Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BP9831

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-10-2010
Datum publicatie
31-03-2011
Zaaknummer
09/2827 BESLU en 09/2828 BESLU
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schending redelijke termijn in bestuurlijke en rechterlijke fase. Schadevergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/2827 BESLU en 09/2828 BESLU

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het verzoek om schadevergoeding van:

[betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene),

met als partijen:

betrokkene

en

de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie, hierna: Staat)

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 13 oktober 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens betrokkene heeft mr. D. Grégoire, advocaat te Beek, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 22 augustus 2007, 05/796.

Bij uitspraak van 23 september 2009 (LJN BJ8449) heeft de Raad uitspraak gedaan op dit hoger beroep. Daarbij heeft de Raad bepaald dat het onderzoek onder de in de aanhef van deze uitspraak genoemde nummers wordt heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak over het verzoek van betrokkene om schadevergoeding met betrekking tot de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), en heeft de Raad naast het Uwv de Staat aangemerkt als partij in die procedure.

Namens de Staat heeft mr. drs. E.C. Gijselaar, advocaat te ’s-Gravenhage, in deze procedure een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Namens het Uwv heeft F.G.E. Houtbeckers een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Namens betrokkene is op beide uiteenzettingen gereageerd.

Desgevraagd hebben partijen toestemming gegeven om een nieuw onderzoek ter zitting van de Raad achterwege te laten. Gelet op de verleende toestemming heeft de Raad het onderzoek gesloten.

II. OVERWEGINGEN

1.1. De uitspraak van de Raad van 23 september 2009 betrof een procedure tussen betrokkene en het Uwv, die betrekking had op betrokkenes aanspraak op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering. De procedure had ten tijde van de uitspraak van de Raad van 23 september 2009 vier jaar en negen maanden geduurd. In die uitspraak heeft de Raad vastgesteld dat het Uwv ruim drie maanden na de ontvangst van het bezwaarschrift een beslissing op bezwaar heeft genomen, dat naar het voorlopig oordeel van de Raad ook de periode vanaf 11 oktober 2006, toen het Uwv de rechtbank berichtte het besluit van 13 april 2005 niet langer te handhaven en een nieuw besluit op bezwaar te zullen nemen, tot de dag na de afgifte van het bestreden besluit op 16 februari 2007, dat wil zeggen ruim vier maanden, ook aan het Uwv dient te worden toegerekend. Tevens heeft de Raad in de uitspraak van 23 september 2009 vastgesteld dat de procedure in eerste aanleg 2 jaar heeft geduurd, zodat het vermoeden bestaat dat de redelijke termijn is overschreden door het Uwv en de rechtbank. De Raad heeft vervolgens het onderzoek heropend.

1.2. Namens de Staat is onder verwijzing naar een uitspraak van de Raad van 12 maart 2009 (LJN BH7955) gesteld dat de periode van 12 oktober 2006 tot 16 februari 2007, zijnde de periode dat het Uwv de Raad berichtte dat de beslissing op bezwaar niet langer zou worden gehandhaafd tot het moment dat het Uwv een nieuw besluit op bezwaar nam, aan het Uwv dient te worden toegerekend. Voorts heeft de Staat erkend dat de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6 van het EVRM, in de rechterlijke fase is overschreden en dat betrokkene in aanmerking komt voor een vergoeding van immateriële schade. Daarbij is gesteld dat een vergoeding van € 1000,- redelijk kan worden geacht, welke vergoeding aan betrokkene zal worden betaald.

1.3. Het Uwv heeft gesteld dat het bestuurlijk aandeel in de overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6 van het EVRM, uitgaande van een redelijke termijn voor het bestuurlijke aandeel van een half jaar, iets meer dan een maand is en dat de vergoeding daarvoor € 500,- bedraagt.

1.4. Namens betrokkene is aangevoerd dat sprake is geweest van een onnodige vertraging in de besluitvorming en de daarop volgende bezwaar- en beroepsprocedures. Ten aanzien van de hoogte van de schadeloosstelling op grond van artikel 6 EVRM refereert betrokkene zich aan het oordeel van de Raad.

2. De Raad overweegt als volgt.

2.1. De vraag of de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM, is overschreden moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van de betrokkene gedurende de gehele rechtsgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van betrokkene, zoals ook uit de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens naar voren komt.

2.2. Voor de wijze van beoordeling van een verzoek als het voorliggende verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 26 januari 2009 (LJN BH1009). Daarin heeft de Raad onder meer overwogen dat in een procedure in drie instanties in zaken zoals deze het bezwaar ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar mag duren, terwijl doorgaans geen sprake zal zijn van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De onder 2.1 genoemde criteria kunnen onder omstandigheden aanleiding geven overschrijding van deze behandelingsduren gerechtvaardigd te achten.

2.3. De Raad ziet in de omstandigheden van het geval geen aanleiding langere behandelingsduren dan onder 2.2 genoemd gerechtvaardigd te achten.

2.4. De Raad stelt vast dat ten tijde van zijn uitspraak van 23 september 2009 sinds de ontvangst van het bezwaarschrift door het Uwv op 22 december 2004 vier jaar en negen maanden zijn verstreken. De redelijke termijn is derhalve met negen maanden overschreden.

2.5. Door zowel het Uwv als de Staat is de verantwoordelijkheid van de overschrijding van de redelijke termijn erkend. Het Uwv heeft een vergoeding door hem van immateriële schade redelijk geacht van € 500,-. De Staat acht een vergoeding van schade door hem van € 1000,- redelijk. De Raad verenigt zich met deze standpunten, mede gelet op het door de Staat ingenomen en door de Raad onderschreven standpunt dat de periode van vier maanden, gelegen tussen 12 oktober 2006 en 16 februari 2007, voor rekening van het Uwv dient te komen.

2.6. Het onder 2.1 tot en met 2.5 overwogene leidt de Raad tot de beslissing dat het Uwv dient te worden veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan betrokkene ten bedrage van € 500,- en de Staat te veroordelen tot vergoeding van immateriële schade aan betrokkene ten bedrage van € 1000,-.

3. De Raad ziet ten slotte aanleiding om het Uwv en de Staat te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in deze schadeprocedure. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand, door het Uwv en de Staat elk voor de helft te betalen.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Veroordeelt de Staat tot betaling aan betrokkene van een schadevergoeding van € 1000,-;

Veroordeelt het Uwv tot betaling aan betrokkene van een schadevergoeding van € 500,-;

Veroordeelt de Staat in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 322,-;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 322,-.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en H. Bolt en C.P.M. van de Kerkhof als leden, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 oktober 2010.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) T.J. van der Torn.

CVG