Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BO6880

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-11-2010
Datum publicatie
14-12-2010
Zaaknummer
08/5873 WMO + 08/6006 WMO + 08/6008 WMO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Eigen bijdrage zorg. Het CAK stelt de eigen bijdrage vast en int. Het College kan ter zake van deze rechtsvaststelling niet als belanghebbende worden aangemerkt, omdat dit een onaanvaardbare doorkruising van het wettelijk stelsel van bestuursrechtelijke bevoegdheden tot gevolg zou hebben. Dit betekent dat het hoger beroep van het College niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Delegatie van bevoegdheden. Het bij de oplegging van de eigen bijdrage gehanteerde uurtarief voor de verleende zorg.

Wetsverwijzingen
Wet maatschappelijke ondersteuning 15
Wet maatschappelijke ondersteuning 15
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2011/38
RSV 2011/45 met annotatie van C.W.C.A. Bruggeman, H.F. van Rooij
JWWB 2011/45
Gst. 2011/52 met annotatie van Kees-Willem (mr. C.W.C.A.) Bruggeman en Hans (mr. H.F.) van Rooij
ABkort 2010/426
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/5873 WMO

08/6006 WMO

08/6008 WMO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

[Betrokkene], wonende te [woonplaats], (hierna: betrokkene)

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Wijchen (hierna: College),

en

het Centraal Administratiekantoor Bijzondere Zorgkosten (hierna: CAK)

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 8 september 2008, 07/4389 en 08/54, (hierna: aangevallen uitspraak)

in de gedingen tussen:

betrokkene en het College

en

betrokkene en het CAK.

Datum uitspraak: 17 november 2010

I. PROCESVERLOOP

Betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank in het geding bij de rechtbank geregistreerd onder het nummer AWB 08/54.

Het College en het CAK hebben hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank in het geding bij de rechtbank geregistreerd onder het nummer AWB 07/4389. Betrokkene heeft in dit geding een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 september 2010. Betrokkene is niet verschenen. Voor het College zijn verschenen J.M.M. Geurts en drs. W.J.M. Peters. Voor het CAK is verschenen mr. L.C.A. van Eer.

II. OVERWEGINGEN

1.1. De Raad gaat uit van de volgende in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.2. Bij besluit van 15 april 2004 heeft het Regionaal Indicatieorgaan Nijmegen e.o. (RIO) betrokkene, geboren [in] 1945, voor de periode van 6 maart 2004 tot 6 maart 2007 geïndiceerd voor huishoudelijke verzorging (HV) op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ). Daarbij is zij ingedeeld in HV klasse 1 (0-1.9 uur per week).

1.3. Bij besluit van 22 februari 2007 heeft het College betrokkene medegedeeld dat met ingang van 1 januari 2007 de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) is ingevoerd, waardoor de gemeente voortaan verantwoordelijk is voor de verstrekking van hulp bij het huishouden. Daarbij heeft het College aangegeven dat aan betrokkene huishoudelijke hulp wordt toegekend over de periode van 7 maart 2007 tot en met 30 juni 2007 voor 3.30 uur in de week. Daarbij is voorts aangegeven dat voor deze hulp een - inkomens-afhankelijke - eigen bijdrage verschuldigd is. De voor de berekening van de eigen bijdrage noodzakelijke gegevens worden door zorgaanbieder Verian doorgegeven aan het CAK, waarna het CAK de verschuldigde eigen bijdrage bij betrokkene in rekening zal brengen.

1.4. Bij besluit van 4 juli 2007 heeft het College betrokkene over de periode van 1 juli 2007 tot en met 30 juni 2010 hulp bij het huishouden (HV1) toegekend voor 1.45 uur per week.

1.5. Bij brief van 22 december 2006 heeft de gemeente Wijchen aan het CAK opgave gedaan van de door de gemeente Wijchen bij hulp in het huishouden ingeschakelde zorgaanbieders en het door deze aanbieders gehanteerde uurtarief. Voor de zorgaanbieder Verian geldt als uurtarief voor HH1 € 14,10 en als uurtarief voor HH2 22,40.

