Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BO9887

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-01-2011
Datum publicatie
06-01-2011
Zaaknummer
10/179 WWB + 10/181 WWB + 10/197 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Meerdere besluiten. Intrekking, herziening en terugvordering bijstandsuitkering. Afwijzing aanvraag. Gezamenlijke huishouding. Erfenis. Schending inlichtingenverplichting. Geen sprake van hulpbehoevende omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/179 WWB

10/181 WWB

10/197 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraken van de rechtbank Amsterdam van 2 december 2009, 09/2346 (hierna: aangevallen uitspraak 1) 09/2345 (hierna: aangevallen uitspraak 2) en 09/2289 (hierna aangevallen uitspraak 3),

in de gedingen tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 4 januari 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. G.M. Haring, advocaat te Amsterdam, hoger beroepen tegen de aangevallen uitspraken ingesteld.

Het College heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 november 2010. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. G.J.J. van den Boogert, kantoorgenoot van mr. Haring. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door F.H.W. Fris, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Zaak 10/181

1.1.1. Appellant ontving - met een korte onderbreking - sinds 1982 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).

1.1.2. Bij besluit van 1 december 2006 heeft het College de bijstand van appellant ingetrokken over de periode van 14 maart 1998 tot en met 30 november 2005 en de kosten van de over die periode verleende bijstand van hem teruggevorderd. Bij besluit op bezwaar van 7 november 2007 heeft het College de intrekking van de bijstand over de periode van 14 maart 1998 tot en met 30 november 2005 gehandhaafd en het teruggevorderde bedrag (nader) vastgesteld op € 72.600,85 (bruto). De rechtbank heeft bij uitspraak van 21 oktober 2008, 07/1596 het beroep tegen het besluit van 7 november 2007 gegrond verklaard, het besluit van 7 november 2007 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven met uitzondering van de intrekking over de periode tot 1 mei 1998. Bij uitspraak van 20 april 2010, LJN BM1966, heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank van 21 oktober 2008 bevestigd voor zover de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 7 november 2007 in stand zijn gelaten en voor zover het de periode van 1 mei 1998 tot en met 30 november 2005 betreft.

1.1.3. Bij besluit van 8 december 2005 heeft het College de bijstand met ingang van 1 december 2005 ingetrokken op de grond dat appellant, zonder daarvan aan het College mededeling te doen, een gezamenlijke huishouding voert met [naam partner].

1.1.4. Bij besluit van 24 april 2009 (hierna: besluit 1) heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 8 december 2005 met wijziging van de grondslag ongegrond verklaard. Daartoe heeft het College overwogen dat in de periode van februari 2005 tot december 2005 de maandelijkse vaste lasten van appellant (en enkele andere uitgaven daarnaast) aanzienlijk hoger zijn geweest dan de bijstand die hij ontving, zodat sprake moet zijn geweest van inkomsten. Aangezien appellant daarvan bij het College geen melding heeft gemaakt, heeft hij de wettelijke inlichtingenverplichting geschonden. Als gevolg van die schending kan niet worden beoordeeld of appellant recht heeft op bijstand.

1.1.5. Bij de aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen besluit 1 ongegrond verklaard.

1.2. Zaak 10/179

1.2.1. Appellant heeft op 3 januari 2006 een aanvraag om bijstand ingediend. Hij heeft daarbij aangegeven alleenstaande te zijn. Bij besluit van 9 mei 2006, voor zover hier van belang, heeft het College deze aanvraag afgewezen op de grond dat appellant een gezamenlijke huishouding voert met [naam partner].

1.2.2. Bij besluit van 24 april 2009 (hierna: besluit 2), voor zover hier van belang, heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 9 mei 2006 ongegrond verklaard. Daartoe heeft het College overwogen dat appellant na het overlijden van zijn moeder in 1998 in de periode vanaf mei 1998 tot en met oktober 2006 voorschotten op de erfenis heeft ontvangen tot een bedrag van in totaal € 77.743,86 en dat hij de besteding van die voorschotten heeft verantwoord tot een bedrag van € 30.207,--. Nu appellant niet heeft verantwoord waaraan het resterende bedrag van € 47.536,86 is besteed, heeft hij de op hem rustende wettelijke inlichtingenverplichting geschonden. Als gevolg van die schending kan niet worden beoordeeld of appellant recht heeft op bijstand.

