Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BO9987

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-12-2010
Datum publicatie
06-01-2011
Zaaknummer
10-1575 WMO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling eigen bijdrage voor de maatschappelijke ondersteuning die betrokkene op grond van de Wmo ontvangt. Anders dan de rechtbank ziet de Raad geen aanleiding te oordelen dat de in artikel 7 van de Vmo aan het College gegeven opdracht tot nadere regelgeving in strijd is met artikel 15, eerste lid, van de Wmo. Bij dit oordeel neemt de Raad enerzijds de tekst van artikel 15, eerste lid, van de Wmo in aanmerking en anderzijds het feit dat de hoogte van de vast te stellen eigen bijdrage wordt begrensd door het op artikel 15, derde lid, van de Wmo gebaseerde artikel 4.1. van het Bmo. Gelet hierop verzet de aard van de bevoegdheid zich niet tegen de opdracht tot nadere regelgeving aan het college.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2011/89
AB 2011/49 met annotatie van A. Tollenaar
Gst. 2011/60 met annotatie van C.W.C.A. Bruggeman en H.F. van Rooij
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/1575 WMO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

het Centraal Administratiekantoor Bijzondere Zorgkosten (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 4 februari 2010, 09/1067 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene)

en

appellant

Datum uitspraak: 22 december 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 november 2010. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.C.A. van Eer en drs. P. Brits, beiden werkzaam bij het Centraal Administratiekantoor Bijzondere Zorgkosten.

Betrokkene is met voorafgaand bericht niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Bij besluit van 19 september 2008 heeft appellant de eigen bijdrage voor de maatschappelijke ondersteuning die betrokkene op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) ontvangt voor de periode 10 tot en met 13 van het jaar 2007 vastgesteld op maximaal € 249,18 per periode van vier weken.

1.2. Bij besluit van 25 februari 2009 heeft appellant het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 19 september 2009 ongegrond verklaard.

2. Tegen dat besluit heeft betrokkene beroep ingesteld bij de rechtbank. Daarbij heeft zij als enige beroepsgrond aangevoerd dat artikel 7 van de Verordening Voorzieningen Maatschappelijke Ondersteuning Gemeente Grave 2008 (hierna: Vmo) in strijd is met artikel 15 van de Wmo, en dat het onderdeel van het Financieel besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Grave 2008 (hierna: Fmo) waarin de regels over de eigen bijdrage zijn vastgelegd verbindende kracht mist, zodat appellant niet het bevoegde orgaan was om betrokkene de eigen bijdrage op te leggen.

3.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, met bepalingen inzake de vergoeding van proceskosten en griffierecht, het beroep van betrokkene tegen het besluit van 25 februari 2009 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, het besluit van

19 september 2009 herroepen en bepaald dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

3.2. De rechtbank is in navolging van de uitspraken van de rechtbank Arnhem van 8 september 2009, LJN BF1505, en van de rechtbank Zutphen van 9 december 2009, LJN BK6494, tot het oordeel gekomen dat de Wmo zich ertegen verzet dat de in artikel 15 van die wet aan de raad van de gemeente toebedeelde bevoegdheid om bij verordening te bepalen in welke gevallen de eigen bijdrage voor maatschappelijke ondersteuning wordt opgelegd wordt overgedragen aan het college van burgemeester en wethouders.

4. In hoger beroep heeft appellant de juistheid van het oordeel van de rechtbank gemotiveerd bestreden.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1. Regelgeving.

5.1.1. Artikel 15 van de Wmo (tekst tot 1 januari 2010) luidt:

“1. De gemeenteraad kan bij verordening bepalen dat een persoon van 18 jaren of ouder aan wie maatschappelijke ondersteuning is verleend, voor zover die ondersteuning bestaat uit het verlenen van een individuele voorziening of een persoonsgebonden budget en niet bestaat uit een aan hem verleende financiële tegemoetkoming, een eigen bijdrage is verschuldigd.

2. De hoogte van de eigen bijdrage kan voor de verschillende soorten van maatschappelijke ondersteuning verschillend worden vastgesteld en mede afhankelijk gesteld worden van het inkomen van degene aan wie maatschappelijke ondersteuning is verleend en van zijn echtgenoot.

3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de eigen bijdrage.”

5.1.2. De in artikel 15, derde lid, van de Wmo voorziene algemene maatregel van bestuur is het Besluit maatschappelijke ondersteuning (hierna: Bmo). Artikel 4.1, eerste en tweede lid, van het Bmo tekst 1 januari 2008 luidt:

“1. Indien de gemeenteraad uitvoering heeft gegeven aan artikel 15, eerste lid, of artikel 19, eerste lid, van de wet, mag de verschuldigde eigen bijdrage en het aandeel in de kosten van maatschappelijke ondersteuning dat bij de toekenning van een financiële tegemoetkoming voor eigen rekening blijft, tezamen niet meer bedragen dan

a. voor de ongehuwde persoon jonger dan 65 jaar € 16,60 per vier weken, met dien verstande dat indien zijn inkomen meer bedraagt dan € 16.137 het bedrag van € 16,60 wordt verhoogd met een dertiende deel van 15% van het verschil tussen zijn inkomen en € 16.137;

b. voor de ongehuwde persoon van 65 jaar of ouder € 16,60 per vier weken, met dien verstande dat indien zijn inkomen meer bedraagt dan € 14.162 het bedrag van € 16,60 wordt verhoogd met een dertiende deel van 15% van het verschil tussen zijn inkomen en € 14.162;

c. voor de gehuwde personen indien een van beiden jonger is dan 65 jaar of beiden jonger zijn dan 65 jaar € 23,80 per vier weken, met dien verstande dat indien hun gezamenlijke inkomen meer bedraagt dan € 20.810 het bedrag van € 23,80 wordt verhoogd met een, dertiende deel van 15% van het verschil tussen hun gezamenlijke inkomen en € 20.810;

d. voor de gehuwde personen die beiden 65 jaar of ouder zijn € 23,80 per vier weken, met dien verstande dat indien hun gezamenlijke inkomen meer bedraagt dan € 19.837 het bedrag van € 23,80 wordt verhoogd met een dertiende deel van 15% van het verschil tussen hun gezamenlijke inkomen en € 19.837.

