Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BO9894

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-01-2011
Datum publicatie
06-01-2011
Zaaknummer
09-4684 BBZ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beroep terecht niet-ontvankelijkverklaard. Niet-verschoonbare termijnoverschrijding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/4684 BBZ

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 12 augustus 2009, 08/2179 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht (hierna: College)

Datum uitspraak: 4 januari 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 23 november 2010, waar partijen - het College met voorafgaand bericht - niet zijn verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Bij besluit van 6 juni 2008, verzonden op 12 juni 2008, heeft het College, onder intrekking van het besluit op bezwaar van 16 mei 2008, het bezwaar van appellant tegen het besluit van 31 januari 2008 in zoverre gegrond verklaard, dat aan appellant op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 een renteloze lening van € 6.662,-- is toegekend. In het besluit van 6 juni 2008 zijn tevens de verplichtingen opgenomen die aan de toekenning van de lening zijn verbonden.

1.2. Bij het beroepschrift, gedagtekend 26 juli 2008, heeft appellant tegen het besluit van 6 juni 2008 beroep ingesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het beroepschrift na afloop van de beroepstermijn is ingediend en dat niet gebleken is van omstandigheden op grond waarvan tot verschoonbaarheid van het verzuim kan worden geconcludeerd.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd gekeerd tegen de aangevallen uitspraak.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Naar in de aangevallen uitspraak is overwogen - en ook overigens tussen partijen niet in geschil is - heeft de beroepstermijn van zes weken, als bedoeld in artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), een aanvang genomen op 13 juni 2008 en was de laatste dag van die termijn (donderdag) 24 juli 2008.

4.2. Appellant stelt dat hij het beroepschrift op donderdag 24 juli 2008, en derhalve binnen de beroepstermijn, in de namiddag in de brievenbus van de rechtbank heeft gedeponeerd.

4.3. De Raad stelt vast dat op het beroepschrift een stempel is geplaatst, inhoudende dat het beroepschrift op 25 juli 2008 is ingekomen bij de sector bestuursrecht van de rechtbank Utrecht. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank overwogen dat intern onderzoek heeft uitgewezen dat de post, die bij de eerste lichting rond 7:30 uur uit de brievenbus wordt gehaald, wordt voorzien van een stempel met de datum van de vorige dag. Daaruit heeft de rechtbank afgeleid dat het beroepschrift van appellant op zijn vroegst op 25 juli 2008 in de brievenbus is gedeponeerd.

4.4. De Raad is van oordeel dat als een beroepschrift niet per post wordt verzonden naar de betrokken rechterlijke instantie, doch door de indiener zelf wordt bezorgd er in beginsel van moet worden uitgegaan dat dit geschrift bij die instantie is binnengekomen op de datum die is vermeld op het stempel dat er bij binnenkomst op is geplaatst.

Dit beginsel lijdt slechts uitzondering indien de indiener aannemelijk maakt dat het geschrift eerder is bezorgd.

4.5. Appellant heeft geen feiten en omstandigheden gesteld op grond waarvan aannemelijk is dat hij het beroepschrift op donderdag 24 juli 2008 in de brievenbus van de rechtbank heeft gedeponeerd. Daarbij merkt de Raad op dat het beroepschrift is gedagtekend op 26 juli 2008 en dat appellant in zijn brief van 25 augustus 2008 de rechtbank heeft bericht dat hij na 23 juli (2008) beroep heeft aangetekend en het beroepschrift “in het weekend” persoonlijk in de brievenbus van de rechtbank heeft gedeponeerd. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat, zoals hij stelt, de dagtekening van het beroepschrift op een abuis berust. De omstandigheid dat, zoals appellant heeft aangevoerd, bij andere gelegenheden brieven bestemd voor de rechtbank in het ongerede zijn geraakt en dossiers bij de rechtbank zoek zijn geraakt, kan er niet aan afdoen dat het onderhavige beroepschrift niet in het ongerede of zoek is geraakt en dat de datum van ontvangst van dit beroepschrift is geregistreerd. De Raad is derhalve met de rechtbank van oordeel dat het beroepschrift na afloop van de beroepstermijn is ingediend.

4.6. Ingevolge artikel 6:11 van de Awb blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. De Raad is evenals de rechtbank niet gebleken van omstandigheden op grond waarvan redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest.

De omstandigheid dat appellant in juli 2008 nog een e-mailwisseling heeft gevoerd met zijn casemanager van de Dienst Maatschappelijk Ondersteuning van de gemeente Utrecht over het besluit van 6 juni 2008 kan niet tot het oordeel leiden dat sprake was van een verschoonbare termijnoverschrijding. Appellant had immers tegen het besluit van 6 juni 2008 voorlopig beroep kunnen instellen en had bij een bevredigende uitkomst van het overleg over dat besluit het beroep vervolgens kunnen intrekken.

4.7. Uit het vorenstaande volgt dat de rechtbank het beroep terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Derhalve dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa, in tegenwoordigheid van R.L. Venneman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 januari 2011.

(get.) J.F. Bandringa.

(get.) R.L. Venneman.

SB