Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BO7273

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-11-2010
Datum publicatie
14-12-2010
Zaaknummer
09-3215 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Mede-terugvordering bijstand. Gezamenlijke huishouding. Meerdere periodes. Anders dan de rechtbank oordeelt de Raad dat onvoldoende feitelijke grondslag bestaat voor het oordeel dat appellant ook in de gehele periode van 3 november 2003 tot en met 4 april 2005 hoofdverblijf heeft gehad in de woning van betrokkene.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/3215 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 29 april 2009, 07/4604 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 23 november 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J. de Groot, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 oktober 2010. Appellant is, zoals tevoren bericht, niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. A.A. Brouwer, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. [Betrokkene] heeft vanaf 3 november 2003 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB), ontvangen naar de norm voor een alleenstaande ouder.

1.2. Naar aanleiding van een anonieme telefonische melding op 22 december 2005 dat betrokkene jaren een uitkering ontvangt en dat zij ook jaren samenwoont met appellant, hebben handhavingspecialisten van de afdeling Controle en Opsporing van de Dienst Werk en Inkomen (DWI) onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan betrokkene verleende bijstand. Dit onderzoek heeft onder meer bestaan uit huisbezoeken aan de woning van betrokkene aan de [adres 1] in [plaatsnaam], een buurtonderzoek en het opnemen van verklaringen van betrokkene, van appellant en van hoofdbewoners van de woning aan de [adres] in [plaatsnaam], op welk adres appellant destijds stond ingeschreven. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 1 juni 2006. Bij besluit van 25 augustus 2006 heeft het College de bijstand van betrokkene beëindigd.

1.3. Na de overdracht van het dossier van betrokkene heeft de sociale recherche van de DWI een nader onderzoek ingesteld, onder meer bestaande uit het horen van getuigen, het verhoren van betrokkene en appellant en het opvragen van aanvullende informatie bij het Gemeentelijk vervoersbedrijf (GVB) in Amsterdam, bij welk bedrijf appellant vanaf

19 februari 2001 als tramconducteur werkzaam is. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in een op 2 mei 2007 opgemaakt proces-verbaal, waarin de DWI zich op het standpunt heeft gesteld dat appellant in ieder geval in de perioden van 3 november 2003 tot en met 4 april 2005 en van 12 september 2005 tot en met 31 juli 2006 zijn hoofdverblijf heeft gehad in de woning van betrokkene op het adres [adres 1] in [plaatsnaam].

1.4. Bij besluit van 29 augustus 2007 heeft het College de bijstand van betrokkene over genoemde perioden ingetrokken op de grond dat zij in die perioden een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met appellant, waarvan zij aan het College geen opgave heeft gedaan. Bij dat besluit heeft het College tevens de over die perioden gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 37.525,05 van betrokkene teruggevorderd. Dit besluit is in rechte onaantastbaar geworden.

1.5. Bij afzonderlijk besluit van 29 augustus 2007 heeft het College het hiervoor genoemde bedrag mede van appellant teruggevorderd. Bij besluit van 6 november 2007 heeft het College het bezwaar van appellant tegen het besluit van

29 augustus 2007 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 6 november 2007 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd gekeerd tegen de aangevallen uitspraak.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Artikel 59, tweede lid, van de WWB bepaalt, voor zover hier van belang, dat indien de bijstand als gezinsbijstand aan gehuwden had moeten worden verleend, maar zulks achterwege is gebleven, omdat de belanghebbende de inlichtingenverplichting niet of niet behoorlijk is nagekomen, de kosten van bijstand mede kunnen worden teruggevorderd van de persoon met wiens middelen als bedoeld in paragraaf 3.4, bij de verlening van bijstand rekening had moeten worden gehouden. Voor de vaststelling dat appellant die persoon is, is vereist dat appellant in de perioden van 3 november 2003 tot en met 4 april 2005 en van 12 september 2005 tot en met 31 juli 2006 met betrokkene een gezamenlijke huishouding als bedoeld in artikel 3, derde lid, van de Algemene bijstandswet (Abw) en artikel 3, derde lid, van de WWB heeft gevoerd. Ingevolge het bepaalde in artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de Abw en artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de WWB wordt een gezamenlijke huishouding in ieder geval aanwezig geacht, indien de belanghebbenden hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en uit hun relatie is geboren of erkenning heeft plaatsgevonden van een kind van de een door de ander.

4.2. Aangezien vaststaat dat uit de relatie van appellant en betrokkene op 19 september 2003 een kind is geboren, is voor de beantwoording van de vraag of gedurende de hier te beoordelen perioden sprake was van een gezamenlijke huishouding bepalend of appellant en betrokkene hun hoofdverblijf hadden in dezelfde woning.

4.3.1. De Raad is, behoudens hetgeen in 4.4 is overwogen, met de rechtbank van oordeel dat de onderzoeksbevindingen voldoende feitelijke grondslag bieden voor het standpunt van het College dat appellant zijn hoofdverblijf in de woning van betrokkene heeft gehad. Appellant en betrokkene hebben tijdens hun verhoren weliswaar ontkend dat appellant zijn hoofdverblijf in de woning van betrokkene heeft, maar hebben erkend dat hij drie à vier dagen per week overdag in de woning verbleef. Op 18 mei 2006 heeft betrokkene verklaard dat appellant iedere vrije dag komt voor zijn dochter, dat hij af en toe een hele dag blijft en af en toe maar twee à drie uurtjes en dat hij er regelmatig is, ook als hun dochter er niet is. Appellant heeft verklaard dat hij na vier late diensten twee dagen vrij was en tijdens die dagen altijd bij zijn dochtertje en betrokkene was.