1.2.3. Bij de aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep tegen besluit 2 ongegrond verklaard.

1.3. Zaak 10/197

1.3.1. Appellant heeft op 16 januari 2008 een aanvraag om bijstand ingediend. Hij heeft daarbij aangegeven alleenstaande te zijn. Bij besluit van 31 januari 2008 heeft het College deze aanvraag afgewezen op de grond dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden en dat als gevolg daarvan niet kan worden beoordeeld of hij recht heeft op bijstand. Daarbij heeft het College overwogen dat uit onderzoeken in 2005 en 2006 is gebleken dat appellant een gezamenlijke huishouding voert met [naam partner], dat hij heeft aangegeven dat er geen wijzigingen zijn in zijn woonsituatie en dat er dus sprake is van een onweerlegbaar rechtsvermoeden als bedoeld in artikel 3, vierde lid, aanhef en onder a, van de WWB. Tegen dit besluit heeft appellant geen bezwaar gemaakt.

1.3.2. Op 15 maart 2008 heeft appellant opnieuw een aanvraag om bijstand ingediend en daarbij aangegeven alleenstaande te zijn. Bij besluit van 4 augustus 2008 heeft het College deze aanvraag afgewezen onder verwijzing naar de motivering van het besluit van 31 januari 2008 en daarbij overwogen dat sindsdien niets in de situatie van appellant is veranderd.

1.3.3. Bij besluit van 24 april 2009 (hierna: besluit 3) heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 4 augustus 2008 ongegrond verklaard. Daartoe heeft het College overwogen dat appellant geen rechtsmiddel heeft aangewend tegen het besluit van 31 januari 2008, zodat dit besluit in kracht van gewijsde is gegaan en daarmee de gezamenlijke huishouding vanaf 16 januari 2008 in rechte vaststaat. Gelet op de omstandigheid dat appellant en [naam partner] hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning, betekent dit dat er bij de beoordeling van de aanvraag van 15 maart 2008 van dient te worden uitgegaan dat appellant en [naam partner] een gezamenlijke huishouding voeren en dat appellant dus niet als zelfstandig subject van bijstand kan worden beschouwd. Voorts heeft het College overwogen dat niet is gebleken dat appellant verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden.

1.3.4. Bij de aangevallen uitspraak 3 heeft de rechtbank het beroep tegen besluit 3 ongegrond verklaard.

2. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraken gekeerd.

3. De Raad komt in zaak 10/181 tot de volgende beoordeling.

3.1. De Raad stelt vast dat het College de intrekking niet heeft beperkt tot een bepaalde periode. Volgens vaste rechtspraak van de Raad bestrijkt de beoordeling door de bestuursrechter in een dergelijk geval de periode vanaf de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken tot en met de datum van het primaire intrekkingsbesluit. Dat betekent dat hier ter beoordeling voorligt de periode van 1 december 2005 tot en met 8 december 2005.

3.2. De Raad heeft bij de onder 1.1.2 genoemde uitspraak van 20 april 2010 als vaststaand aangenomen dat appellant in de periode van 1 mei 1998 tot en met

30 november 2005 driemaal een voorschot op de erfenis van zijn op 14 maart 1998 overleden moeder heeft ontvangen, te weten in mei 1998 een bedrag van fl. 100.000,-- (€ 45.378,02), in november 1999 een bedrag van fl. 15.000,-- (€ 6.806,70) en in maart 2005 een bedrag van € 15.607,-- en dat appellant van de ontvangst van deze bedragen geen melding heeft gemaakt aan het College. De Raad heeft voorts als vaststaand aangenomen dat in 1998 een bedrag van fl. 32.751,-- (€ 14.861,76) aan verbouwingskosten is besteed en geoordeeld dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat in de periode 1998 en 1999 meer verbouwingskosten zijn gemaakt dan het zojuist genoemde bedrag. Gelet daarop heeft de Raad geoordeeld dat appellant, door geen melding te maken van de door hem ontvangen voorschotten op de erfenis van zijn moeder en nadien niet alle gegevens te verstrekken waarmee op objectieve en verifieerbare wijze inzichtelijk wordt gemaakt dat, en zo ja, op welke wijze de desbetreffende bedragen zijn besteed, de op hem rustende wettelijke inlichtingenverplichting heeft geschonden en dat als gevolg daarvan het recht op bijstand over de periode van 1 mei 1998 tot en met 30 november 2005 niet kan worden vastgesteld.

