Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BO9242

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-12-2010
Datum publicatie
30-12-2010
Zaaknummer
09-2727 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling datum bijstandverlening. Geen bijzondere omstandigheden. De Raad stelt vast dat appellante behoort tot de personenkring van de WWB, zoals omschreven in artikel 11 van de WWB, en dat zij niet op grond van artikel 13 van de WWB is uitgesloten van het recht op bijstand. Derhalve kan appellante niet worden aangemerkt als een persoon die geen recht op bijstand heeft als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de WWB, zodat die bepaling in haar situatie toepassing mist.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/2727 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante] wonende [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 10 april 2009, 08/550 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het Dagelijks Bestuur van de Intergemeentelijke Sociale Dienst Noordenkwartier (hierna: Dagelijks Bestuur)

Datum uitspraak: 21 december 2010

I. PROCESVERLOOP

Als gevolg van een gemeenschappelijke regeling oefent het Dagelijks Bestuur met ingang van 1 juli 2008 de bevoegdheden krachtens de Wet werk en bijstand (WWB) uit die tot die datum werden uitgeoefend door het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Leek (hierna: College).

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het Dagelijks Bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 november 2010. Voor appellante is mr. L.C. de Jager, advocaat te Hoofddorp, verschenen. Het Dagelijks Bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R. Tellinga, werkzaam bij de Intergemeentelijke Sociale Dienst Noordenkwartier.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Op 18 juni 2007 heeft appellante een aanvraag gedaan om bijstand op grond van de WWB.

1.2. Bij besluit van 20 juli 2007 heeft de directeur van de Intergemeentelijke Sociale Dienst Noordenkwartier aan appellante bijstand verleend met ingang van 18 juni 2007.

1.3. Bij besluit van 6 mei 2008 heeft het College het tegen het besluit van 20 juli 2007 gemaakte bezwaar, overeenkomstig het advies van de commissie voor de bezwaarschriften van de gemeente Noordenveld, ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 6 mei 2008 ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Appellante heeft primair betoogd dat het besluit van 6 mei 2008 moet worden vernietigd, omdat het is gebaseerd op een advies dat, in strijd met artikel 7:13 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), is gegeven door een onbevoegde bezwaarcommissie. Dit betoog slaagt. Het Dagelijks Bestuur heeft immers, onder overlegging van de Verordening Commissie Bezwaarschriften van de gemeente Leek, erkend dat ten tijde van belang niet de commissie voor de bezwaarschriften van de gemeente Noordenveld, maar de vaste commissie van advies voor de bezwaarschriften van de gemeente Leek bevoegd was over het bezwaar van appellante te adviseren. Reeds om die reden komt de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het besluit van 6 mei 2008 gegrond verklaren en dit besluit wegens strijd met artikel 7:13 van de Awb vernietigen.

4.2. De Raad ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb te bepalen dat de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit van 6 mei 2008 in stand blijven. De Raad overweegt hiertoe als volgt.

4.2.1. Appellante is van opvatting dat aan haar met ingang van 25 juli 2006 bijstand had moeten worden verleend. Volgens appellante zijn er bijzondere omstandigheden die bijstandsverlening met terugwerkende kracht rechtvaardigen dan wel is sprake van zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de WWB die tot bijstandsverlening noodzaken.

4.2.2. Volgens vaste rechtspraak van de Raad inzake toepassing van de artikelen 43 en 44 van de WWB wordt in beginsel geen bijstand verleend over een periode voorafgaand aan de datum waarop de bijstandsaanvraag is ingediend en/of de melding bij het CWI heeft plaatsgevonden. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken wanneer bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen.

4.2.3. De Raad is met het Dagelijks Bestuur en de rechtbank van oordeel dat er in het onderhavige geval geen bijzondere omstandigheden zijn die bijstandsverlening met terugwerkende kracht tot 25 juli 2006 rechtvaardigen. Op 25 juli 2006 is de man van appellante in Spanje aangehouden in verband met een strafzaak en uitgeleverd aan Nederland. Appellante, die toen eveneens in Spanje verbleef, heeft hierop besloten in Spanje te blijven, omdat ook zij verdachte was en het risico liep bij terugkeer naar Nederland te worden gearresteerd. Dat appellante, zoals zij heeft gesteld, hierdoor feitelijk niet in staat was zich eerder te melden om bijstand aan te vragen, komt voor haar rekening en rechtvaardigt op zichzelf geen bijstandsverlening met terugwerkende kracht. Appellante is op 25 mei 2007 in Nederland is teruggekeerd en heeft zich pas op 18 juni 2007 gemeld om bijstand aan te vragen. De enkele stelling van appellante dat zij na haar terugkeer als gevolg van alle gebeurtenissen, waaronder ook de geboorte van haar kind in Spanje, te gestrest was om zich eerder te melden dan op 18 juni 2007, levert evenmin een bijzondere omstandigheid op die bijstandsverlening met terugwerkende kracht rechtvaardigt. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij buiten staat was om zich, al dan niet met hulp van derden, eerder te melden om bijstand aan te vragen.

4.2.4. De Raad stelt vast dat appellante behoort tot de personenkring van de WWB, zoals omschreven in artikel 11 van de WWB, en dat zij niet op grond van artikel 13 van de WWB is uitgesloten van het recht op bijstand. Derhalve kan appellante niet worden aangemerkt als een persoon die geen recht op bijstand heeft als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de WWB, zodat die bepaling in haar situatie toepassing mist.

5. De Raad ziet aanleiding het Dagelijks Bestuur te veroordelen in de kosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in beroep en € 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep van appellante tegen het besluit van 6 mei 2008 gegrond en vernietigt dit besluit;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

Veroordeelt het Dagelijks Bestuur in de proceskosten van appellante: in beroep tot een bedrag van € 644,--, te betalen aan appellante, en in hoger beroep tot een bedrag van

€ 644,--, te betalen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het Dagelijks Bestuur aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 149,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en J.J.A. Kooijman en E.J.M. Heijs als leden, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 december 2010.

(get.) C. van Viegen.

(get.) I. Mos.

RB