Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BO6969

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-11-2010
Datum publicatie
14-12-2010
Zaaknummer
09/77 AAW + 10/3408 AAW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening en terugvordering van de vergoeding voor huishoudelijke hulp. Bij nieuw besluit is teruggevorderde bedrag verlaagd. Bevoegdheid Uwv. Bestendige gedragslijn ten aanzien van terugvordering. Hoorplicht geldt niet bij het nemen van een nieuw besluit op bezwaar ter uitvoering van een uitspraak van de rechtbank waarbij het eerdere besluit op bezwaar is vernietigd. Dat neemt niet weg dat het uit een oogpunt van zorgvuldigheid noodzakelijk kan zijn een belanghebbende bij het nemen van een nieuw besluit op bezwaar opnieuw te horen. Een zodanige situatie doet zich in dit geval echter niet voor. Weliswaar heeft het Uwv lang gewacht met het nemen van een nieuw besluit, maar er is geen sprake van strijd met het vertrouwensbeginsel. Niet gebleken van een uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en ongeclausuleerde toezegging van de zijde van UWV.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2010/428
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/77 AAW

10/3408 AAW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats], (hierna: appellante)

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 25 november 2008, 07/2284 en 07/4368 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: UWV)

Datum uitspraak: 10 november 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. W.H. van Zundert, advocaat te Rotterdam, hoger beroep

ingesteld.

UWV heeft een verweerschrift ingediend en een nader besluit van 12 mei 2010 aan de Raad gezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 augustus 2010. Voor appellante is mr. Van Zundert verschenen. UWV heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H. van Wijngaarden, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontving sedert 1989 vergoedingen voor huishoudelijk hulp. Aanvankelijk werden de vergoedingen op grond van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet verleend. Na intrekking van die wet zijn de vergoedingen voor huishoudelijke hulp aan appellante voortgezet.

1.2. Bij besluit van 23 februari 2006 heeft UWV aan appellante meegedeeld dat uit onderzoek is gebleken dat de vergoeding voor huishoudelijke hulp geheel of gedeeltelijk ten onrechte aan haar is betaald, omdat er geen of minder huishoudelijke hulp is verricht dan zij op de door haar ondertekende declaratieformulieren heeft opgegeven. Voorts heeft UWV aan appellante meegedeeld dat het bedrag waar zij geen recht op had wordt teruggevorderd en dat het gaat om een bedrag van € 7.058,06. Bij het besluit van 23 februari 2006 is een bijlage gevoegd met een vergelijking tussen bedragen die aan appellante als vergoeding voor huishoudelijke hulp over de periode van 29 oktober 1998 tot en met 27 juni 2004 zijn uitbetaald en de bedragen waarop zij over die periode recht had.

1.3. Bij besluit van 2 augustus 2006 heeft UWV het bezwaar van appellante tegen het besluit van 23 februari 2006 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 16 februari 2007, 06/3743, heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit van 2 augustus 2006 gegrond verklaard en dat besluit wegens een onvoldoende draagkrachtige motivering vernietigd. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep ingesteld.

1.4. Bij het ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank genomen besluit van 11 mei 2007 heeft UWV het bezwaar van appellante tegen het besluit van 23 februari 2006 gegrond verklaard en dat besluit herroepen in die zin dat het daarin genoemde terugvorderingsbedrag van € 7.058,06 nader wordt vastgesteld op € 4.596,52.

Daartoe heeft UWV overwogen dat de terugvordering wordt beperkt tot vijf jaar en dat in verband met de omvang van de in de periode van 25 augustus 2003 tot 22 september 2003 voor appellante verrichte huishoudelijke hulp de terugvordering van de vergoeding voor huishoudelijke hulp over die periode eveneens komt te vervallen. Bij het besluit van 11 mei 2007 is een bijlage gevoegd met een vergelijking tussen bedragen die aan appellante als vergoeding voor huishoudelijke hulp over de periodes van 25 januari 2001 tot en met 25 augustus 2003 en van 22 september 2003 tot en met 27 juni 2004 zijn uitbetaald en de bedragen waarop zij over die periodes recht had.