3.3. Ook voor wat betreft de hier in geding zijnde periode van 1 december 2005 tot en met 8 december 2005 is de Raad van oordeel dat appellant de op hem rustende wettelijke inlichtingenverplichting heeft geschonden en dat als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

3.4. De Raad neemt daarbij in de eerste plaats in aanmerking dat weliswaar met het College als vaststaand kan worden aangenomen dat appellant het door hem in maart 2005 ontvangen voorschot op de erfenis van zijn moeder volledig heeft besteed aan verbouwingen in zijn woning, maar dat over de besteding van de in mei 1998 en november 1999 ontvangen voorschotten onduidelijkheid is blijven bestaan. Appellant heeft de besteding van die voorschotten tot een bedrag van € 14.861,76 verantwoord. Appellant heeft geen gegevens overgelegd waarmee op objectieve en verifieerbare wijze inzichtelijk wordt gemaakt dat, en zo ja, op welke wijze het restant van die voorschotten, het gaat om een bedrag van € 37.322,96, is besteed.

3.5. De Raad acht voorts van belang dat tussen partijen niet in geschil is dat de vaste lasten van appellant over de periode van februari 2005 tot december 2005 ongeveer € 660,-- per maand bedroegen en daarmee hoger waren dan de bijstand van € 606,15 die hij per maand ontving en dat appellant daarnaast in die periode nog voor een bedrag van € 892,38 aan kosten heeft gemaakt die niet kunnen worden aangemerkt als kosten voor levensonderhoud. Gelet daarop is de Raad van oordeel dat appellant van februari 2005 tot december 2005 de beschikking moet hebben gehad over middelen waarvan hij aan het College geen mededeling heeft gedaan. Daaraan staat niet in de weg dat appellant, zoals hij stelt, in die periode vakantiegeld en langdurigheidstoeslag heeft ontvangen, geld opnam met zijn creditcard, van NUON en van Wehkamp geld teruggestort kreeg en in 2005 met een positief saldo op zijn bankrekening is begonnen en is geëindigd met een negatief saldo. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat het volgens de opgave van appellant gaat om een bedrag van in totaal € 2.675,--. De Raad acht niet aannemelijk dat appellant met zijn bijstandsuitkering en het genoemde bedrag van € 2.675,-- van februari 2005 tot december 2005 zijn vaste lasten en de eerder genoemde kosten ter hoogte van

€ 892,38 kon betalen en daarnaast kon voorzien in de kosten van zijn levensonderhoud.

3.6. Gelet op de onduidelijkheid over de besteding van de in mei 1998 en november 1999 ontvangen voorschotten op de erfenis en de onduidelijke financiële situatie van appellant in de periode van februari 2005 tot december 2005 kan naar het oordeel van de Raad niet worden beoordeeld of appellant van 1 tot en met 8 december 2005 recht heeft op bijstand.

3.7. Het voorgaande betekent dat het College op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd was de bijstand van appellant met ingang van 1 december 2005 in te trekken. Appellant heeft de wijze waarop het College van zijn bevoegdheid tot intrekking gebruik heeft gemaakt niet bestreden.

3.8. De Raad komt tot de conclusie dat het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak 1 niet slaagt, zodat die uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

4. De Raad komt in zaak 10/179 tot de volgende beoordeling.

4.1. Volgens vaste rechtspraak van de Raad bestrijkt de te beoordelen periode in geval van een aanvraag om bijstand in beginsel de periode vanaf de datum van de aanvraag tot en met de datum van het primaire besluit. Dit betekent dat in dit geval de te beoordelen periode loopt van 3 januari 2006 tot en met 9 mei 2006.

4.2. Volgens eveneens vaste rechtspraak van de Raad ligt het, indien een periodieke bijstandsuitkering met ingang van een bepaalde datum is ingetrokken, in geval van een aanvraag gericht op het verkrijgen van bijstand met ingang van een later gelegen datum, op de weg van de aanvrager om aan te tonen dat sprake is van een wijziging in de omstandigheden in die zin dat hij nu wel voldoet aan de vereisten om voor bijstand in aanmerking te komen.

