Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BO6538

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-11-2010
Datum publicatie
08-12-2010
Zaaknummer
08/5782 WWB + 08/5793 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstand. Appellante kon niet als ongehuwd in de zin van artikel 3, tweede lid, onder b, van de WWB worden aangemerkt en derhalve geen recht had op bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder. Schending inlichtingenverplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/5782 WWB

08/5793 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante] en [appellant], beiden wonende te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 22 augustus 2008, 07/3776 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellanten

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 30 november 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. P. Hanenberg, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 oktober 2010. Appellanten zijn verschenen, bijgestaan door

mr. Hanenberg. Het College heeft zich, zoals tevoren bericht, niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellanten zijn sinds [1992] met elkaar gehuwd. Hoewel [in] 1995 de echtscheiding tussen appellanten is uitgesproken, is de echtscheiding niet in de registers van de burgerlijke stand ingeschreven, zodat het huwelijk tussen appellanten niet is ontbonden. Naar aanleiding van een door haar gestelde verbreking van de relatie met appellant, ontving appellante sinds 13 augustus 1998 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB), naar de norm voor een alleenstaande ouder. Uit het huwelijk van appellanten zijn vijf kinderen geboren, waarvan, voor zover hier van belang, het laatste kind is geboren [in] 2003.

1.2. Naar aanleiding van enkele anonieme tips dat appellante samenwoont met appellant, heeft de Afdeling Bijzondere Onderzoeken, Sociale Zaken en Werkgelegenheid, van de Regiopolitie Rotterdam-Rijnmond onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader is dossieronderzoek verricht, zijn observaties uitgevoerd, zijn inlichtingen ingewonnen bij diverse instanties en zijn appellanten verhoord. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 3 april 2007. De onderzoeksresultaten zijn voor het College aanleiding geweest om bij besluit van 20 april 2007 de bijstand van appellante over de periode van 1 oktober 2001 tot en met

31 januari 2007 in te trekken en de over deze periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 80.256,74 van appellanten terug te vorderen. Bij besluit van eveneens 20 april 2007 heeft het College de aan appellante verstrekte bijzondere bijstand over de periode van 1 januari 2002 tot en met 30 november 2006 ingetrokken en de ten onrechte verstrekte bijstand tot een bedrag van € 6.260,65 van appellanten teruggevorderd. Aan beide besluiten ligt ten grondslag dat appellante, zonder daarvan aan het College melding te maken, in de periode van 1 oktober 2001 tot en met 31 januari 2007 een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met appellant en appellant in deze periode verdiensten uit arbeid heeft genoten die gelijk of hoger waren dan de voor appellanten geldende bijstandsnorm, en sinds 10 oktober 2001 samen met appellant eigenaar is van een woning op het adres [adres] te [plaatsnaam].

1.3. Bij besluit van 19 september 2007 heeft het College het bezwaar van appellanten tegen de beide besluiten van 20 april 2007 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, met bepalingen over griffierecht en proceskosten, het beroep van appellanten tegen het besluit van 19 september 2007 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de intrekking op een onjuiste grondslag berust, aangezien appellanten ten tijde in geding met elkaar waren gehuwd en het College had moeten beoordelen of in de situatie van appellanten sprake was van duurzaam gescheiden levende echtgenoten. De beslissing van de rechtbank tot instandlating van de rechtsgevolgen berust op het oordeel dat appellanten in de in geding zijnde periode niet duurzaam van elkaar gescheiden leefden.

3. Appellanten hebben zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 19 september 2007 in stand zijn gelaten. Appellanten bestrijden het oordeel van de rechtbank dat in de periode van 1 oktober 2001 tot en met 31 november 2006 (hierna: periode in geding) sprake was van duurzaam gescheiden leven.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De rechtbank heeft terecht vastgesteld dat, nu appellanten in de periode van 1 oktober 2001 tot en met 31 januari 2007 met elkaar gehuwd waren, dient te worden beoordeeld of appellante niettemin als ongehuwde in de zin van de WWB moest worden aangemerkt.