1.6. Het CAK heeft de eigen bijdrage van betrokkene over januari, februari en maart 2007 aan haar gefactureerd op respectievelijk 20 maart 2007, 12 april 2007 en 9 mei 2007 en wel op basis van een uurtarief van € 12,20. Bij besluiten van

7 juni 2007 en 4 juli 2007 heeft het CAK de eigen bijdrage van betrokkene voor de in de periode 4 en periode 5 van 2007 geleverde huishoudelijke hulp (HH2) vastgesteld op basis van een uurtarief van € 22,40. Bij brief van 14 juni 2007 heeft betrokkene bij het CAK bezwaar gemaakt tegen het besluit van 7 juni 2007. Bij brief van 5 juli 2007 heeft betrokkene eveneens bezwaar gemaakt tegen het besluit van 4 juli 2007. Daarbij heeft zij bezwaar gemaakt tegen het feit dat het uurtarief voor de aan haar verleende hulp exorbitant is verhoogd.

1.7. Bij brief van 14 juni 2007 heeft betrokkene bij het College tevens bezwaar gemaakt tegen het besluit van

22 februari 2007. Daarbij heeft zij aangegeven dat zij zich realiseert dat haar bezwaar te laat is ingediend, maar dat in het besluit van 22 februari 2007 cruciale informatie over de prijs van de hulpverlening ontbreekt. In het besluit van

22 februari 2007 is niet aangegeven dat het uurtarief voor de huishoudelijke hulp € 22,40 bedraagt. Pas door de nota van het CAK van 7 juni 2007 is betrokkene geïnformeerd over de prijsstelling. Het tarief van € 22,40 is niet in verhouding met het in het maatschappelijk verkeer gebruikelijke uurtarief voor huishoudelijke hulp. Indien betrokkene dit eerder had geweten had zij niet voor hulp in natura maar voor een persoonsgebonden budget gekozen.

1.8. Betrokkene is op 3 september 2007 telefonisch gehoord, waarbij de hoorder betrokkene heeft verzocht kopieën van indicatie- en toekenningsbesluiten aan het CAK toe te zenden. Bij brief van 3 september 2007 heeft betrokkene afschriften overgelegd van het besluit van het RIO van 15 april 2004, waarbij zij is geïndiceerd voor HV klasse 1, van het besluit van het College van 22 februari 2007, waarbij aan haar huishoudelijke hulp is toegekend en van het besluit van het College van

4 juli 2007 waarbij aan haar hulp in het huishouden HV1 is toegekend.

1.9. Bij besluit van 27 september 2007 heeft het CAK het bezwaar van betrokkene tegen de besluiten van 7 juni 2007 en

4 juli 2007 ongegrond verklaard. Daarbij heeft het CAK aangegeven dat ingevolge artikel 41 van de Wmo voor personen die huishoudelijke verzorging ontvangen op basis van een indicatiebesluit dat voor 1 januari 2007 is afgegeven, het op het Bijdragebesluit Zorg gebaseerde uurtarief van € 12,20 geldt. Op grond van artikel 16d van het Bijdragebesluit Zorg bedroeg de eigen bijdrage een vast en voor alle verzekerden gelijk bedrag per uur. Ingevolge het besluit van 22 februari 2007 dient de eigen bijdrage met ingang van 7 maart 2007 evenwel te worden berekend op basis van het door de gemeente Wijchen aan het CAK opgegeven uurtarief. Het door de gemeente opgegeven uurtarief is voor het CAK een gegeven en het CAK beoordeelt niet de rechtmatigheid van dit tarief. Voorts is daarbij aangegeven dat de eigen bijdrage die betrokkene in een bepaalde periode dient te betalen nooit hoger is dan de maximale eigen bijdrage per periode. Tegen het besluit waarbij het CAK de maximale eigen bijdrage voor betrokkene per periode op € 628,19 heeft vastgesteld - welk besluit op of omstreeks

12 mei 2007 aan betrokkene is verzonden - heeft betrokkene geen bezwaar gemaakt. Verian heeft aan het CAK opgegeven dat betrokkene zowel in de periode 4, als in de periode 5 van 2007 zeven uren maatschappelijke ondersteuning (huishoudelijke verzorging 2) heeft ontvangen. Nu betrokkene geen bezwaar heeft gemaakt tegen het aantal geleverde zorguren is er voor het CAK geen reden aan te nemen dat de zorgaanbieder onjuiste gegevens heeft aangeleverd.