2. De gemeenteraad kan de verschuldigde eigen bijdrage of het aandeel in de kosten van maatschappelijke ondersteuning dat bij de toekenning van een financiële tegemoetkoming voor eigen rekening blijft, verlagen door het bedrag van € 16,60, het bedrag van € 23,80 of het percentage van 15 te verlagen of de overige in het eerste lid genoemde bedragen in gelijke mate wijzigen.”

5.1.3. Artikel 4.2 van het Bmo tekst tot 1 januari 2009 luidt:

“1. Het inkomen, bedoeld in artikel 4.1, eerste lid, bestaat uit het inkomen over het peiljaar van de ongehuwde persoon dan wel de gehuwden personen tezamen, en bedraagt:

a. indien met betrekking tot het peiljaar een aanslag inkomstenbelasting is of wordt vastgesteld: het verzamelinkomen, bedoeld in artikel 2.18 van de Wet inkomstenbelasting 2001, in het peiljaar;

b. in de overige gevallen: het belastbare loon, bedoeld in artikel 9 van de Wet op de loonbelasting 1964, in het peiljaar.

2. Inkomen dat in het buitenland wordt belast, dan wel is vrijgesteld van belasting op grond van bepalingen van internationaal recht, wordt mede in aanmerking genomen als ware dit aan de Nederlandse belastingwetgeving onderworpen.

3. In afwijking van het eerste lid vindt op aanvraag van de persoon aan wie maatschappelijke ondersteuning is verleend een voorlopige vaststelling van het bijdrageplichtig inkomen plaats, indien redelijkerwijs te verwachten is dat het inkomen in het lopende jaar ten minste € 1816 lager zal zijn dan het inkomen, bedoeld in het eerste lid.

4. Indien het derde lid is toegepast, vindt na afloop van het jaar definitieve vaststelling van het bijdrageplichtig inkomen over dat jaar plaats. Indien daarbij blijkt dat het bijdrageplichtig inkomen minder dan € 1816 lager is geweest dan het inkomen, bedoeld in het eerste lid, vindt definitieve vaststelling plaats overeenkomstig het eerste lid.

5.1.4. Ingevolge artikel 16 van de Wmo wordt een eigen bijdrage vastgesteld en geïnd door een door Onze Minister aan te wijzen rechtspersoon.

5.1.5. Artikel 2, eerste lid, van de Regeling maatschappelijke ondersteuning van 14 december 2006 luidt: “Als rechtspersoon als bedoeld in artikel 16 van de wet wordt aangewezen het centraal administratiekantoor, bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van het Administratiebesluit Bijzondere Ziektekostenverzekering.”

5.1.6. Artikel 7 van de Vmo luidt:

“Bij het verstrekken van de individuele voorzieningen is de aanvrager een eigen bijdrage verschuldigd of wordt de financiële tegemoetkoming afgestemd op het inkomen.

Het college legt in het Financieel besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Grave de omvang hiervan vast.”

5.1.7. In artikel 2 van het Fmo is de omvang van de eigen bijdrage en het eigen aandeel geregeld.

5.2. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 17 november 2010, LJN BO6880, overweegt de Raad dat hij artikel 15, eerste lid, van de Wmo aldus begrijpt dat de wetgever daarin tot uitdrukking heeft gebracht dat de gemeenteraad bevoegd is om te bepalen of de in deze bepaling omschreven persoon een eigen bijdrage is verschuldigd voor de aan hem verleende maatschappelijke ondersteuning. De gemeenteraad heeft met artikel 7 van de Vmo van deze bevoegdheid gebruik gemaakt. Anders dan de rechtbank ziet de Raad geen aanleiding te oordelen dat de in artikel 7 van de Vmo aan het College gegeven opdracht tot nadere regelgeving in strijd is met artikel 15, eerste lid, van de Wmo. Bij dit oordeel neemt de Raad enerzijds de tekst van artikel 15, eerste lid, van de Wmo in aanmerking en anderzijds het feit dat de hoogte van de vast te stellen eigen bijdrage wordt begrensd door het op artikel 15, derde lid, van de Wmo gebaseerde artikel 4.1. van het Bmo. Gelet hierop verzet de aard van de bevoegdheid zich niet tegen de opdracht tot nadere regelgeving aan het college.

5.3. Uit rechtsoverweging 5.2 vloeit voort dat het hoger beroep slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt.

5.4. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep van betrokkene tegen het besluit van 25 februari 2009 ongegrond verklaren.

6. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en G.M.T. Berkel-Kikkert en J.J.A. Kooijman als leden, in tegenwoordigheid van B. Bekkers als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 december 2010.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) B. Bekkers.

SB