Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BU4775

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-08-2010
Datum publicatie
17-11-2011
Zaaknummer
09/5901 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Anders dan het Dagelijks Bestuur heeft het College op basis van de bevindingen van de sociale recherche niet aannemelijk kunnen maken dat appellant zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden. Het College heeft evenmin aannemelijk gemaakt dat appellant zijn inlichtingenverplichting geschonden heeft ten aanzien van zijn vermogen. Nu het College niet aannemelijk heeft gemaakt dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden, was het niet bevoegd om uit dien hoofde over te gaan tot intrekking en terugvordering van de aan appellant verleende bijstand. De Raad zal zelf in de zaak voorzien en het besluit van 9 oktober 2006 herroepen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

09/5901 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 16 september 2009, 08/4953 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Leiden (hierna: College)

Datum uitspraak: 24 augustus 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.W. Bogaardt, advocaat te Wassenaar, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 juni 2010. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Bogaardt. Het College heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontving bijstand van 1 juli 2004 tot en met 31 juli 2005 op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.

1.2. Bij besluit van 9 oktober 2006 heeft het College de bijstand over de periode van 1 juli 2004 tot en met 30 juni 2005 herzien (lees: ingetrokken) en de kosten van bijstand teruggevorderd tot een bedrag van € 13.976,19 op de grond dat appellant in strijd met zijn wettelijke inlichtingenverplichting het College niet op de hoogte had gebracht van zijn inkomsten uit arbeid en vermogen en dat hij meer bankrekeningen had dan hij had opgegeven.

1.3. Bij besluit van 20 mei 2008 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 9 oktober 2006 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 20 mei 2008 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Ingevolge artikel 17, eerste lid (tekst tot 1 januari 2008), van de WWB, voor zover hier van belang, doet de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand.

4.2. Naar vaste rechtspraak van de Raad levert schending van de inlichtingenverplichting een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand, indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of, en zo ja in hoeverre, de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene aannemelijk te maken dat in het geval wel aan de inlichtingenverplichting zou zijn voldaan over de betreffende periode recht op (aanvullende) bijstand bestond.

4.3. Het besluit van 20 mei 2008 tot handhaving van de intrekking en terugvordering van bijstand van appellant over de periode 1 juli 2004 tot en met 30 juni 2005 is een belastend besluit. Het is daarom aan het College om aannemelijk te maken dat appellant ten aanzien van de periode in geding de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden en dat hij geen recht op bijstand heeft.

4.4. De Raad stelt vast dat het College noch in het besluit van 9 oktober 2006, noch in het besluit van 20 mei 2008 heeft overwogen of en zo ja welke gevolgen het verbindt aan de gestelde schending van de inlichtingenverplichting voor het recht op bijstand. Anders dan waarvan de rechtbank is uitgegaan, heeft het College niet aan de besluiten ten grondslag gelegd dat het College het recht op bijstand niet kan vaststellen. Ook is niet overwogen dat appellant wegens overschrijding van het vrij te laten vermogen geen recht heeft op bijstand. Het besluit van 20 mei 2008 berust reeds hierom niet op een deugdelijke grondslag. De rechtbank heeft dit niet onderkend. De aangevallen uitspraak komt daarom voor vernietiging in aanmerking. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het besluit van 20 mei 2008 vernietigen wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

4.5. Met het oog op finale geschillenbeslechting zal de Raad de beroepsgronden van appellant, inhoudende dat van een schending van zijn inlichtingenverplichting geen sprake is, beoordelen.