1.10. Bij besluit van 4 december 2007 heeft het College het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 22 februari 2007 wegens overschrijding van de bezwaartermijn niet-ontvankelijk verklaard.

2.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene tegen het besluit van 27 september 2007 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en de besluiten van het CAK van 7 juni 2007 en 4 juli 2007 herroepen. De rechtbank heeft daarbij geoordeeld dat artikel 15, eerste lid, van de Wmo tot gevolg heeft dat het College niet bevoegd was de hoogte van de eigen bijdrage vast te stellen en dat artikel 3.2. van het Besluit voorzieningen maatschappelijke ondersteuning 2007 gemeente Wijchen in zoverre onverbindend is. Naar het oordeel van de rechtbank volgt hieruit tevens dat het CAK niet bevoegd is de eigen bijdrage van betrokkene met inachtneming van de onverbindende regeling vast te stellen. Het beroep van betrokkene tegen het besluit van 4 december 2007 heeft de rechtbank ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat zich geen omstandigheden voordoen op grond waarvan de overschrijding van de bezwaartermijn verschoonbaar kan worden geacht. Daarbij heeft de rechtbank nog overwogen dat betrokkene in essentie alleen bezwaar heeft tegen de hoogte van de opgelegde eigen bijdrage en dat zij door haar bezwaar tegen de facturen van het CAK de juistheid van de hoogte van de eigen bijdrage, en daarmee ook de juistheid van het gehanteerde uurtarief, ten volle aan de orde heeft kunnen stellen.

2.2. Partijen hebben zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd. Het CAK en het College hebben aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geconcludeerd dat de in artikel 8 van de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning Wijchen 2007 (hierna: Vmo) opgenomen delegatie aan het College in strijd is met artikel 15, eerste lid, van de Wmo. Betrokkene heeft aangegeven dat indien het hoger beroep van het CAK en het College in de zaak, bij de rechtbank geregistreerd onder het nummer AWB 07/4389, slaagt, haar hoger beroep in de zaak bij de rechtbank geregistreerd onder het nummer AWB 08/54 materieel van belang is.

3.1. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Regelgeving

3.1.1. Artikel 15 van de Wmo luidt:

“1. De gemeenteraad kan bij verordening bepalen dat een persoon van 18 jaren of ouder aan wie maatschappelijke ondersteuning is verleend, voor zover die ondersteuning bestaat uit het verlenen van een individuele voorziening in natura of een persoonsgebonden budget waaronder de vergoeding voor een arbeidsverhouding als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 en niet bestaat uit een aan hem verleende financiële tegemoetkoming, een eigen bijdrage is verschuldigd.

2. De hoogte van de eigen bijdrage kan voor de verschillende soorten van maatschappelijke ondersteuning verschillend worden vastgesteld en mede afhankelijk gesteld worden van het inkomen van degene aan wie maatschappelijke ondersteuning is verleend en van zijn echtgenoot.

3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de eigen bijdrage.”

3.1.2. De in artikel 15, derde lid, van de Wmo voorziene algemene maatregel van bestuur is het Besluit maatschappelijke ondersteuning van 2 oktober 2006 (Bmo). Artikel 4.1., eerste en tweede lid, van het Bmo luidt:

“1. Indien de gemeenteraad uitvoering heeft gegeven aan artikel 15, eerste lid, of artikel 19, eerste lid, van de wet, mogen de verschuldigde eigen bijdrage en het aandeel in de kosten van maatschappelijke ondersteuning dat bij de toekenning van een financiële tegemoetkoming voor eigen rekening blijft, tezamen niet meer bedragen dan

a. voor de ongehuwde persoon jonger dan 65 jaar € 17,60 per vier weken, met dien verstande dat indien zijn inkomen meer bedraagt dan € 22 222 het bedrag van € 17,60 wordt verhoogd met een dertiende deel van 15% van het verschil tussen zijn inkomen en € 22 222;

