Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BO9892

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-01-2011
Datum publicatie
06-01-2011
Zaaknummer
08-6795 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toekenning bijzondere bijstand voor de kosten van woninginrichting in de vorm van een geldlening is terecht. Beleid. Geen bijzondere omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/6795 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 14 november 2008, 08/489 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Hoogezand-Sappemeer (hierna: College)

Datum uitspraak: 4 januari 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R. van Asperen, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 23 november 2010, waar partijen, met voorafgaand bericht, niet zijn verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.2. Appellante ontvangt bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder. Op 7 maart 2007 heeft appellante bijzondere bijstand aangevraagd voor de kosten van woninginrichting. Bij besluit van 6 december 2007 heeft het College bijzondere bijstand tot een bedrag van € 750,-- toegekend in de vorm van een geldlening.

1.3. Bij besluit van 16 april 2008 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 6 december 2007 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 16 april 2008 ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Zij heeft zich, samengevat, op het standpunt gesteld dat het College ten onrechte aan het besluit ten grondslag heeft gelegd dat zij een tekortschietend besef voor de voorziening in het bestaan heeft betoond en dat voorts haar situatie is te vergelijken met faillissement of schuldsanering, zodat het beleid van het College de mogelijkheid biedt om de bijstand om niet te verlenen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad stelt vast dat het College de inrichtingskosten van appellante heeft aangemerkt als uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan, die niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, zodat aanspraak op bijzondere bijstand bestaat.

4.2. Partijen houdt uitsluitend verdeeld het antwoord op de vraag of die bijstand terecht in de vorm van een geldlening is verstrekt.

4.3. Op grond van artikel 48, eerste lid, van de WWB wordt de bijstand om niet verleend, tenzij in deze wet anders is bepaald. In artikel 51, eerste lid, van de WWB is bepaald dat bijzondere bijstand voor de kosten van noodzakelijke duurzame gebruiksgoederen kan worden verleend in de vorm van een geldlening of borgtocht, dan wel in de vorm van een bedrag om niet.

4.4. Het College voert het beleid, neergelegd in het Handboek WWB, dat de bijstand in beginsel altijd wordt verleend als geldlening, tenzij sprake is van een schuldsanering of faillissement.

4.5. De Raad stelt vast dat het College, anders dan appellante stelt, aan het besluit van 16 april 2008 niet langer ten grondslag heeft gelegd dat sprake is van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid van appellante. De Raad is van oordeel dat in het geval van appellante weliswaar sprake is van schuldhulpverlening, maar niet van schuldsanering of faillissement. De omstandigheid dat appellante beroep heeft moeten doen op schuldhulpverlening ziet de Raad niet als een zodanige bijzondere omstandigheid dat het College van zijn beleid had moeten afwijken.

4.6. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa, in tegenwoordigheid van R.L.Venneman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 januari 2011.

(get.) J.F. Bandringa.

(get.) R.L. Venneman.

SB