Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BO7274

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-11-2010
Datum publicatie
14-12-2010
Zaaknummer
08-5597 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag bijstand. Onjuiste of niet volledige informatie. Weigering mee te werken aan een huisbezoek. In het onderhavige geval was een redelijke grond aanwezig voor het onmiddellijk afleggen van een huisbezoek op het door appellant opgegeven adres. Geen sprake van voortgezette aanvraag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2011/32
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/5597 WWB

08/5598 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 7 augustus 2008, 07/4435 en 08/13 (hierna: aangevallen uitspraak),

in de gedingen tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 23 november 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S. Mathoerapersad, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 oktober 2010. Appellant is niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.M. Tjen A Kwoei, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. 26 juni 2007 heeft appellant een aanvraag om bijstand ingediend. Omdat er twijfels bestonden over de woon- en leefsituatie van appellant heeft R. van Straalen, handhavingspecialist van de Dienst Werk en Inkomen van de

Gemeente Amsterdam een onderzoek ingesteld. Hiertoe heeft dossieronderzoekplaatsgevonden, zijn diverse registers geraadpleegd en is appellant uitgenodigdvoor een gesprek op 14 augustus 2007. De bevindingen van het onderzoek zijn

neergelegd in een rapport van 15 augustus 2007. De onderzoeksresultaten zijnvoor het College aanleiding geweest om bij besluit van 20 augustus 2007 deaanvraag van appellant af te wijzen. De besluitvorming berust op de overwegingen

dat appellant onjuiste of niet volledige informatie heeft verstrekt door hetaanvraagformulier niet volledig in te vullen en geweigerd heeft mee te werken aaneen huisbezoek en dat als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden

vastgesteld.

1.2. Bij besluit van 4 oktober 2007, voor zover hier van belang, heeft het College het bezwaar van appellant tegen het besluit van 20 augustus 2007, ongegrond verklaard.

1.3. Bij brief van 15 augustus 2007 is namens appellant alsnog toestemmingverleend voor het afleggen van een huisbezoek. Daarnaast is in deze brief namens appellant opnieuw bijstand aangevraagd.

1.4. Bij besluit van 15 november 2007 is aan appellant met ingang van 20 september 2007 bijstand naar de norm voor een alleenstaande toegekend. Bij besluit van 22 november 2007 heeft het College het bezwaar van appellant tegen het besluit van 15 november 2007, voor zover hier van belang, gegrond verklaard en de ingangsdatum van de bijstandsverlening aan appellant nader bepaald op 15 augustus 2007.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen de besluiten van 4 oktober 2007 en 22 november 2007 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft hierbij overwogen dat sprake was van een redelijke grond voor het

onmiddellijk afleggen van een huisbezoek op 14 augustus 2007 en dat voorts geen zeer dringende reden van de zijde van appellant aanwezig was, op grond waarvan het College hiervan had dienen af te zien. Als gevolg van de schending van de

medewerkingsverplichting bleef de woonsituatie van appellant onduidelijk zodat het College zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld. Voor wat betreft het besluit van 22 november 2007

heeft de rechtbank overwogen dat, nu het besluit van 4 oktober 2007 in stand kan blijven, er geen grond bestaat de ingangsdatum van de bijstand op 26 juni 2007 te stellen.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

de aanvraag van 26 juni 2007

4.1. Volgens vaste rechtspraak van de Raad bestrijkt de door de bestuursrechter te beoordelen periode in geval van een aanvraag om bijstand in beginsel de periode vanaf de datum van de aanvraag, of de datum met ingang waarvan bijstand wordt aangevraagd, tot en met de datum van het primaire besluit. Dat betekent dat in dit geval de te beoordelen

periode loopt van 26 juni 2007 tot en met 20 augustus 2007.

4.2. Voor de beoordeling van het recht op bijstand is het van essentieel belang dat er duidelijkheid bestaat omtrent de woon- en leefsituatie van de belanghebbende. De vraag waar iemand zijn woonadres heeft, dient naar vaste rechtspraak te

worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. In geval van een aanvraag ligt het op de weg van de aanvrager de nodige duidelijkheid te verschaffen. Vervolgens is het aan het bijstandsverlenend orgaan om deze

inlichtingen in het kader van de onderzoeksplicht op juistheid en volledigheid te controleren. Indien de belanghebbende niet aan de inlichtingen- of medewerkingverplichting voldoet, is dit een grond voor weigering van de bijstand

indien als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

4.3. Eveneens volgens vaste rechtspraak van de Raad kunnen aan het niet meewerken aan een huisbezoek eerst gevolgen worden verbonden (in de vorm vanhet weigeren, beëindigen of intrekken van de bijstand) indien voor dat huisbezoek

in het individuele geval een redelijke grond bestaat. Van een dergelijke grond is sprake indien op basis van concrete en objectieve feiten en omstandigheden redelijkerwijs kan worden getwijfeld aan de juistheid of volledigheid van de door

de belanghebbende omtrent zijn woon- en leefsituatie verstrekte inlichtingen, voor zover deze gegevens onmiskenbaar van belang zijn voor het vaststellen van (de omvang van) het recht op bijstand en deze gegevens niet op een voor de

belanghebbende minder belastende wijze kunnen worden geverifieerd. Indien van een redelijke grond voor het afleggen van een huisbezoek sprake is, kan de aanwezigheid van een zeer dringende reden van de zijde van de belanghebbende ertoe leiden dat de belanghebbende niet tegengeworpen kan worden aan het huisbezoek geen medewerking te verlenen.

