Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BO7603

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-11-2010
Datum publicatie
20-12-2010
Zaaknummer
09-6787 WUV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Appellant, geboren [in] 1944 in het voormalige Nederlands-Indië, heeft in december 2008 onder meer een periodieke uitkering op grond van de Wuv aange-vraagd. Verweerster heeft vastgesteld dat appellant zelf geen vervolging in de zin van de Wuv heeft ondergaan. Verweerster heeft onderzocht of er aanleiding kan zijn om appellant met toepassing van artikel 3, tweede lid, van de Wuv gelijk te stellen met de vervolgde in verband met het overlijden van zijn vader op 27 december 1944 in kamp Bangkong te Semarang. Bij besluit van 23 juli 2009 heeft verweerster het standpunt ingenomen dat de psychische klachten van appellant redelijkerwijs niet zijn toe te schrijven aan het overlijden van zijn vader. Dat oordeel heeft verweerster gehandhaafd in het bestreden besluit. De Raad volgt verweersters standpunt dat er sprake is van een indirect verband, omdat appellants huidige psychische klachten vooral zijn veroorzaakt door de omstandigheden waarin hij na het overlijden van zijn vader heeft moeten opgroeien. Het bestreden besluit kan daarom stand houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/6787 WUV

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)

Datum uitspraak: 25 november 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening 26 november 2009, kenmerk BZ 48629, JZ/V70/2009, ten aanzien van hem genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv), verder: bestreden besluit.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 oktober 2010. Appellant is daar vertegenwoordigd door mr. J.C.M. van Berkel, advocaat te Sittard. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. T.R.A. Dircke, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant, geboren [in] 1944 in het voormalige Nederlands-Indië, heeft in december 2008 onder meer een periodieke uitkering op grond van de Wuv aange-vraagd. Verweerster heeft vastgesteld dat appellant zelf geen vervolging in de zin van de Wuv heeft ondergaan. Verweerster heeft onderzocht of er aanleiding kan zijn om appellant met toepassing van artikel 3, tweede lid, van de Wuv gelijk te stellen met de vervolgde in verband met het overlijden van zijn vader op 27 december 1944 in kamp Bangkong te Semarang. Bij besluit van 23 juli 2009 heeft verweerster het standpunt ingenomen dat de psychische klachten van appellant redelijkerwijs niet zijn toe te schrijven aan het overlijden van zijn vader. Dat oordeel heeft verweerster gehandhaafd in het bestreden besluit.

1.2. Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag dat appellants klachten passen bij de symptomatologie van een angststoornis en een depressieve stoornis. Deze psychische klachten zijn volgens verweerster niet het directe gevolg van het overlijden van de vader. Appellant heeft zijn vader nooit gekend. Hoewel appellants klachten deels te relateren zijn aan het overlijden van de vader, moet toch worden gesteld dat de klachten redelijkerwijs zijn te verklaren door de ervaringen van appellant tijdens zijn jeugd. Appellant werd in de eerste jaren van zijn leven gescheiden van zijn moeder opgevoed, met zijn stiefvader had hij een oppervlakkig contact, zijn moeder overleed toen hij 15 jaar oud was en zijn pleegouders boden hem daarna geen warme opvang. Al die omstandig-heden moeten worden gezien als oorzaak van de huidige psychische klachten.

2. In beroep heeft de gemachtigde van appellant gesteld dat deze omstandigheden niet als oorzaak van de huidige psychische klachten kunnen worden gezien. Weliswaar is appellant de eerste jaren niet door zijn moeder opgevoed, maar uit niets blijkt dat de opvang en verzorging door een goede vriendin van zijn moeder slecht is geweest. Ook het oppervlakkige contact met de stiefvader kan geen ontstaansbron zijn van de klachten. Dat geldt ook voor het overlijden van zijn moeder; appellant heeft van haar afscheid kunnen nemen en hij kan haar graf bezoeken. Ook het niet bieden van een warme opvang door de pleegouders kan geen grond van betekenis zijn voor het ontstaan van de psychische klachten. Appellant is veel 'bezig' met zijn vader. De kansen die appellant heeft gemist in zijn opleiding en carrière zijn toe te schrijven aan het gemis van zijn vader.

3. De Raad overweegt hierover het volgende.

3.1. Om een ingevolge de Wuv vereist verband tussen de psychische klachten bij appellant en het overlijden van zijn vader vast te stellen, moet het gaan om de directe gevolgen die het overlijden van de vader voor de psychische gesteldheid van appellant heeft gehad. Dat verband wordt niet aangenomen als de klachten voortkomen uit de meer indirecte gevolgen van het overlijden, zoals het moeten ontberen van een vaderfiguur bij de opvoeding.

3.2. Het is dus de vraag of verweersters standpunt moet worden gevolgd dat appellants huidige psychische klachten vooral de oorzaak vinden in de omstandigheden waarin hij na het overlijden van zijn vader heeft moeten opgroeien. In dat geval is er namelijk sprake van een indirect verband.

3.3. Bij de beantwoording van die vraag vindt de Raad belangrijk wat appellant zelf daarover heeft gezegd in de bezwaarfase. In zijn bezwaarschrift heeft appellant gesteld dat hij zonder het overlijden van zijn vader geen stiefvader had hoeven te hebben en op zijn 15e geen pleegouders had gehad en zijn leven er dus heel anders had uitgezien. Tijdens het horen heeft appellant daarover uitgebreider verteld dat zijn jeugd er heel anders zou hebben uitgezien als zijn vader nog had geleefd. Hij zou dan geen stiefvader hebben gehad die hem slecht behandelde. En ook zou het verblijf in Nederland makkelijker zijn geweest; zijn stiefvader bleef in Indonesië, zodat zijn moeder er alleen voor stond toen het gezin in Nederland aan kwam. Het was allemaal beter gelopen als zijn vader erbij was geweest. Appellant zou dan ook meer gestimuleerd zijn geweest om zijn school af te maken.

3.4. Verder baseert de Raad zijn oordeel op het uitgebreide rapport dat verweersters geneeskundig adviseur en arts D. Gaasbeek heeft gemaakt naar aanleiding van het onderzoek van 4 juni 2009 en op de adviezen van deze arts en van de geneeskundig adviseur en arts A.M. Ohlenschlager. Deze artsen hebben gemotiveerd aangegeven dat vooral de vele ervaringen van appellant in zijn jeugd een verklaring vormen voor de ontwikkelde persoonlijkheidsproblematiek.

3.5. Alles bijeen genomen komt de Raad tot het oordeel dat verweersters standpunt moet worden gevolgd dat er sprake is van een indirect verband, omdat appellants huidige psychische klachten vooral zijn veroorzaakt door de omstandigheden waarin hij na het overlijden van zijn vader heeft moeten opgroeien. Het bestreden besluit kan daarom stand houden.

4. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en A.J. Schaap en G.L.M.J. Stevens als leden, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 november 2010.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) P.W.J. Hospel.

HD