Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BO7608

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-11-2010
Datum publicatie
20-12-2010
Zaaknummer
09-6151 WUV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om erkenning als vervolgde of gelijkstelling daarmee in de zin van de Wuv. terecht is aangenomen dat apellante geen vervolging heeft ondergaan in de zin van artikel 2 van de Wuv en dat zij evenmin kan worden gelijk gesteld aan een vervolgde omdat zij niet voldoet aan de in artikel 3, eerste lid, van de Wuv gestelde eisen van nationaliteit en woonplaats.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/6151 WUV

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[Appellante], wonende te [woonplaats] in Indonesië (hierna: appellante),

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)

Datum uitspraak: 25 november 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening 20 augustus 2009, kenmerk BZ 48361, JZ/W60/2009, ten aanzien van haar genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wuv).

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 oktober 2010. Appellante is niet verschenen. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante, geboren in 1937 in het voormalig Nederlands-Indië, heeft in maart 2008 een aanvraag ingediend om erkenning als vervolgde of gelijkstelling daarmee in de zin van de Wuv. Zij beoogde daarmee in aanmerking te worden gebracht voor een periodieke uitkering en diverse voorzieningen.

1.2. Bij besluit van 5 januari 2009, zoals na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, heeft verweerster de aanvraag van appellante afgewezen. Daartoe is overwogen dat appellante geen vervolging heeft ondergaan in de zin van artikel 2 van de Wuv en dat zij evenmin kan worden gelijk gesteld aan een vervolgde omdat zij niet voldoet aan de in artikel 3, eerste lid, van de Wuv gestelde eisen van nationaliteit en woonplaats.

1.3. Appellante bestrijdt in beroep het standpunt dat zij niet voldoet aan de voorwaarde van nationaliteit. Zij stelt dat haar biologische vader, de in 1910 te Sengkang geboren [naam vader], een zoon was van de uit Tilburg afkomstige [S.]. Het feit dat haar vader in 1942 als KNIL-soldaat is gesneuveld en is begraven op een Nederlands ereveld bewijst volgens appellante dat haar vader - en derhalve ook appellante - de Nederlandse nationaliteit bezat gedurende de oorlogsjaren.

2. De Raad overweegt op grond van hetgeen door partijen in beroep naar voren is gebracht als volgt.

3.1. Door appellante wordt niet betwist dat zij geen vervolging in de zin van de Wuv heeft ondergaan. Het geschil spitst zich daarom toe op de vraag of verweerster appellante met toepassing van het tweede lid van artikel 3 van de Wuv gelijk had moeten stellen met een vervolgde.

3.2. Op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wuv kan verweerster een betrokkene met een vervolgde gelijkstellen als het niet toepassen van de Wuv van een klaarblijkelijke hardheid zou zijn. Dat kan echter niet in de situatie waarin de betrokkene zelf niet kan worden erkend als vervolgde én de betrokkene niet voldoet aan de zogenaamde eisen van territorialiteit en de nationaliteit.

3.3. Blijkens de gedingstukken heeft verweerster, na uitgebreid onderzoek door onder meer de Ambassade van het Koninkrijk der Nederlanden in Jakarta, het door die ambassade ingenomen standpunt overgenomen dat ten behoeve van appellante niet een zogeheten nationaliteitsverklaring kan worden afgegeven, omdat niet is komen vast te staan dat zij ooit de Nederlandse nationaliteit heeft bezeten. Appellante beschikt niet over een geboorteakte en van de man die appellante als haar vader aanmerkt, de in 1942 gesneuvelde KNIL-soldaat [naam vader], is niet gebleken dat hij destijds de Nederlandse nationaliteit bezat. De enkele verklaring van appellante, hoe oprecht ook, is onvoldoende bewijs daarvan.

3.4. Uit het voorgaande volgt dat gelijkstelling van appellante met een vervolgde niet mogelijk is.

3.5. Het beroep van appellante kan daarom niet slagen.

4. Nu het beroep ongegrond verklaard wordt, ziet de Raad ziet geen aanleiding voor toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en A.J. Schaap en G.L.M.J. Stevens als leden, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 november 2010.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) P.W.J. Hospel.

HD