b. voor de ongehuwde persoon van 65 jaar of ouder € 17,60 per vier weken, met dien verstande dat indien zijn inkomen meer bedraagt dan €15 256 het bedrag van € 17,60 wordt verhoogd met een dertiende deel van 15% van het verschil tussen zijn inkomen en € 15 256;

c. voor de gehuwde personen indien een van beiden jonger is dan 65 jaar of beiden jonger zijn dan 65 jaar € 25,20 per vier weken, met dien verstande dat indien hun gezamenlijke inkomen meer bedraagt dan € 27 222 het bedrag van € 25,20 wordt verhoogd met een, dertiende deel van 15% van het verschil tussen hun gezamenlijke inkomen en € 27 222;

d. voor de gehuwde personen die beiden 65 jaar of ouder zijn € 25,20 per vier weken, met dien verstande dat indien hun gezamenlijke inkomen meer bedraagt dan € 21 058 het bedrag van € 25,20 wordt verhoogd met een dertiende deel van 15% van het verschil tussen hun gezamenlijke inkomen en € 21 058.

2. De gemeenteraad kan de verschuldigde eigen bijdrage of het aandeel in de kosten van maatschappelijke ondersteuning dat bij de toekenning van een financiële tegemoetkoming voor eigen rekening blijft, verlagen door het bedrag van € 17,60, het bedrag van € 25,20 of het percentage van 15 te verlagen of de overige in het eerste lid genoemde bedragen in gelijke mate wijzigen.”

3.1.3. Artikel 4.2. van het Bmo luidt:

“1. Het inkomen, bedoeld in artikel 4.1., eerste lid, is het inkomensgegeven, bedoeld in artikel 21, onderdeel e, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen over het peiljaar.

2. Inkomen dat in het buitenland wordt belast, dan wel is vrijgesteld van belasting op grond van bepalingen van internationaal recht, wordt mede in aanmerking genomen als ware dit aan de Nederlandse belastingwetgeving onderworpen.

3. In afwijking van het eerste lid vindt op aanvraag van de persoon aan wie maatschappelijke ondersteuning is verleend een voorlopige vaststelling van het bijdrageplichtig inkomen plaats, indien redelijkerwijs te verwachten is dat het inkomen in het lopende jaar ten minste € 1816 lager zal zijn dan het inkomen, bedoeld in het eerste lid.

4. Indien het derde lid is toegepast, vindt na afloop van het jaar definitieve vaststelling van het bijdrageplichtig inkomen over dat jaar plaats. Indien daarbij blijkt dat het bijdrageplichtig inkomen minder dan € 1816 lager is geweest dan het inkomen, bedoeld in het eerste lid, vindt definitieve vaststelling plaats overeenkomstig het eerste lid.

3.1.4. Artikel 21, aanhef en onderdeel e, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen luidt:

“In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: (…)

e. inkomensgegeven:

1°. indien over een kalenderjaar een aanslag of navorderingsaanslag inkomstenbelasting is of wordt vastgesteld: het na afloop van dat kalenderjaar van betrokkene over dat kalenderjaar laatst bepaalde verzamelinkomen;

2°. indien over een kalenderjaar geen aanslag of navorderingsaanslag inkomstenbelasting is of wordt vastgesteld: het na afloop van dat kalenderjaar van betrokkene over dat kalenderjaar laatst bepaalde belastbare loon; (…)”

3.1.5. Artikel 16 van de Wmo luidt:

“Een eigen bijdrage wordt vastgesteld en geïnd door een door Onze Minister aan te wijzen rechtspersoon.”

3.1.6. Artikel 2 van der Regeling maatschappelijk ondersteuning van 14 december 2006 luidt:

1. Als rechtspersoon als bedoeld in artikel 16 van de wet wordt aangewezen het centraal administratiekantoor, bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van het Administratiebesluit Bijzondere Ziektekostenverzekering.

3.1.7. Artikel 8 van de Vmo luidt:

“Bij het verstrekken van de individuele voorzieningen zoals bedoeld in hoofdstuk 3 en hoofdstuk 4 van de verordening is de aanvrager een eigen bijdrage verschuldigd of wordt de financiële tegemoetkoming afgestemd op het inkomen. Het college legt in het Besluit voorzieningen maatschappelijk ondersteuning gemeente Wijchen vast in welke gevallen de eigen bijdrage en het eigen aandeel wordt opgelegd en regelt de omvang van deze eigen bijdrage en het eigen aandeel met inachtneming van het Besluit maatschappelijke ondersteuning (AmvB).”