4.6. Het College heeft zijn besluitvorming gebaseerd op het onderzoek van de Sociale Recherche Zuid-Holland Noord (hierna: sociale recherche) naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand over de periode vanaf 1 oktober 1981 tot en met juli 2005. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 6 maart 2006. Dit rapport is voor het Dagelijks Bestuur van de Intergemeentelijke Sociale Dienst De Rijnstreek (hierna: het Dagelijks Bestuur) aanleiding geweest om de aan appellant verleende bijstand over de periode van 1 januari 1997 tot en met 30 juni 2004 in te trekken en terug te vorderen. Het daartoe strekkende besluit is bij uitspraak van heden onder nummer 09/1010 WWB in stand gelaten. De Raad heeft daartoe - kort gezegd - overwogen dat het Dagelijks Bestuur aannemelijk heeft gemaakt dat appellant zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen mededeling te doen van de verkrijging van woonboten en ligplaatsen en van contante stortingen en opnamen op hem ter beschikking staande bankrekeningen in die bewuste periode en dat ten gevolge daarvan het recht op bijstand niet is vast te stellen.

4.7. Anders dan het Dagelijks Bestuur heeft het College op basis van de bevindingen van de sociale recherche niet aannemelijk kunnen maken dat appellant in de periode hier in geding ook zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden. Van enige transactie ten aanzien van woonschepen en ligplaatsen in de periode van 1 juli 2004 tot en met 30 juni 2005 is niet gebleken. Daarbij komt dat het College bij de voorbereiding van de beslissing tot verlening van bijstand aan appellant niet alleen op de hoogte was van het onderzoek dat de sociale recherche verrichtte ten aanzien van appellant, maar het College ook zelf uitgebreid onderzoek heeft gedaan naar de rechten van appellant ten aanzien van de ligplaats en het woonschip waarop hij in de gemeente Leiden per 1 juli 2004 verbleef, en waartoe die gemeente door middel van vergunningverlening en toekenning van een adres had meegewerkt. Dat onderzoek heeft niet geleid tot weigering van de door appellant gevraagde bijstand. Het College heeft ook niet duidelijk kunnen maken welke inlichtingen van appellant in dit verband nog verder mochten worden verwacht.

4.8. Het College heeft evenmin aannemelijk gemaakt dat appellant zijn inlichtingenverplichting geschonden heeft ten aanzien van zijn vermogen. Voor zover het College bedoeld heeft dat appellant door zijn rechten op de ligplaats en het woonschip beschikte over een vermogen boven het vrij te laten vermogen, kan appellant zijn inlichtingenverplichting daaromtrent niet geschonden hebben, nu uit 4.7 volgt dat het College van deze rechten op de hoogte was. Van andere vermogensbestanddelen die wijzen op een vermogensoverschrijding in de periode in geding is niet gebleken. In het bijzonder is niet gebleken dat het gezamenlijk saldo van de appellant ter beschikking staande bankrekeningen in die periode het bedrag van het vrij te laten vermogen overschreed. Het onderzoek van de sociale recherche heeft wel uitgewezen dat op de rekening van appellant in januari 2002 bedragen tot een totaal van ongeveer € 22.500 in hoofdzakelijk guldens zijn gestort en in euro’s zijn opgenomen. Daaruit volgt evenwel niet zonder meer dat appellant ongeveer tweeënhalf jaar later beschikte over een vermogen dat lag boven de grens van het vrij te laten vermogen.

4.9. Nu het College niet aannemelijk heeft gemaakt dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden, was het niet bevoegd om uit dien hoofde over te gaan tot intrekking en terugvordering van de aan appellant verleende bijstand. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad met toepassing van artikel 8:72, vierde lid van de Awb zelf voorzien in de zaak en het besluit van 9 oktober 2006 herroepen.

5. De Raad ziet aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in beroep en op € 644,-- in hoger beroep, voor verleende rechtsbijstand. Van voor vergoeding in aanmerking komende kosten in bezwaar is niet gebleken.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 20 mei 2008;

Herroept het besluit van 9 oktober 2006;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.288,--;

Bepaalt dat het College aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 148,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en O.L.H.W.I. Korte en N.M. van Waterschoot als leden in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 augustus 2010.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) J.M. Tason Avila.

BvW