4.4. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat in het onderhavige geval een redelijke grond aanwezig was voor het onmiddellijk afleggen van een huisbezoek op het door appellant opgegeven adres [naam straat] (hierna: het adres). Hij

overweegt hiertoe dat appellant geen eenduidige informatie heeft verstrekt aangaande zijn woon- en leefsituatie en de door hem verstrekte informatie evenmin in overstemming was met de gegevens uit de Gemeentelijke Basisadministratie (GBA). De Raad verwijst hierbij naar het door appellant ingevulde en ondertekende inlichtingenformulier waarop hij heeft aangegeven dat, naast hem, alleen zijn zus op het adres woont. Uit de informatie van de GBA blijkt dat er naast appellant en zijn zus nog twee andere familieleden op het adres stonden ingeschreven, terwijl appellant tijdens het gesprek op 14 augustus 2007 heeft aangegeven dat er nog een broer op het adres woont. De Raad ziet niet dat verificatie van de woon- en leefsituatie van appellant op een voor hem minder belastende manier dan via een huisbezoek kon geschieden.

4.5. Appellant stelt zich op het standpunt dat van hem niet verlangd kon worden medewerking te verlenen aan een onmiddellijk na afloop van het gesprek op 14 augustus 2007 af te leggen huisbezoek. In de onder 1.3 genoemde brief van

15 augustus 2007 geeft appellant aan dat hij eerst toestemming van zijn zus, zijnde dehoofdbewoonster van de woning, nodig had alvorens in te (kunnen) stemmen met een huisbezoek. In hoger beroep voegt appellant hieraan toe dat hij eerst overleg met zijn advocaat wenste voordat hij toestemming voor het huisbezoek zou verlenen. De Raad ziet niet in dat deze argumenten niet ook reeds tijdens het gesprek op 14 augustus 2007 naar voren hadden kunnen worden gebracht en gaat derhalve aan deze argumenten voorbij. In hetgeen appellant tijdens het gesprek op 14 augustus 2007 heeft aangevoerd ter afwering van het huisbezoek, te weten dat het niet gaat en dat hij niet op een huisbezoek heeft gerekend, ziet de Raad geen zeer dringende reden die ertoe leidt dat appellant niet gehouden kon worden aan het verlenen van medewerking voor het onmiddellijk afleggen van een huisbezoek. De Raad merkt hierbij op dat appellant in zijn weigering heeft volhard, nadat hem was medegedeeld dat deze weigering tot gevolg kon hebben dat het recht op bijstand niet zou kunnen worden vastgesteld.

4.6. De grief dat geen sprake is geweest van fair play van de zijde van het College omdat het College appellant niet (direct) confronteerde met het feit dat er meer familieleden in de GBA stonden ingeschreven op het adres van appellant dan

door hem opgegeven faalt. De Raad verwijst in dit verband naar hetgeen is overwogen in 4.2.

4.7. De Raad is van oordeel dat het College zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant, door geen medewerking te verlenen aan het onmiddellijk afleggen van een huisbezoek, de hem ingevolge artikel 17, tweede lid, van de Wet werk en bijstand (WWB) en artikel 53a van de WWB opgelegde medewerkingverplichting heeft geschonden. Als gevolg hiervan kan niet worden vastgesteld of appellant verkeerde in bijstandbehoevende omstandigheden als

bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de WWB.

4.8. In zoverre slaagt het hoger beroep niet.

de aanvraag van 15 augustus 2007

4.9. Het geding spitst zich toe op de vraag of het College de ingangsdatum van de uitkering terecht heeft bepaald op 15 augustus 2007. Appellant voert in dit verband aan dat sprake is van een voortgezette aanvraag om bijstand op de eerdere

aanvraag van appellant van 26 juni 2007 en dat sprake is van bijzondere omstandigheden die moeten leiden tot bijstandverlening vanaf 26 juni 2007.

4.10. De Raad is van oordeel dat uit de gedingstukken, met name de onder 1.3 genoemde brief van 15 augustus 2007, niet blijkt dat bijstand met ingang van een eerdere datum is aangevraagd. Evenmin ziet de Raad grond om de aanvraag van 15 augustus 2007 te beschouwen als een voortgezette aanvraag van de aanvraag van 26 juni 2007. De vraag of sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan bijstand zou

moeten worden verleend vanaf een eerdere datum dan 15 augustus 2007 is

derhalve niet aan de orde is.

4.11. Uit hetgeen is overwogen in 4.9 en 4.10 volgt dat het hoger beroep, voor zover gericht tegen de ingangsdatum van de aanvraag om bijstand van 15 augustus 2007, evenmin slaagt.

4.12. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd, voor zover betrekking hebbend op de ingangsdatum, met verbetering van gronden.

slotoverwegingen

5. Nu de besluiten van 4 oktober 2007 en 22 november 2007 in stand blijven ziet de Raad geen aanleiding voor een veroordeling tot schadevergoeding.

6. De Raad ziet evenmin aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISS1NG

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Wijst het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham in tegenwoordigheid van J. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 november 2010.

(get.) A.B.J. van der Ham.

(get.) J. de Jong.

JvS