4.3.2. Naar het oordeel van de Raad is aannemelijk dat appellant niet alleen tijdens zijn vrije dagen in de woning van betrokkene verbleef, maar ook op dagen waarop hij als tramconducteur werkzaam was. In dat verband is van belang dat appellant heeft verklaard dat hij bij de vroege dienst met een busje van het GVB kan worden opgehaald bij het adres dat hij heeft opgegeven en dat hij bij de late dienst zich heeft laten wegbrengen naar de [adres] ter hoogte van nummer [nummer]. Uit de tot de gedingstukken behorende lijsten, afkomstig van het GVB, blijkt dat appellant zich vanaf 20 maart 2004 bij de vroege diensten steevast liet ophalen van en bij de late diensten liet terugbrengen naar het adres [adres 1]. Gelet op de opgave van appellant aan het GVB om hem op te halen van en terug te brengen naar dit specifieke adres en de tijdstippen waarop het ophalen en terugbrengen plaatsvond acht de Raad het onaannemelijk dat appellant in de vroege ochtenduren afkomstig was van en zich na afloop van de late dienst begaf naar een andere woning dan die van betrokkene. Appellant heeft weliswaar gesteld dat hij zich liet afzetten op de hoogte van nummer [nummer] en dan naar een ander adres ging, maar over dat adres heeft hij geen nadere mededelingen willen doen.

4.3.3. Tevens zijn van belang de bevindingen bij de huisbezoeken in mei 2006 aan de woning van betrokkene. Op

10 mei 2006 om 8.00 uur en op 18 mei 2006 om 14.30 uur was in deze woning alleen appellant aanwezig en bij het laatste huisbezoek zijn in die woning onder meer een bankpas van appellant, een poststuk gericht aan appellant en bedrijfskleding van het GVB aangetroffen alsmede in een lade een paar onderbroeken die volgens opgave van betrokkene aan appellant toebehoren. Deze bevindingen komen overeen met de verklaringen die de gehoorde personen tijdens de onderzoeken hebben afgelegd. De hoofdbewoners van de [adres], vrienden van appellant en betrokkene en als zodanig bekend met hun doen en laten, hebben verklaard dat appellant en betrokkene samenwonen. Hoewel de bij het buurtonderzoek gehoorde getuigen geen gedetailleerde informatie hebben verstrekt, hebben zij aan de hand van getoonde foto’s van betrokkene en appellant hen herkend als de bewoners van de woning van betrokkene. Daarbij tekent de Raad aan dat appellant heeft erkend dat hij, behoudens de eerste paar maanden na de beëindiging van de relatie met betrokkene waarin hij bij zijn vader in de woning aan de [adres 2] in [plaatsnaam] woonde, in de beide perioden in geding niet woonde op de adressen waarop hij stond geregistreerd in de gemeentelijke basisadministratie en dat louter sprake was van postadressen.

4.4. Het hiervoor onder 4.3.1 tot en met 4.3.3 neergelegde oordeel van de Raad betreft in ieder geval de gehele periode van 12 september 2005 tot en met 31 juli 2006. Anders dan de rechtbank is de Raad evenwel van oordeel dat onvoldoende feitelijke grondslag bestaat voor het oordeel dat appellant ook in de gehele periode van 3 november 2003 tot en met

4 april 2005 hoofdverblijf heeft gehad in de woning van betrokkene. In dit verband acht de Raad van belang dat bij het huisbezoek aan de woning van betrokkene op 8 januari 2004 geen spoor van appellant is aangetroffen. Voorts komt de verklaring van appellant dat hij vanaf het moment waarop hij zich heeft laten inschrijven op het adres van zijn ouders

(12 december 2003) gedurende vier à vijf maanden bij hen heeft gewoond in grote lijnen overeen met de verklaring van zijn vader dat appellant een paar maanden in zijn woning aan de [adres 2] in [plaatsnaam] heeft gewoond. Daarbij is tevens van belang dat appellant op 25 februari 2004, de eerste dag vermeld op de hiervoor genoemde GVB-lijsten, om

4.45 uur opgehaald op de [adres]. Aan de verklaring die de hoofdbewoners van het de woning [adres] op 22 mei 2006 hebben afgelegd dat appellant en betrokkene in ieder geval drie jaar samenwonen kan naar het oordeel van de Raad geen doorslaggevende betekenis worden toegekend, reeds omdat zij nadien hebben verklaard dat appellant in de periode van 4 april 2005 tot 12 september 2005 bij hen heeft gewoond. Derhalve bieden dat onderzoeksgegevens onvoldoende grondslag voor de conclusie dat appellant en betrokkene in de gehele periode van

3 november 2003 tot en met 4 april 2005 een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd.

4.5. Uit hetgeen hiervoor onder 4.4 is overwogen vloeit voort dat het hoger beroep slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren, het besluit van 6 november 2007 vernietigen wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht en het College opdragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

5. De Raad ziet aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 966,-- in beroep en op € 322,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 6 november 2007;

Bepaalt dat het College een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 966,--;

Bepaalt dat het College aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van € 149,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en J.F. Bandringa en C.G. Kasdorp als leden, in tegenwoordigheid van J.R.K.A.M. Waasdorp als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 november 2010.

(get.) C. van Viegen.

(get.) J.R.K.A.M. Waasdorp.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

JvS