2.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank onder meer overwogen dat UWV verzuimd heeft appellante voorafgaand aan het besluit van 11 mei 2007 te horen en dat UWV in het besluit van 11 mei 2007 in redelijkheid niet ten nadele van appellante mocht terugkomen op de van de zijde van UWV ter zitting van de rechtbank van 19 januari 2007 gedane mededeling dat de periode van terugvordering in verband met verjaring dient te worden gewijzigd naar 7 mei 2001 tot en met 27 juni 2004. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat als uitgangspunt bij de beoordeling van het geschil heeft te gelden dat de Regeling Subsidies AWBZ en Ziekenfondswet (hierna: de Regeling) van toepassing is voor het verstrekken van huishoudelijke hulp aan appellante en dat het besluit van 11 mei 2007 in zoverre niet juist is. Ten slotte heeft de rechtbank geoordeeld dat zij geen reden heeft om er aan te twijfelen dat UWV bevoegd is tot terugvordering op grond van Regeling huishoudelijke hulp GAK 1995 en dat die regeling steeds stilzwijgend is verlengd.

2.2. De rechtbank heeft, voor zover hier van belang, het beroep van appellante tegen het besluit van 11 mei 2007 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en UWV opdragen een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaar tegen het besluit van

23 februari 2006. Voorts heeft de rechtbank beslissingen genomen inzake griffierecht en proceskosten.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd.

4. Bij het in rubriek I genoemde besluit van 12 mei 2010 heeft UWV ter uitvoering van de aangevallen uitspraak het bezwaar van appellante tegen het besluit van 23 februari 2006 gegrond verklaard en dat besluit herroepen in die zin dat het bedrag van de terugvordering nader wordt vastgesteld op € 4.273,95 over de periode van 7 mei 2001 tot en met 27 juni 2004 en dat voor het overige het besluit van 11 mei 2007 wordt gehandhaafd

5. De Raad komt met betrekking tot de aangevallen uitspraak tot de volgende beoordeling.

5.1. De Raad begrijpt het besluit van 23 februari 2006, gelet op de tekst van dat besluit, de bij dat besluit gevoegde bijlage en de door de gemachtigde van UWV ter zitting gegeven toelichting, aldus dat UWV de aan appellante verleende vergoedingen voor huishoudelijke hulp over de periode van 29 oktober 1998 tot en met 27 juni 2004 heeft herzien en de over die periode betaalde vergoedingen tot een bedrag van € 7.058,06 van haar heeft teruggevorderd. Bij het besluit op bezwaar van 11 mei 2007 heeft UWV, zo begrijpt de Raad, de herziening van de vergoeding voor huishoudelijke hulp beperkt tot de periode van 25 januari 2001 tot en met 25 augustus 2003 en die van 22 september 2003 tot en met 27 juni 2004 en de terugvordering over die periodes nader vastgesteld op € 4.596,52.

5.2. Nu UWV geen hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak heeft ingesteld, is nog slechts de herziening en de terugvordering van de vergoeding voor huishoudelijke hulp over de periode van 7 mei 2001 tot en met 25 augustus 2003 en van 22 september 2003 tot en met 27 juni 2004 in geding.

5.3. Met betrekking tot de grondslag voor de toekenning van vergoeding voor huishoudelijke hulp overweegt de Raad als volgt.

5.3.1. Ingevolge artikel 1p, eerste lid, van de Ziekenfondswet, zoals dat luidde ten tijde hier van belang, kan bij ministeriële regeling worden bepaald dat het College (voor) zorgverzekeringen voor bepaalde doeleinden overeenkomstig in die

regeling gestelde regels subsidies verstrekt. De betreffende ministeriële regeling is de reeds in overweging 2.1 genoemde Regeling.

5.3.2. Artikel 2.2.4.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Regeling, zoals die luidde ten tijde hier van belang, bepaalt dat projectsubsidies worden verleend voor de verleende vergoedingen voor kosten van voortzetting van huishoudelijke hulp aan verzekerden.

In artikel 2.2.4.2 van de Regeling wordt tot 1 januari 2003 GAK Nederland B.V en vanaf die datum het UWV genoemd als rechtspersoon die voor subsidie in aanmerking komt.