3.1.8. Artikel 3.1. van het Besluit voorzieningen maatschappelijk ondersteuning gemeente Wijchen luidt:

“Bij het verstrekken van individuele voorzieningen in de vorm van hulp bij het huishouden en bij woningaanpassingen van meer dan € 20.420,- is de aanvrager een eigen bijdrage verschuldigd of wordt de financiële tegemoetkoming afgestemd op het inkomen van de aanvrager.

3.1.9. Artikel 3.2. van het Besluit voorzieningen maatschappelijk ondersteuning gemeente Wijchen luidt:

“1. Het bedrag dat ongehuwde personen jonger dan 65 dienen te betalen bij vier weken bedraagt:

- € 16,60 en

- 15 % van het inkomen boven € 16.137 gedeeld door dertien.

2. Het bedrag dat ongehuwde personen van 65 jaar of ouder dienen te betalen per vier weken bedraagt:

- € 16,60 en

- 15 % van het inkomen boven de € 14.162 gedeeld door dertien.

3. Het bedrag dat de gehuwde personen, die beiden jonger zijn dan 65 jaar of één van beiden jonger is dan 65 jaar, dienen te betalen vier weken bedraagt:

- € 23,80 en

- 15 % van het inkomen boven € 20.810 gedeeld door dertien.

4. Het bedrag dat gehuwde personen, die beiden 60 jaar of ouder zijn, dienen te betalen per vier weken bedraagt:

- € 23,80 en

- 15 van het inkomen boven € 19.837 gedeeld door dertien.

5. Onder inkomen in dit artikel wordt verstaan het inkomen als bedoeld in artikel 4.2. van het Besluit maatschappelijke ondersteuning (Algemene maatregel van bestuur) (...)”

Het hoger beroep van het College in de zaak bij de rechtbank geregistreerd onder het nummer AWB 07/4389

3.2. Het College heeft ter zitting desgevraagd aangegeven dat nu de rechtbank heeft geoordeeld dat het door hem uitgevaardigde artikel 3.2. van het Besluit voorzieningen maatschappelijke ondersteuning verbindende kracht mist, zij belanghebbende is in de zin van artikel 18, eerste lid, van de Beroepswet. De Raad stelt vast dat ingevolge artikel 16 van de Wmo, in verbinding met artikel 2 van de Regeling maatschappelijk ondersteuning van 14 december 2006, het CAK de eigen bijdrage vaststelt en int. Naar het oordeel van de Raad kan het College ter zake van deze rechtsvaststelling niet als belanghebbende worden aangemerkt, omdat dit een onaanvaardbare doorkruising van het wettelijk stelsel van bestuursrechtelijke bevoegdheden tot gevolg zou hebben. Dit betekent dat het hoger beroep van het College niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

Het hoger beroep van het CAK in de zaak bij de rechtbank geregistreerd onder het nummer AWB 07/4389

Delegatie van bevoegdheden

3.3. De Raad begrijpt artikel 15, eerste lid, van de Wmo aldus dat de wetgever daarin tot uitdrukking heeft gebracht dat de gemeenteraad bevoegd is te bepalen of de in deze bepaling omschreven persoon een eigen bijdrage verschuldigd is voor de aan hem verleende maatschappelijke ondersteuning. De gemeenteraad heeft met artikel 8 van de Vmo van deze bevoegdheid gebruikt gemaakt. Anders dan de rechtbank ziet de Raad geen aanleiding te oordelen dat de in artikel 8 van de Vmo aan het College gegeven opdracht tot nadere regelgeving in strijd is met artikel 15, eerste lid, van de Wmo. Bij dit oordeel neemt de Raad enerzijds de tekst van artikel 15, eerste lid, van de Wmo in aanmerking en anderzijds het feit dat de hoogte van de vast te stellen eigen bijdrage wordt begrensd door het op artikel 15, derde lid, van de Wmo gebaseerde artikel 4.1. van het Bmo. Gelet hierop verzet de aard van de bevoegdheid zich niet tegen de opdracht tot nadere regelgeving aan het College. Hieruit volgt dat de uitspraak van de rechtbank in het geding bij de rechtbank geregistreerd onder het nummer AWB 07/4389 voor vernietiging in aanmerking komt.

