Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BO6537

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-11-2010
Datum publicatie
07-12-2010
Zaaknummer
10/47 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Schending inlichtingenverplichting. Autohandel. Verzwegen inkomsten uit arbeid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/47 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 18 december 2009, 08/1401 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het Dagelijks bestuur van de Regionale Sociale Dienst Kromme Rijn Heuvelrug (hierna: Dagelijks Bestuur)

Datum uitspraak: 30 november 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. E. Th. Hummels, advocaat te Zeist, hoger beroep ingesteld.

Het Dagelijks Bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 oktober 2010. Voor appellante is mr. Hummels verschenen. Het Dagelijks Bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door A.C. Hoogendoorn, werkzaam bij de Regionale Sociale Dienst Kromme Rijn Heuvelrug.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontvangt een uitkering ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder.

1.2. Bij besluit van 18 maart 2005 (hierna: besluit 1), na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 18 oktober 2005, heeft het College van burgemeester en wethouders van de gemeente De Bilt de bijstand van appellante over de periode van 24 juni 2000 tot en met 31 juli 2004 ingetrokken. De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van 18 oktober 2005 ongegrond verklaard.

1.3. Bij uitspraak van 9 oktober 2007, LJN BB5692, heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank vernietigd, het beroep tegen het besluit van 18 oktober 2005 gegrond verklaard en het College opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van zijn uitspraak. De Raad overwoog in die uitspraak onder meer het volgende:

“Volgens vaste rechtspraak van de Raad rechtvaardigt het gegeven dat het kentekenbewijs van een auto op naam van een betrokkene staat, de vooronderstelling dat deze auto een bestanddeel vormt van diens vermogen waarover hij daadwerkelijk de beschikking heeft of redelijkerwijs kan beschikken. In een dergelijke situatie is het vervolgens aan de betrokkene in genoegzame mate aan te tonen dat het tegendeel het geval is. Appellante heeft haar stelling dat enkele van de hier bedoelde auto’s gedurende de tijd dat de kentekens daarvan op haar naam stonden eigendom waren van [M.] niet aannemelijk gemaakt.”(...)

“Gelet op de beschikbare gegevens acht de Raad het aannemelijk dat appellante inkomsten in verband met de overdracht van de auto’s heeft verworven of redelijkerwijs heeft kunnen verwerven in de maanden waarin de registraties bij de RDW zijn beëindigd. Aangezien controleerbare gegevens hierover ontbreken kan, als gevolg van schending van de inlichtingenverplichting, over die maanden het recht op algemene bijstand niet (meer) worden vastgesteld.

Nu het recht op algemene bijstand in beginsel per kalendermaand moet worden vastgesteld en er geen concrete aanwijzingen zijn dat appellante in de overige maanden inkomsten heeft verworven of redelijkerwijs heeft kunnen verwerven, is er naar het oordeel van de Raad onvoldoende grond om aan te nemen dat het recht op bijstand (ook) niet kan worden vastgesteld over maanden waarin weliswaar kentekens op naam van appellante stonden geregistreerd, maar waarin geen overdracht door appellante aan een derde heeft plaatsgevonden.”

1.4.1. Bij besluit van 22 augustus 2007 (hierna: besluit 2) heeft het Dagelijks Bestuur de bijstand van appellante over de perioden van 8 juni 1993 tot en met 23 juni 2000 en van 1 juli 2004 tot en met 19 juni 2006 ingetrokken.

1.4.2. Bij besluit van 9 oktober 2007 (hierna: besluit 3) heeft het Dagelijks Bestuur de over de perioden van 1 juli 1997 tot en met 23 juni 2000 en van 1 juli 2004 tot en met 19 juni 2006 gemaakte kosten van bijstand van appellante teruggevorderd.

1.4.3. Bij afzonderlijk besluit van dezelfde datum (hierna: besluit 4) heeft het Dagelijks Bestuur de over de periode van 24 juni 2000 tot en met 31 juli 2004 gemaakte kosten van bijstand van appellante teruggevorderd.