5.3.3. Artikel 2.2.4.3 van de Regeling bepaalt dat voor de in artikel 2.2.4.1, eerste lid, onder a, bedoelde vergoedingen slechts subsidie wordt verleend indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

a. de kosten vloeien voort uit voortzetting in het subsidiejaar van vergoedingen aann verzekerden die op 31 december 1993 in aanmerking kwamen voor een vergoeding in het kader van de AAW-voorziening huishoudelijke hulp, daaronder begrepen vergoedingen in verband met uitbreiding van de desbetreffende huishoudelijke hulp; en

b. de subsidieontvanger stelt minimaal een maal per twaalf maanden de aan de verzekerde toekomende vergoeding vast, onder andere op basis van een indicatiebesluit als bedoeld in artikel 9b, eerste lid, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten waaruit volgt dat de verzekerde is aangewezen op voortzetting van huishoudelijke hulp.

5.3.4. Naar het oordeel van de Raad vloeit uit het onder 5.3.1 tot en met 5.3.3 weergegeven samenstel van bepalingen voort dat gedurende de hier te beoordelen periode tot 1 januari 2002 GAK Nederland B.V. en, gelet op het bepaalde in artikel 9 van de Invoeringswet Wet Structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, vanaf die datum UWV op grond van de Regeling en met in achtneming van de in die Regeling vermelde voorwaarden bevoegd waren om aan personen die op 31 december 1993 in aanmerking kwamen voor een vergoeding in het kader van de AAW-voorziening huishoudelijke hulp, vergoedingen voor huishoudelijke hulp te blijven verlenen. Ofschoon in de besluiten van GAK Nederland B.V. en UWV waarin aan appellante vergoeding voor huishoudelijke hulp over de periode van 7 mei 2001 tot en met 27 juni 2004 is toegekend niet de formele bevoegdheidsgrondslag voor toekenning van die vergoeding is vermeld, is de Raad met de rechtbank van oordeel dat de betreffende vergoedingen met toepassing van de Regeling zijn verleend. Ook UWV heeft in zijn verweerschrift van

15 maart 2010 gemotiveerd aangegeven dat de betreffende vergoedingen aan appellante zijn verstrekt op basis van de Regeling. In hoger beroep heeft appellante dit standpunt onvoldoende weersproken.

5.4. Met betrekking tot de grondslag voor de herziening en terugvordering van vergoeding voor huishoudelijke hulp overweegt de Raad als volgt.

5.4.1. De Raad stelt vast dat de Regeling geen specifieke bepalingen kent inzake herziening en terugvordering van de door GAK Nederland B.V. en UWV op basis van de Regeling toegekende vergoedingen voor huishoudelijke hulp.

5.4.2. Naar het oordeel van de Raad ligt evenwel in de op grond van de Regeling in het leven geroepen bevoegdheid om in gevallen als het onderhavige vergoedingen voor huishoudelijke hulp te verlenen tevens de bevoegdheid van UWV besloten om de eerder door UWV of zijn rechtsvoorganger, GAK Nederland B.V., ter zake genomen toekenningsbesluiten te herzien, indien achteraf blijkt dat de belanghebbende voor een lagere dan de aan hem verleende vergoeding in aanmerking komt.

5.4.3. De Raad is voorts van oordeel dat UWV op grond van het algemeen rechtsbeginsel, inhoudende dat hetgeen onverschuldigd betaald is kan worden teruggevorderd, bevoegd is om tot terugvordering van teveel betaalde vergoeding voor huishoudelijke hulp over te gaan, tenzij andere rechtsbeginselen zich daartegen verzetten. De Raad verwijst in dit verband naar zijn vaste rechtspraak in ambtenarenzaken (zie bijvoorbeeld zijn uitspraak van 18 maart 2005, LJN AT3162).

5.4.4. In zijn verweerschrift van 15 maart 2010 heeft UWV gemotiveerd aangegeven dat het ter zake van terugvordering de bestendige gedragslijn volgt die is ontleend aan artikel 14 van de Regeling huishoudelijke hulp GAK 1995. De

Raad heeft geen reden hieraan te twijfelen. Die bestendige gedragslijn, voor zover hier van belang, houdt in dat UWV zich bevoegd acht om hetgeen onverschuldigd is betaald geheel of gedeeltelijk terug te vorderen:

a) gedurende 5 jaren na de dag van betaalbaarstelling indien door toedoen van de persoon aan wie betding plaatsvond onverschuldigd is betaald, en

b) gedurende twee jaren na de betaalbaarstelling in de overige gevallen waarin het de persoon aan wie betaling plaatsvond redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat onverschuldigd betaald werd.

