Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BO9962

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-01-2011
Datum publicatie
06-01-2011
Zaaknummer
08-7089 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening en terugvordering teveel verstrekte bijstand. Het College was op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd om de gemaakte kosten van bijstand terug te vorderen voor zover de bijstand tot een te hoog bedrag is verleend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/7089 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 4 november 2008, 08/36 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen (hierna: College)

Datum uitspraak: 4 januari 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.S. Özsaran, werkzaam bij Tiebout advocaten te Groningen, hoger beroep ingesteld.

Mr. B. van Dijk, advocaat bij genoemd kantoor, heeft de Raad bericht dat hij de zaak van mr. Özsaran heeft overgenomen.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 23 november 2010, waar partijen, met voorafgaand bericht, niet zijn verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geval van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontvangt sinds 19 maart 2007 algemene bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder.

Daarnaast ontvangt zij heffingskortingen van de Belastingdienst, in verband waarmee zij een beschikking voorlopige teruggaaf 2007 heeft gekregen. Gebleken is dat bij het toekennen van de bijstand ten onrechte geen rekening was gehouden met de voorlopige teruggaaf. De heffingskortingen over de periode 19 maart 2007 tot en met 30 juni 2007 hadden als middelen van appellante moeten worden beschouwd. Voorts is gebleken dat appellante de bijstand over de periode 19 maart 2007 tot en met 31 maart 2007 dubbel heeft ontvangen.

1.2. Bij besluit van 31 juli 2007 heeft het College de aan appellante verleende bijstand over de periode 19 maart 2007 tot en met 30 juni 2007 herzien en de teveel verstrekte bijstand ter hoogte van € 876,29 van haar teruggevorderd.

1.3. Bij besluit van 23 november 2007 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 31 juli 2007 deels gegrond en deels ongegrond verklaard. Het bezwaar is gegrond verklaard, voor zover het is gericht tegen de herziening en terugvordering over de periode 19 maart 2007 tot en met 30 juni 2007 als gevolg van de teruggaaf van de Belastingsdienst. Het bezwaar is ongegrond verklaard voor zover het is gericht tegen de herziening en terugvordering over de periode 19 maart 2007 tot en met 31 maart 2007 als gevolg van de dubbele betaling van bijstand. Het College heeft het verzoek van appellante om vergoeding van de proceskosten in bezwaar ingewilligd en haar verzoek om schadevergoeding afgewezen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 23 november 2007 ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd, waarbij het geschil zich beperkt zich tot de herziening en terugvordering van de bijstand van appellante over de periode 19 maart 2007 tot en met 31 maart 2007 vanwege de dubbele betaling. Appellante erkent dat zij de uitkering dubbel heeft ontvangen, maar stelt zich op het standpunt dat het College redelijkerwijs geen gebruik kon maken van de bevoegdheid tot herziening en terugvordering. Het ging om een fout van het College en appellante heeft aanvankelijk niet gemerkt dat zij teveel uitkering ontving. Een aantal maanden later heeft zij haar vermoedens ten aanzien van de teveel betaalde uitkering bij het College kenbaar gemaakt. Het College heeft verzuimd om een belangenafweging te maken. Bij het hoger beroep is verzocht om het College te veroordelen tot schadevergoeding.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Ingevolge artikel 54, derde lid, aanhef en onder b, van de WWB was het College bevoegd om de bijstand over de in geding zijnde periode te herzien. Het College heeft zich op het standpunt gesteld dat appellante, gelet op de hoogte van de dubbele betaling, redelijkerwijs had kunnen weten dat zij te veel bijstand ontving. Het feit dat de dubbele betaling het gevolg was van een fout van het College doet daar niet aan af. De Raad onderschrijft, evenals de rechtbank, dit standpunt van het College. Naar het oordeel van de Raad had appellante zich na ontvangst van de bijstand over de maand april 2007, in welke maand wel het juiste bedrag is uitbetaald, moeten realiseren dat het bedrag over de maand maart 2007 niet juist kon zijn. Bovendien had appellant ook uit het bedrag van € 466,82, dat haar over de periode van 19 tot en met 31 maart 2007 teveel aan bijstand is betaald, kunnen afleiden dat de verstrekte bijstand (veel) te hoog was.

4.2. Voorts was het College op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd om de gemaakte kosten van bijstand terug te vorderen voor zover de bijstand tot een te hoog bedrag is verleend. In hetgeen appellante verder heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het College bij afweging van de daarbij rechtstreeks betrokken belangen in redelijkheid niet tot deze herziening en terugvordering heeft kunnen komen. De Raad ziet hierin ook geen dringende reden als bedoeld in de ter zake van terugvordering geldende beleidsregels.

4.3. Uit 4.1 en 4.2 volgt het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking. Hieruit volgt tevens dat er voor een veroordeling tot vergoeding van schade geen ruimte is. Het verzoek daartoe van appellante dient daarom te worden afgewezen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Wijst het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa, in tegenwoordigheid van R.L. Venneman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 januari 2011.

(get.) J.F. Bandringa.

(get.) R.L. Venneman.

KR