Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BO7605

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-11-2010
Datum publicatie
20-12-2010
Zaaknummer
09-2285 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Stopzetting bezoldiging. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij aan zijn leidinggevende toestemming heeft gevraagd en van deze ook heeft verkregen om vanaf 27 december 2007 een periode van twee weken afwezig te zijn en daarvoor vakantiedagen op te nemen. De detentie van appellant is een omstandigheid die volledig voor zijn rekening en risico komt. De Raad onderschrijft ook het oordeel van de rechtbank dat de omstandigheid dat appellant gedurende zijn detentie enige weken ziek zou zijn geweest de werking van artikel 14 ARAR gedurende die periode van ziekte niet opschort. Ook gedurende die periode was appellant ongeoorloofd afwezig vanwege zijn detentie en niet omdat hij vanwege ziekte verhinderd was zijn dienst te verrichten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2011/86
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/2285 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant)

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 23 maart 2009, 08/3150, (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant,

en

de Staatssecretaris van Financiën, (hierna: staatssecretaris)

Datum uitspraak: 25 november 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 oktober 2010. Appellant is verschenen, bijgestaan door J.H. Odekerken. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F. Scheffer, werkzaam bij het ministerie van Financiën.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant is werkzaam bij de belastingdienst als toetser in groepsfunctie E. In verband met een reis naar Marokko is appellant vanaf 27 december 2006 niet op het werk aanwezig geweest. Bij besluit van 18 januari 2007, zoals na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit van 14 maart 2008, is op grond van artikel 14 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR) de bezoldiging met ingang van 27 december 2006 stopgezet. Dit heeft geduurd tot de terugkeer van appellant in Nederland op 29 mei 2007.

1.2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij toestemming had om vakantie op te nemen en dat zich dus vanaf 27 december 2006 de situatie heeft voorgedaan bedoeld in artikel 14 ARAR. De rechtbank oordeelde dat de detentie van appellant vanaf 5 januari 2009 in Spanje en de ziekteperiode tijdens die detentie geen omstandigheden zijn die meebrengen dat geen sprake meer was van een situatie als bedoeld in artikel 14 ARAR.

2. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij de werkdagen 27, 28 en 29 december 2006 mocht ontsparen en dat hij voor de eerste week van januari 2007 verlof had opgenomen. Hij is in Spanje gedetineerd geweest nadat hij op 5 januari 2007 met de beste bedoelingen op de veerboot van Tanger naar Algeciras een aantal lifters heeft meegenomen, die echter bleken te reizen met valse paspoorten. Appellant stelt daardoor tot 29 mei 2007 ten onrechte te zijn vastgehouden en uiteindelijk door de Spaanse rechter te zijn vrijgesproken. Omdat de detentie derhalve moet worden beschouwd als verschoonbaar, meent appellant dat de situatie bedoeld in artikel 14 ARAR zich niet heeft voorgedaan. Appellant stelt voorts dat hij over de periode dat hij tijdens de detentie ziek is geweest in ieder geval aanspraak heeft op bezoldiging.

3. De Raad overweegt het volgende.

3.1. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij aan zijn leidinggevende toestemming heeft gevraagd en van deze ook heeft verkregen om vanaf 27 december 2007 een periode van twee weken afwezig te zijn en daarvoor vakantiedagen op te nemen. De leidinggevende heeft van meet af aan ontkend dat hij toestemming heeft gegeven, terwijl de verklaringen van appellant hierover niet eenduidig zijn. Dat appellant, zoals hij heeft verklaard, zijn leidinggevende op enig moment heeft gezegd dat hij in januari 2007 weer verlof nodig had, houdt niet in dat hij dat verlof ook mocht opnemen. Van belang is ook dat appellant in december 2006 al vakantie had opgenomen en langer dan was afgesproken was weggebleven, terwijl hij daar geen vakantiedagen meer voor had. Hij heeft toen na zijn terugkomst met zijn leidinggevende afgesproken dat een aantal vakantiedagen in mindering worden gebracht op zijn tegoed voor 2007. Appellant heeft daarbij weliswaar aangegeven dat hij in het weekend van 23 december 2006 weer terug zou gaan naar Marokko, maar van toestemming voor een vakantieperiode daarvoor is de Raad niet gebleken. Juist gelet op hetgeen rond zijn vakantie in december 2006 was voorgevallen had appellant ervoor dienen te zorgen dat hij voor een nieuwe periode van vakantie tot in januari 2007 uitdrukkelijk toestemming had.

3.2. Nu appellant vanaf 27 december 2006 geen vakantieverlof had verkregen en niet op het werk is verschenen, is vanaf die datum sprake geweest van het opzettelijk in strijd met zijn verplichtingen nalaten de dienst te verrichten, zodat ingevolge artikel 14 van het ARAR appellant vanaf die datum geen aanspraak meer had op bezoldiging.

4. Vervolgens is de vraag of ook vanaf 5 januari 2007, gedurende de periode dat appellant in Spanje gedetineerd was, sprake is geweest van de situatie als bedoeld in artikel 14 ARAR. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat de detentie van appellant een omstandigheid is die volledig voor zijn rekening en risico komt. Uitgaande van hetgeen appellant daarover heeft verklaard (over de achtergrond van de detentie en het verloop van de procedure in Spanje heeft appellant geen enkel stuk overgelegd, dat daar enige duidelijkheid over geeft, terwijl appellant in de loop van de tijd verschillende lezingen daarvan heeft gegeven) heeft de minister op goede grond gesteld dat appellant door het meenemen van hem onbekende personen op de veerboot naar Spanje de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij geruime tijd in Spanje zou worden opgehouden. Appellant stelt ten onrechte dat hier sprake is van verschoonbaar handelen en dat hij geen enkele schuld heeft aan de detentie en dus ook niet aan het werkverzuim.

5. De Raad onderschrijft ook het oordeel van de rechtbank dat de omstandigheid dat appellant gedurende zijn detentie enige weken ziek zou zijn geweest de werking van artikel 14 ARAR gedurende die periode van ziekte niet opschort. Ook gedurende die periode was appellant ongeoorloofd afwezig vanwege zijn detentie en niet omdat hij vanwege ziekte verhinderd was zijn dienst te verrichten.

6. Gelet op het vorenoverwogene moet de aangevallen uitspraak worden bevestigd.

7. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.C. Bruning als voorzitter en K.J. Kraan en A.A.M. Mollee als leden, in tegenwoordigheid van K. Moaddine, als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 november 2010.

(get.) M.C. Bruning.

(get.) K. Moaddine.

HD