4.2. Ingevolge artikel 3, tweede lid, aanhef en onder b, van de WWB wordt als ongehuwd mede aangemerkt degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij is gehuwd. Volgens vaste rechtspraak van de Raad - zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 17 februari 2009, LJN BH4372 - is sprake van duurzaam gescheiden leven in de zin van de bedoelde bepaling indien het betreft een door betrokkenen of door een van hen gewilde verbreking van de echtelijke samenleving waardoor ieder van hen afzonderlijk zijn eigen leven leidt als ware hij niet met de ander gehuwd en deze door (een van) hen als bestendig is bedoeld. Daarbij zijn eveneens naar vaste rechtspraak van de Raad - zie bijvoorbeeld zojuist genoemde uitspraak - de omstandigheden die tot een bepaalde leefvorm hebben geleid, de motieven van de betrokkenen en de aard van hun onderlinge relatie niet van belang.

4.3. De Raad is van oordeel dat in de situatie van appellanten op grond van de hierna genoemde feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, in de periode in geding niet kan worden gesproken van duurzaam gescheiden levende echtgenoten in voormelde zin.

4.3.1. De Raad neemt in de eerste plaats in aanmerking dat appellanten op 5 oktober 2001 een offerte op beiden naam hebben gekregen voor een hypotheek in verband met de koop van de woning aan de [adres] te [plaatsnaam] (hierna: de woning). Voorts blijkt uit de gedingstukken dat appellanten de woning op 10 oktober 2001 hebben gekocht, in juni 2002 een verzekering ten behoeve van de woning hebben afgesloten, bij akte van 31 mei 2002 het onroerend goed geleverd hebben gekregen, welke akte van levering tezamen met de hypotheekakte op 3 juni 2002 is ingeschreven in de registers van het kadaster, en op 3 juni 2002 het recht op erfpacht hebben verkregen. De stelling van appellanten dat zij de betreffende akten samen hebben ondertekend, omdat zij nog gehuwd zijn, en dat het enkel zou gaan om formaliteiten en standaardbepalingen, kan hen niet baten. Voorts acht de Raad van betekenis dat appellanten gedurende de gehele periode in geding eigenaar zijn geweest van de woning en niet aannemelijk is geworden dat zij niet de intentie hadden om samen en met hun kinderen in de woning te wonen.

4.3.2. Bij het voorgaande betrekt de Raad dat appellante heeft verklaard dat ze in de periode in geding elke dag in de woning aanwezig was en dat uit de verklaringen van enkele buurtbewoners volgt dat appellanten en hun kinderen sinds 2001 als gezin hebben samengeleefd. Voorts neemt de Raad in aanmerking dat appellante [in] 2003 is bevallen van een vijfde kind en dat appellanten hebben verklaard dat ook dit kind van hen beiden is. De enkele stelling van appellanten dat appellant het kind weliswaar heeft erkend, maar dat zij geen zekerheid hebben over het vaderschap, brengt de Raad niet tot een ander oordeel.

4.4. Uit het voorgaande volgt dat appellante in de periode in geding niet als ongehuwd in de zin van artikel 3, tweede lid, onder b, van de WWB kon worden aangemerkt en derhalve geen recht had op bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder.

4.5. Appellante heeft aan het College geen juiste inlichtingen verstrekt over haar gezinssituatie. Daarmee heeft zij de op haar rustende wettelijke inlichtingenverplichting geschonden. Het College was dan ook op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd de bijstand van appellante over de periode in geding in te trekken.

4.6. De Raad kan voorts het standpunt van appellanten dat de intrekking van de bijstand over de periode in geding in strijd is met het rechtszekerheidbeginsel niet volgen. Weliswaar blijkt uit de stukken dat er reeds op 8 december 2004 een anonieme tip is binnengekomen dat appellanten samenwonen, dat het College in november 2005 nader onderzoek heeft gedaan naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand en dat dit onderzoek toen niet tot nadere besluitvorming heeft geleid, maar dat wil niet zeggen dat het College in 2007 niet meer tot intrekken bevoegd was, te minder nu appellante zelf de op haar rustende inlichtingenverplichting niet is nagekomen.

4.7. Hetgeen hiervoor is overwogen leidt tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en R.H.M. Roelofs en N.M. van Waterschoot als leden, in tegenwoordigheid van J. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 november 2010.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) J. de Jong.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip duurzaam gescheiden leven.

HD