3.4. Tussen partijen is niet in geschil de maximale eigen bijdrage per periode zoals deze door het CAK is vastgesteld, maar uitsluitend het bij de oplegging van de eigen bijdrage over de periodes 4 en 5 van 2007 gehanteerde uurtarief voor de door Verian verleende zorg. In dat verband is de vraag aan de orde of het CAK zich bij het bestreden besluit terecht op het standpunt heeft gesteld dat het door de gemeente Wychen aan haar opgegeven uurtarief, en de door zorgaanbieder Verian verstrekte gegevens, voor haar een gegeven zijn en zij niet gerechtigd is de rechtmatigheid en juistheid hiervan te beoordelen. De Raad stelt voorop dat uit het wettelijke systeem volgt dat het CAK in het kader van de primaire besluitvorming in beginsel mag uitgaan van de door de gemeente en Verian verstrekte gegevens over de verleende zorg. Dit neemt evenwel niet weg dat een uit een gemotiveerde betwisting blijkende kennelijke fout van Verian en/of de gemeente door het CAK moet worden geredresseerd. Betrokkene heeft in bezwaar - desgevraagd - de achtereenvolgende indicatie- en toekenningsbeschikkingen inzake huishoudelijke hulp overgelegd. Naar het oordeel van de Raad heeft betrokkene hiermee gerede twijfel gezaaid over de juistheid van de opgave van Verian, inhoudende dat het uurtarief HH2 in plaats van het uurtarief HH1 dient te worden gehanteerd. Het CAK heeft in het licht hiervan, mede gelet op het besluit van 22 februari 2007 van het College, onvoldoende gemotiveerd waarom van de juistheid van de door Verian aangeleverde gegevens kan worden uitgegaan. Ook de Raad komt derhalve - zij het op andere gronden dan de rechtbank - tot de conclusie dat het beroep van betrokkene tegen het besluit van 27 september 2007 gegrond dient te worden verklaard. Dit besluit dient dan ook wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te worden vernietigd. De Raad ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien. In het besluit van 22 februari 2007 van het College staat vermeld dat in de overgangssituatie, waarin

het college nog bezig was met de afronding van de Europese aanbesteding en het contracteren van zorgaanbieders om de hulp bij het huishouden te leveren, ervoor is gekozen om de hulp bij het huishouden van een persoon als betrokkene ongewijzigd voort te zetten. Op grond hiervan mocht betrokkene erop vertrouwen dat ook het tarief van deze zorg - waarover een eigen bijdrage wordt berekend - ongewijzigd zou blijven.

Het hoger beroep van betrokkene in de zaak bij de rechtbank geregistreerd onder nummer AWB 08/54

3.5. Uit hetgeen overwogen is onder 3.4 vloeit voort dat appellante geen procesbelang meer heeft bij een oordeel van de Raad over de niet-ontvankelijkverklaring van haar bezwaar tegen het besluit van 22 februari 2007. Dit betekent dat het hoger beroep van appellante niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

4. Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het hoger beroep van het College in de zaak bij de rechtbank geregistreerd onder nummer 07/4389 niet-ontvankelijk;

Verklaart het hoger beroep van betrokkene in de zaak bij de rechtbank geregistreerd onder 08/54 niet-ontvankelijk;

Vernietigt deze uitspraak van de rechtbank in de zaak bij de rechtbank geregistreerd onder nummer 07/4389;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 27 september 2007;

Herroept de besluiten van 7 juni 2007en 4 juli 2007;

Bepaalt dat de eigen bijdragen voor de perioden 4 en 5 van het jaar 2007 € 85,40 per periode bedraagt.

Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en G.M.T. Berkel-Kikkert en H.J. de Mooij als leden, in tegenwoordigheid van B. Bekkers als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 november 2010.

(get.) R.M. van Male.

(get.) B. Bekkers.

IJ