4.3. Appellant is er niet in geslaagd aan te tonen dat hij gedurende de hier te beoordelen periode verkeerde in bijstandbehoevende omstandigheden. Onder verwijzing naar hetgeen hiervoor onder 3.4 en 3.5 is overwogen is de Raad van oordeel dat gelet op de onduidelijkheid over de besteding van de in mei 1998 en november 1999 door appellant ontvangen voorschotten op de erfenis van zijn moeder en de onduidelijke financiële situatie van appellant in de periode van februari 2005 tot december 2005 niet kan worden beoordeeld of appellant van 3 januari 2006 tot en met 9 mei 2006 recht heeft op bijstand.

4.4. Het voorgaande betekent dat het College de aanvraag om bijstand van 3 januari 2006 terecht heeft afgewezen.

4.5. De Raad komt tot de conclusie dat het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak 2 niet slaagt, zodat die uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad komt in zaak 10/197 tot de volgende beoordeling.

5.1. Onder verwijzing naar hetgeen onder 4.1 is overwogen stelt de Raad vast dat de in dit geval te beoordelen periode loopt van 15 maart 2008 tot en met 4 augustus 2008.

5.2. De Raad begrijpt, gelet op de inhoud van het verweerschrift van 8 juni 2009, besluit 3 zo, dat aan (de handhaving van) de afwijzing van de aanvraag om bijstand van 15 maart 2008 primair ten grondslag is gelegd dat appellant geen recht heeft op bijstand naar de norm voor een alleenstaande omdat hij met [naam partner] een gezamenlijke huishouding voert als bedoeld in artikel 3, vierde lid, aanhef en onder a, van de WWB en subsidiair dat niet is gebleken dat appellant verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden.

5.3. Ten aanzien van de primaire grond voor afwijzing van de aanvraag van 15 maart 2008 overweegt de Raad als volgt.

5.3.1. Ingevolge artikel 3, vierde lid, aanhef en onder a, van de WWB wordt een gezamenlijke huishouding in ieder geval aanwezig geacht indien de belanghebbenden hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en zij met elkaar gehuwd zijn geweest of in de periode van twee jaar voorafgaande aan de aanvraag van bijstand voor de verlening van bijstand als gehuwden zijn aangemerkt.

5.3.2. Tussen partijen is niet in geschil dat appellant en [naam partner] gedurende de hier te beoordelen periode hun hoofdverblijf hadden in dezelfde woning. Anders dan het College en de rechtbank is de Raad van oordeel dat van appellant en [naam partner] niet kan worden gezegd dat zij in de periode van twee jaar voorafgaande aan de aanvraag van 15 maart 2008 voor de verlening van bijstand als gehuwden zijn aangemerkt.

5.3.3. De Raad neemt daarbij in de eerste plaats in aanmerking dat het College bij het onder 1.2.1 genoemde besluit van 9 mei 2006 de aanvraag van 3 januari 2006 weliswaar heeft afgewezen op de grond dat appellant en [naam partner] een gezamenlijke huishouding voerden, maar dat het College, zoals onder 1.2.2 is vermeld, bij besluit 2 die afwijzing op een andere grond heeft gehandhaafd.

5.3.4. De Raad merkt in de tweede plaats op dat het College bij het onder 1.3.1 genoemde besluit van 31 januari 2008 aan de afwijzing van de aanvraag van 16 januari 2008 ten grondslag heeft gelegd dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden en dat als gevolg daarvan niet kan worden beoordeeld of hij recht heeft op bijstand. De Raad begrijpt de motivering van het besluit van 31 januari 2008 aldus dat het College aan de afwijzing van de aanvraag ook ten grondslag heeft gelegd dat appellant en [naam partner] een gezamenlijke huishouding als bedoeld in artikel 3, vierde lid, aanhef en onder a, van de WWB voeren en dat appellant daarom geen recht heeft op de gevraagde bijstand. De Raad stelt vast dat de twee door het College gehanteerde gronden voor afwijzing van de aanvraag van 16 januari 2008 elkaar uitsluiten. Gemachtigde van het College heeft dat ter zitting van de Raad desgevraagd erkend. Gelet daarop is de Raad van oordeel dat uit het besluit van 31 januari 2008 niet duidelijk, eenduidig en ondubbelzinnig blijkt dat appellant en [naam partner] voor de verlening van bijstand als gehuwden zijn aangemerkt.

