Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BO9879

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-01-2011
Datum publicatie
06-01-2011
Zaaknummer
10-3148 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om bijstand is terecht. Geen informatie verstrekt over zijn woon- en leefsituatie zodat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/3148 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 27 april 2010, 09/5710 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 4 januari 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 23 november 2010, waar partijen - het College met voorafgaand bericht - niet zijn verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijn de feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontving tot 10 december 2004 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Het College heeft bij besluit van 29 december 2004 de bijstand met ingang van 10 december 2004 ingetrokken. Vervolgens heeft het College een tweetal aanvragen van appellant om algemene bijstand bij besluiten van 25 februari 2005 en 11 april 2005 met toepassing van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht buiten behandeling gesteld.

1.2. Op 24 april 2005 heeft appellant nogmaals een aanvraag om algemene bijstand ingediend. Naar aanleiding van deze aanvraag hebben twee handhavingsspecialisten op 17 en 18 mei 2005 een bezoek gebracht aan het door appellant opgegeven woonadres, [adres 1] te [naam gemeente]. Omdat op hun aanbellen niet werd gereageerd, hebben zij op 18 mei 2005 in de brievenbus een brief achtergelaten waarin is verzocht om op 20 mei 2005 om 9.45 uur op het kantoor van de Sociale Dienst Amsterdam te verschijnen. Appellant is daar zonder tegenbericht niet verschenen. Vervolgens heeft het College bij besluit van 24 mei 2005 ook deze aanvraag buiten behandeling gesteld.

1.3. Bij besluit van 6 oktober 2005 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 24 mei 2005 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft bij uitspraak van 19 december 2006 het besluit van 6 oktober 2005 vernietigd en het College opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

1.4. Vervolgens heeft het College bij besluit van 12 april 2007 het bezwaar wederom ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 14 mei 2008 heeft de rechtbank ook dit besluit vernietigd.

1.5. Bij besluit van 3 juni 2008 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 24 mei 2005 voor de derde maal ongegrond verklaard en tevens, onder intrekking van dat besluit, de aanvraag om algemene bijstand afgewezen.

1.6. Bij uitspraak van 20 januari 2009 heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 3 juni 2008 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 29 september 2009, 09/1484 WWB, LJN BK0330, heeft de Raad die uitspraak en het besluit van 3 juni 2008 vernietigd en bepaald dat het College een nieuw besluit op bezwaar moet nemen met inachtneming van zijn uitspraak. Daarbij heeft de Raad overwogen dat het College bij de beoordeling van de aanvraag niet de juiste periode in aanmerking heeft genomen. Deze periode loopt van 24 april 2005, de datum van de aanvraag, tot 12 mei 2006. Appellant ontvangt sedert

12 mei 2006 weer algemene bijstand.

1.7. Ter uitvoering van de uitspraak van de Raad heeft het College op 6 november 2009 voor de vierde maal een besluit op bezwaar genomen. Hierbij is het bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard, in die zin dat over de periode van 12 juli 2005 tot en met 11 mei 2006 alsnog algemene bijstand is toegekend. De aanvraag om bijstand over de periode van

24 april 2005 tot 12 juli 2005 is echter afgewezen. Aan de afwijzing heeft het College ten grondslag gelegd dat appellant over die periode geen informatie over zijn woon- en leefsituatie heeft verstrekt zodat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep tegen het besluit 6 november 2009 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Het gaat in dit geding om de vraag of het College terecht geweigerd heeft om aan appellant bijstand toe te kennen over de periode van 24 april 2005 tot 12 juli 2005.

4.2. De Raad stelt voorop dat het voor de beoordeling van het recht op bijstand van essentieel belang is dat de belanghebbende de juiste inlichtingen verschaft omtrent zijn feitelijke woon- en verblijfplaats. Naar vaste rechtspraak van de Raad dient de vraag waar iemand woont te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden.

