Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BO9954

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-01-2011
Datum publicatie
06-01-2011
Zaaknummer
09-5354 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering terug te komen van eerder genomen rechtensonaantastbaar besluit. Geen nieuwe feiten of omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/5354 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 14 september 2009, 09/418 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 5 januari 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. S.T. Dieters, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met het onderzoek in de zaken met nummer 09/5477 WW en 09/5479 ZW, plaatsgevonden op 1 december 2010. Voor appellante is mr. Dieters verschenen. Voor het Uwv verscheen mr. D.R. Abdoelhak. Na de sluiting van het onderzoek ter zitting zijn de gevoegde zaken weer gesplitst. In de zaken wordt afzonderlijk uitspraak gedaan.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 22 maart 2006 heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen een besluit van 16 september 2005 wegens te late indiening niet-ontvankelijk verklaard. Het Uwv heeft zich op het standpunt gesteld dat niet is gebleken dat appellante om medische redenen buiten staat was om tijdig bezwaar te maken.

1.2. Namens appellante is met een brief van 11 juli 2008 verzocht om terug te komen van het besluit van 22 maart 2006. Daarbij is aangevoerd dat het Uwv heeft nagelaten bij de voorbereiding van het besluit van 22 maart 2006 de inhoud te betrekken van een brief die de huisarts van appellante op 15 maart 2006 aan het Uwv zond met informatie over haar psychische gesteldheid. Op het verzoek van appellante is bij besluit van 13 oktober 2008 afwijzend beslist nadat een bezwaarverzekeringsarts had gerapporteerd dat de brief geen ander licht werpt op de beoordeling die vooraf ging aan het besluit van 22 maart 2006.

1.3. Appellante heeft bezwaar gemaakt. Bij besluit van 21 april 2009 heeft het Uwv zijn besluit van 13 oktober 2008 gehandhaafd.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het besluit van 21 april 2009 ongegrond verklaard.

3.1. Appellante heeft in hoger beroep herhaald dat de brief van de huisarts gegevens bevat die onmiskenbaar niet bij de voorbereiding van het besluit van 22 maart 2006 zijn betrokken. De brief maakt duidelijk dat appellante in de periode waarin zij bezwaar kon maken tegen het besluit van 16 september 2005 niet in staat was haar belangen adequaat te (laten) behartigen.

3.2. Het Uwv heeft zich achter het oordeel van de rechtbank gesteld. Er is volgens het Uwv geen sprake van discrepantie tussen de bevindingen van de huisarts en die van de bezwaarverzekeringsartsen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Appellante heeft tegen het besluit van 22 maart 2006 geen beroep ingesteld, zodat het in rechte onaantastbaar is geworden.

4.2. Een bestuursorgaan komt de bevoegdheid toe om op een verzoek van een belanghebbende met toepassing van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een eerder genomen besluit te heroverwegen. De omstandigheid dat dat eerder genomen besluit in rechte onaantastbaar is geworden, staat daar niet aan in de weg. Indien het bestuursorgaan met gebruikmaking van deze bevoegdheid het eerder genomen besluit handhaaft, kan dit echter niet de weg openen naar een toetsing als betrof het een oorspronkelijk besluit. Een dergelijke wijze van toetsen zou zich niet verdragen met de dwingendrechtelijk voorgeschreven termijnen voor het instellen van rechtsmiddelen in het bestuursrecht. Gelet hierop dient de bestuursrechter in zulk geval uit te gaan van de oorspronkelijke afwijzing. Zijn toetsing beperkt zich dan in beginsel tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en, zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien. Daarnaast dient de bestuursrechter met betrekking tot het nieuwe besluit nog de vraag te beantwoorden of kan worden gezegd dat het bestuursorgaan niet in redelijkheid tot het nieuwe besluit heeft kunnen komen.

4.3. Als vaststaand kan worden aangenomen dat de brief van de huisarts van 15 maart 2006, ondanks het feit dat daarop is aangetekend dat de brief op 20 maart 2006 door het Uwv werd ontvangen, door bezwaarverzekeringsarts J. van der Leij niet is betrokken bij zijn oordeel dat de medische toestand van appellante in september en oktober 2005 niet in de weg stond aan het tijdig indienen van een bezwaarschrift. In zijn rapportage van 21 maart 2006 heeft Van der Leij vermeld dat nadere informatie van de huisarts niet werd ontvangen.

4.4. Van der Leij was wel bekend met de al langer bestaande psychische problematiek van appellante. Hij vond daarover informatie in het hem ter beschikking staande dossier en appellante had hem tijdens de hoorzitting verteld dat zij na de beƫindiging van haar WAO-uitkering weer depressief was geworden en naar de GGZ was verwezen. In zijn rapportage van 21 maart 2006 heeft Van der Leij zijn opvatting neergelegd dat bij appellante geen sprake is van een ernstig depressief toestandsbeeld dat haar te late aanvraag kan verklaren.

4.5. De huisarts heeft in zijn brief van 15 maart 2006 vermeld dat bij appellante sprake is van surmenage, slaapproblemen en chronische spanningsklachten, waarvoor zij naar de GGZ is verwezen. Het Uwv heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat deze brief geen gegevens bevat die Van der Leij ten tijde van zijn rapportage onbekend waren.

4.6. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellante geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6, eerste lid, van de Awb heeft aangevoerd. Het Uwv kon in redelijkheid besluiten om niet terug te komen van het besluit van 22 maart 2006.

4.7. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De Raad zal de aangevallen uitspraak bevestigen.

5. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en B.M. van Dun en M. Greebe als leden, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 januari 2011.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) T.J. van der Torn.

EK