5.4.5. Naar het oordeel van de Raad komt UWV met het volgen van deze gedragslijn op zichzelf beschouwd niet in strijd met de in overweging 5.4.3 bedoelde andere rechtsbeginselen.

5.5. Gelet op hetgeen hiervoor onder 5.1 tot en met 5.4.5 is overwogen, treft het hoger beroep van appellante geen doel, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover deze is aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.

6. Ten aanzien van het besluit van 12 mei 2010 komt de Raad tot de volgende beoordeling.

6.1. De Raad stelt voorop dat het besluit van 12 mei 2010 moet worden aangemerkt als een besluit als bedoeld in artikel 6:18, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Aangezien dit besluit niet geheel aan het beroep van appellante tegemoetkomt, moet het beroep gelet op artikel 6:19, eerste lid, van de Awb in verbinding met artikel 6:24 van de Awb geacht worden mede te zijn gericht tegen dit besluit.

6.2. In lijn met hetgeen onder 5.1 is overwogen, begrijpt de Raad het besluit van 12 mei 2010 aldus dat UWV daarbij de herziening van de vergoeding voor huishoudelijke hulp in vergelijking met het door de rechtbank vernietigde besluit van

11 mei 2007 verder heeft beperkt tot de periode van 7 mei 2001 tot en met 25 augustus 2003 en die van 22 september 2003 tot en met 27 juni 2004 en de terugvordering over die periode nader vastgesteld op € 4.273,95.

6.3. Appellante heeft aangevoerd dat UWV haar ten onrechte niet voorafgaande aan het besluit van 12 mei 2010 heeft gehoord. Deze beroepsgrond treft geen doel. Artikel 7:2, eerste lid, van de Awb houdt niet een algemene verplichting in tot het opnieuw horen bij het nemen van een nieuw besluit op bezwaar ter uitvoering van een uitspraak van de rechtbank waarbij het eerdere besluit op bezwaar is vernietigd. Dat neemt niet weg dat het uit een oogpunt van zorgvuldigheid noodzakelijk kan zijn een belanghebbende bij het nemen van een nieuw besluit op bezwaar opnieuw te horen. Een zodanige situatie doet zich in dit geval echter niet voor. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat appellante op 12 juli 2006 en 5 december 2007 door UWV is gehoord met betrekking tot het samenstel van feiten en omstandigheden dat ook aan het nieuwe besluit op

bezwaar ten grondslag is gelegd.

6.4. Appellante heeft voorts aangevoerd dat UWV na de datum van de aangevallen uitspraak (25 november 2008) te lang heeft gewacht met het nemen van het besluit van 12 mei 2010 ter uitvoering van die uitspraak en dat appellante er daarom van uit mocht gaan dat UWV van het nemen van een nieuw besluit zou afzien. Ook deze beroepsgrond treft geen doel. Ofschoon de termijn voor het nemen van een besluit ter uitvoering van de aangevallen uitspraak op 12 mei 2010 reeds geruime tijd was verstreken, brengt dit gegeven geenszins mee dat appellante ervan mocht uitgaan dat UWV van het nemen van een nieuw besluit op bezwaar zou afzien. Ook voor zover appellante heeft aangevoerd dat UWV, gelet op de sinds de aangevallen uitspraak verstreken tijd, niet meer tot terugvordering mocht overgaan zonder in strijd te komen met het vertrouwensbeginsel, volgt de Raad appellante niet. Hij overweegt daartoe dat niet is gebleken van een uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en ongeclausuleerde toezegging van de zijde van UWV waarop een in rechte te honoreren beroep op het vertrouwensbeginsel kan worden gebaseerd.

6.5. De Raad is van oordeel dat UWV met het besluit van 12 mei 2010 op juiste wijze uitvoering heeft gegeven aan de aangevallen uitspraak. Aangezien tegen dit besluit, afgezien van de onder 6.3 en 6.4 besproken beroepsgronden, geen andere gronden zijn ingebracht dan die welke zijn ingebracht tegen de aangevallen uitspraak, moet het beroep tegen het besluit van 12 mei 2010 ongegrond worden verklaard.

7. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 12 mei 2010 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door H.C.P. Venema als voorzitter en H.J. de Mooij en J.J.A. Kooijman als leden, in tegenwoordigheid van J. Waasdorp als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 november 2010.

(get.) H.C.P. Venema.

(get.) J. Waasdorp.

RB