Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BO9875

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-01-2011
Datum publicatie
06-01-2011
Zaaknummer
10-275 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet-ontvankelijkverklaring bezwaar. Niet-verschoonbare termijnoverschrijding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/275 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 9 december 2009, 09/3518 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 4 januari 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. O.F.X. Roozemond, advocaat te Soest, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 23 november 2010, waar partijen, waarvan het College met voorafgaand bericht, niet zijn verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Bij een ongedateerd besluit heeft het College de aan appellante over de periode van 20 januari 2006 tot en met 27 maart 2007 verleende bijstand ingetrokken en de over die periode gemaakte kosten van bijstand van appellante teruggevorderd.

1.2. Bij besluit van 2 juli 2009 heeft het College het bezwaar tegen het vorengenoemde besluit niet-ontvankelijk verklaard. Hierbij heeft het College zich op het standpunt gesteld dat appellante de bezwaartermijn heeft overschreden en dat niet is gebleken dat die termijnoverschrijding verschoonbaar kan worden geacht.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 2 juli 2009 ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad stelt vast dat het primaire besluit niet gedateerd is, dat op de grosse van dit besluit de datum 11 november 2008 is vermeld, dat dit besluit niet-aangetekend is verzonden naar het door appellante opgegeven adres en dat de verzenddatum van dit besluit niet met zekerheid kan worden aangegeven.

4.2. Voorts stelt de Raad vast dat appellante niet heeft betwist dat zij dit besluit heeft ontvangen. Uit het verslag van de hoorzitting van 23 juni 2009 blijkt dat appellante, in aanwezigheid van haar raadsman, desgevraagd bij herhaling heeft verklaard dat zij het betreffende besluit in 2008 heeft ontvangen.

4.3. De Raad verwerpt in dit verband de eerst in hoger beroep opgeworpen grond dat aan het verslag van de hoorzitting bewijsrechtelijk gezien geen enkele waarde kan worden toegekend, nu dit niet op ambtseed is opgemaakt. De Raad wijst er op dat aan het verslag van het horen geen bijzondere eisen worden gesteld. De Raad gaat er dan ook van uit dat hetgeen de ambtenaar van de gemeente Amsterdam in het verslag van de hoorzitting van 23 juni 2009 heeft opgenomen, een juiste weergave betreft van hetgeen appellante heeft verklaard. Van belang is voorts dat de verklaring van appellante, in aanwezigheid van haar raadsman afgelegd, duidelijk in het verslag is weergegeven en dat hierover geen misverstand kan bestaan.

4.4. Gelet op het onder 4.2 en 4.3 overwogene moet het er voor worden gehouden dat appellante in elk geval op 31 december 2008 kennis heeft genomen van het ongedateerde besluit van het College en dat uiterlijk de dag daarna de bezwaartermijn is gaan lopen.

Nu het bezwaarschrift van appellante eerst op 15 april 2009 bij de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente is ingekomen, moet de Raad, evenals de rechtbank en het College, concluderen dat appellante de wettelijke bezwaartermijn van zes weken heeft overschreden.

4.5. Met betrekking tot de verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding kan de Raad zich geheel vinden in het oordeel van de rechtbank, zoals dit is weergegeven in de aangevallen uitspraak onder 2.3.3 tot en met 2.3.6. Hetgeen in dit verband in het hoger beroepschrift naar voren is gebracht, verschilt niet wezenlijk van hetgeen appellante in eerste aanleg reeds heeft aangevoerd. De Raad heeft hierin dan ook geen aanleiding gevonden om tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank.

4.6. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak bevestigd dient te worden.

5.1. Het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding moet worden afgewezen.

5.2. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Wijst het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door J.M.A. van der Kolk-Severijns, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 januari 2011.

(get.) J.M.A. van der Kolk-Severijns.

(get.) N.M. van Gorkum.

SB