacht dat appellant de interne opleiding, die een praktisch intern opleidingstraject betreft, niet aan zou kunnen. Die opleiding bestaat in het bijzonder uit het gericht inwerken van de nieuwe medewerker in een functie met voorspelbare werkzaamheden, waarin veel structuur en overzicht wordt geboden. De combinatie van zijn opleiding en arbeidservaring maakt dat deze functie op het betreffende aspect valt binnen de mogelijkheden van appellant. De Raad constateert dat appellant daartegenover geen argumenten naar voren heeft gebracht die twijfel doen rijzen aan dit standpunt. De Raad volgt de rechtbank dan ook in haar oordeel.

4.5. Gezien hetgeen is overwogen in 4.1 tot en met 4.4 zal de aangevallen uitspraak worden bevestigd.

5. Er is geen aanleiding voor het uitspreken van een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en T. Hoogenboom en M. Greebe als leden in tegenwoordigheid van M. Mostert als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 januari 2011.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) M. Mostert.

EK