4.3. Appellant heeft aangevoerd dat het College reeds over voldoende gegevens beschikte, aangezien hij bij zijn vorige aanvragen alle informatie over zijn persoonlijke omstandigheden aan het College heeft doen toekomen. De rechtbank heeft geoordeeld dat deze beroepsgrond niet kan slagen. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de woonsituatie van appellant niet kan worden vastgesteld aan de hand van een dossier dat is gedateerd vóór de datum van aanvraag, aangezien een verblijfplaats kan wijzigen. Dit is in het geval van appellant ook gebeurd. Pas op 12 juli 2005 heeft appellant per brief aan het College laten weten dat hij bij zijn moeder woonde, hetgeen door het College na een huisbezoek aan het adres van de moeder voldoende aannemelijk werd geacht. Vanaf dat moment was het College derhalve wel in staat het recht op bijstand vast te stellen, dat geleid heeft tot toekenning van bijstand vanaf 12 juli 2005.

4.4. De Raad onderschrijft die overweging van de rechtbank. De Raad heeft in het dossier geen gegevens aangetroffen waaruit blijkt dat appellant destijds aan het College heeft laten weten dat hij ook al ten tijde van de aanvraag van 24 april 2005 bij zijn moeder verbleef. Dit was ook niet af te leiden uit het mogelijk bij het College bekende gegeven dat appellant mantelzorg verleende aan zijn moeder. Het verlenen van mantelzorg behoeft immers niet altijd gedurende de gehele dag en nacht plaats te vinden. Indien dit wel het geval was had het op de weg van appellant gelegen om dit op het aanvraagformulier te vermelden met de adresgegevens van zijn moeder. Appellant heeft op het aanvraagformulier van 24 april 2005 volstaan met de mededeling dat hij niet altijd thuis is.

4.5. Appellant heeft zich beklaagd over het feit dat hij op 20 mei 2005 op het kantoor van de Sociale Dienst moest verschijnen terwijl de uitnodiging daarvoor pas twee dagen tevoren in zijn brievenbus was gedaan. De termijn om te reageren was hierdoor volgens hem onredelijk kort. Deze grief treft geen doel. De Raad wijst erop dat al twee keer eerder een aanvraag om bijstand van appellant niet tot toekenning van bijstand heeft geleid omdat hij niet op een uitnodiging had gereageerd. Beide keren was ook een termijn van twee dagen aangehouden. Appellant had zich bij zijn derde aanvraag op deze - inmiddels bij hem bekende - gang van zaken kunnen voorbereiden om te voorkomen dat zijn aanvraag wederom buiten behandeling zou worden gesteld. Zo had hij op het aanvraagformulier kunnen aangeven waar hij te bereiken was of had hij een voorziening kunnen treffen waardoor hij tijdig zijn post onder ogen zou krijgen. Tevens acht de Raad van belang dat appellant zelf in zijn bezwaarschrift heeft aangegeven dat hij op vrijdagmiddag 20 mei 2005 de betreffende uitnodiging in zijn brievenbus heeft gevonden. Het tijdstip van de afspraak bij de Sociale Dienst was toen weliswaar verstreken, maar appellant heeft niet de moeite genomen om de Sociale Dienst te bellen, de situatie uit te leggen en te verzoeken om een nieuwe afspraak. Onder die omstandigheden komt het voor zijn risico dat hij niet op de uitnodiging is verschenen.

4.6. Artikel 17, tweede lid, van de WWB bepaalt dat de belanghebbende verplicht is aan het College desgevraagd de medewerking te verlenen die nodig is voor de uitvoering van deze wet. Ingevolge artikel 53a, tweede lid, van de WWB is het College bevoegd een onderzoek in te stellen naar de juistheid en volledigheid van de verstrekte gegevens en zonodig naar andere gegevens die noodzakelijk zijn voor de verlening van bijstand.

Uit hetgeen hiervoor onder 4.3 tot en met 4.5 is overwogen blijkt dat appellant niet heeft meegewerkt aan het onderzoek en dat hem dit te verwijten valt. Het gevolg hiervan is dat het recht op bijstand over de periode van 24 april 2005 tot 12 juli 2005 niet was vast te stellen, zodat het College terecht geweigerd heeft om over die periode bijstand toe te kennen.

4.7. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa, in tegenwoordigheid van R.L. Venneman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 januari 2011.

(get.) J.F. Bandringa.

(get.) R.L. Venneman.

SB