5.3.5. Hetgeen onder 5.3.1 tot en met 5.3.4 is overwogen betekent dat besluit 3, voor zover het de primaire grond voor afwijzing van de aanvraag van 15 maart 2008 betreft, niet op een deugdelijke motivering berust.

5.4. Ten aanzien van de subsidiaire grond voor afwijzing van de aanvraag van 15 maart 2008 overweegt de Raad als volgt.

5.4.1. Indien een eerdere aanvraag is afgewezen en de belanghebbende een nieuwe aanvraag indient, gericht op het verkrijgen van bijstand met ingang van een later gelegen datum, ligt het volgens vaste rechtspraak van de Raad op de weg van de aanvrager om aan te tonen dat sprake is van een wijziging van omstandigheden in die zin dat op dat latere tijdstip wel wordt voldaan aan de vereisten om voor bijstand in aanmerking te komen.

5.4.2. Het College heeft zich op het standpunt gesteld dat niet is gebleken dat appellant gedurende de hier te beoordelen periode verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het College heeft daarbij in aanmerking genomen dat:

- appellant na het overlijden van zijn moeder in 1998 in de periode van mei 1998 tot en

met oktober 2006 voorschotten op de erfenis heeft ontvangen tot een bedrag van in

totaal € 77.743,86 en dat hij de besteding van die voorschotten heeft verantwoord tot

een bedrag van € 30.207,-- en derhalve niet heeft verantwoord waaraan het resterende

bedrag van € 47.536,86 is besteed;

- in de periode van februari 2005 tot december 2005 de maandelijkse vaste lasten van

appellant (en enkele andere uitgaven daarnaast) aanzienlijk hoger zijn geweest dan de

bijstand die hij ontving;

- appellant onvoldoende heeft aangetoond dat hij geld heeft geleend bij familie en

vrienden;

- appellant geen compleet overzicht heeft gegeven van alle bankafschriften.

5.4.3. De Raad stelt onder verwijzing naar hetgeen onder 3.4 is overwogen vast dat appellant van de in 1998 en 1999 ontvangen voorschotten op de erfenis van zijn moeder een bedrag van € 37.322,96 niet heeft verantwoord. De Raad stelt voorts vast dat appellant in september en oktober 2006 nog tweemaal een voorschot op de erfenis heeft ontvangen ter hoogte van respectievelijk € 5.000,-- en € 4.952,14. Appellant heeft gesteld laatstgenoemde voorschotten te hebben aangewend om een schuld aan de [U.] af te lossen en van het restant van € 2.075,--

te hebben geleefd in de periode van november 2006 tot en met februari 2007.

5.4.4. Tussen partijen is niet in geschil dat appellant sedert 2006 geen woonkosten (huur, gas, water en licht) heeft betaald en dat [naam partner] die voor haar rekening heeft genomen. Volgens appellant heeft hij in verband daarmee een schuld van € 9.980,-- aan [naam partner]. Voorts heeft appellant onbetwist gesteld dat hij vanaf 2006 geen premie ziektekostenverzekering heeft betaald en in 2008 alle abonnementen (telefoon, krant, internet en kabel) heeft opgezegd. Het College heeft evenmin de stelling van appellant betwist dat hij ten tijde hier van belang aantoonbare schulden had, onder meer aan Agis zorgverzekeringen in verband met het niet betalen van de premie ziektekostenverzekering, aan Neckermann, aan Wehkamp en aan de RBS bank.

Verder staat vast dat appellant ten tijde hier van belang op de bij het onder 1.1.2 genoemde besluit van 7 november 2007 opgelegde vordering van € 72.600,85 niet heeft afgelost. Appellant heeft verklaard dat hij zijn levensonderhoud heeft bekostigd uit de zorgtoeslag en door te lenen van familie en vrienden. Van zijn zus heeft hij naar zijn zeggen in totaal € 1.475,-- geleend en van [U.] over tien maanden in 2007

€ 1.890,-- en over acht maanden in 2008 € 1.425,--. Daarnaast heeft appellant gesteld regelmatig bij vrienden de maaltijd te gebruiken. Hij heeft deze stelling onderbouwd met verklaringen van [S.] en [C.]. Gemachtigde van het College heeft ter zitting van de Raad desgevraagd verklaard dat er geen indicaties zijn dat appellant gedurende de hier te beoordelen periode beschikte of redelijkerwijs kon beschikken over positieve vermogensbestanddelen of over inkomen.

5.4.5. Gelet op hetgeen onder 5.4.4 is overwogen acht de Raad niet aannemelijk dat appellant gedurende de hier te beoordelen periode nog de beschikking had of redelijkerwijs kon beschikken over het niet verantwoorde deel van de in mei 1998 en november 1999 ontvangen voorschotten op de erfenis van zijn moeder. De Raad acht evenmin aannemelijk dat appellant nog kon beschikken over de in september en oktober 2006 ontvangen voorschotten. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat appellant toen al ruim drie kwart jaar geen bijstand meer ontving.

5.4.6. De Raad vermag, gelet op hetgeen hiervoor onder 5.4.4 is overwogen, voorts niet in te zien dat de omstandigheid dat in de periode van februari 2005 tot december 2005 de maandelijkse vaste lasten van appellant (en enkele andere uitgaven daarnaast) aanzienlijk hoger zijn geweest dan de bijstand die hij ontving, nog van belang is voor de vaststelling of appellant gedurende de hier te beoordelen periode recht heeft op bijstand.

5.4.7. De Raad is verder van oordeel dat appellant, gelet op hetgeen hiervoor onder 5.4.4 is overwogen, het College voldoende informatie heeft verstrekt over de vraag hoe hij heeft voorzien in de kosten van levensonderhoud in de periode die voorafgaat aan de aanvraag om bijstand van 15 maart 2008. De Raad ziet, gelet op de gedingstukken en het verhandelde ter zitting, geen reden om eraan te twijfelen dat appellant gelden van familie en vrienden heeft ontvangen om in die kosten te voorzien. Dat appellant, zoals het College heeft gesteld, niet aannemelijk heeft gemaakt dat schulden aan familieleden en vrienden bestaan waaraan een daadwerkelijke verplichting tot terugbetaling is verbonden, maakt dat niet anders.

5.4.8. Met betrekking tot de bankafschriften heeft de gemachtigde van het College ter zitting van de Raad desgevraagd verklaard dat appellant niet alle bankafschriften van zijn postbankrekening heeft overgelegd. Het gaat om de nummers 2 en 7 van 2008 en 18 en 20 en volgende van 2006. Appellant heeft ter zitting van de Raad verklaard dat het College hem daar in het kader van de afhandeling van de aanvraag van 15 maart 2008 ook niet om heeft gevraagd. De Raad heeft in de gedingstukken en het verhandelde ter zitting geen aanknopingspunten gevonden om aan die verklaring van appellant te twijfelen.

5.4.9. Hetgeen onder 5.4.1 tot en met 5.4.8 is overwogen betekent dat besluit 3, ook voor zover het de subsidiaire grond voor afwijzing van de aanvraag van 15 maart 2008 betreft, niet op een deugdelijke motivering berust.

5.5. De rechtbank heeft hetgeen de Raad hiervoor onder 5.3.5 en 5.4.9 heeft overwogen niet onderkend. Dat betekent dat de aangevallen uitspraak 3 voor vernietiging in aanmerking komt. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep van appellant tegen besluit 3 gegrond verklaren, dat besluit vernietigen en het College opdragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van appellant tegen het besluit van 4 augustus 2008 met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

6. De Raad ziet aanleiding het College in zaak 10/197 te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze worden begroot op € 644,-- in beroep en € 874,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

in zaak 10/181

Bevestigt de aangevallen uitspraak 1.

in zaak 10/179

Bevestigt de aangevallen uitspraak 2.

in zaak 10/197

Vernietigt de aangevallen uitspraak 3;

Verklaart het beroep tegen besluit 3 gegrond;

Vernietigt besluit 3;

Bepaalt dat het College een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1518,--;

Bepaalt dat het College aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 151,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en J.J.A. Kooijman en E.J.M. Heijs als leden, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 januari 2011.

(get.) C. van Viegen.

(get.) I. Mos.

SB