1.5. Het Dagelijks Bestuur heeft bij besluit van 13 maart 2008 ter uitvoering van de uitspraak van de Raad van 9 oktober 2007 opnieuw beslist op het bezwaar van appellante tegen besluit 1. Bij datzelfde besluit is een beslissing genomen op de bezwaren van appellante tegen de besluiten 2, 3 en 4. Het Dagelijks Bestuur heeft de bezwaren gedeeltelijk gegrond verklaard en de besluiten 1 tot en met 4 in zoverre herroepen dat de bijstand van appellante wordt ingetrokken over de maanden juli 1997, februari 1998, juli 2000, januari en maart 2001, 23 oktober 2001 tot en met 31 december 2001, juni en juli 2002, januari, april en oktober 2003, juli 2004 en mei 2005 (hierna: transactiemaanden). Over de maanden oktober 2000 tot en met februari 2001 heeft het Dagelijks Bestuur de bijstand ingetrokken op de grond dat appellante in die periode schoonmaakwerkzaamheden heeft verricht zonder dit aan het Dagelijks Bestuur op te geven met als gevolg dat het recht op bijstand over die periode niet is vast te stellen. De als gevolg van de intrekking van de bijstand te veel ontvangen bijstand wordt van appellante teruggevorderd tot een bedrag van in totaal € 24.927,74.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 13 maart 2008 ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante betwist dat zij de inlichtingenverplichting heeft geschonden en dat zij juridisch eigenaar was van de auto’s die op haar naam stonden. Zij vindt het intrekken en terugvorderen over de transactiemaanden buitenproportioneel. In dat verband heeft appellante zich ter zitting van de Raad beroepen op de uitspraak van de Raad van 21 april 2009, LJN BH9423. Ook de intrekking en terugvordering over de periode waarin zij geringe schoonmaakwerkzaamheden niet heeft opgegeven staat volgens appellante niet in verhouding tot de aard en de omvang van deze werkzaamheden. Zij stelt in die periode ongeveer drie uur per week werkzaamheden te hebben verricht waarvoor zij ook nog eens niet altijd betaling ontving.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.1. De Raad stelt voorop dat het besluit van 13 maart 2008, voor zover daarbij opnieuw is beslist op het bezwaar van appellant tegen besluit 1, is genomen ter uitvoering van de uitspraak van de Raad van 9 oktober 2007. De bestuursechter dient zich bij de beoordeling van dat onderdeel van het besluit van 13 maart 2008 te beperken tot de vraag of bij dat besluit een juiste uitvoering is gegeven aan die uitspraak. In dat kader is er geen ruimte voor het beoordelen van de beroepsgronden van appellante dat zij in de maanden juli 2000, januari en maart 2001, 23 oktober 2001 tot en met 31 december 2001, juni en juli 2002, januari, april en oktober 2003 en juli 2004 de inlichtingenverplichting niet heeft geschonden en dat zij geen juridisch eigenaar was van de auto’s die op haar naam stonden. Deze gronden hebben namelijk betrekking op de vraag of appellante over die perioden recht op bijstand had, over welke vraag de Raad in de uitspraak van 9 oktober 2007 al een definitief oordeel heeft gegeven.

4.1.2. Naar het oordeel van de Raad heeft het Dagelijks Bestuur op een juiste wijze uitvoering gegeven aan de uitspraak van 9 oktober 2007. In het bijzonder heeft het Dagelijks Bestuur de intrekking in verband met de tenaamstelling van in auto’s overeenstemming met die uitspraak beperkt tot de maanden waarin transacties met auto’s hebben plaatsgevonden.

4.2. De Raad ziet geen aanleiding om bij de beoordeling van de vraag of in de drie overige transactiemaanden, te weten juli 1997, februari 1998 en mei 2005, sprake is geweest van schending van de inlichtingenverplichting waardoor het recht op bijstand niet is vast te stellen, een andere benadering te kiezen dan hij in zijn uitspraak van 9 oktober 2007 heeft gedaan. Hiervan uitgaande stelt de Raad vast dat in die maanden registraties bij de RDW van auto’s op naam van appellante zijn beëindigd, dat zij van die registraties in strijd met de op haar rustende inlichtingenverplichting geen mededeling heeft gedaan en dat, nu controleerbare gegevens over de hieruit verworven inkomsten ontbreken, als gevolg hiervan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Dat betekent dat het Dagelijks Bestuur ook bevoegd was de bijstand van appellante over deze maanden in te trekken.

4.3. Niet in geschil is dat appellante van oktober 2000 tot en met februari 2001 schoonmaakwerkzaamheden heeft verricht en dat zij deze werkzaamheden noch de daaruit verkregen inkomsten heeft opgegeven. Naar vaste rechtspraak van de Raad levert schending van de inlichtingenverplichting een rechtsgrond op voor intrekking van bijstand, indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of, en zo ja in hoeverre, de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat in geval wel aan de inlichtingenverplichting zou zijn voldaan over de betreffende periode recht op (aanvullende) bijstand bestond. Appellante is daarin niet geslaagd, nu zij met betrekking tot de gestelde omvang van de werkzaamheden en de inkomsten die zij heeft genoten geen concrete en verifieerbare gegevens heeft verstrekt. Dit brengt mee dat als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting niet is vast te stellen of zij over de periode van oktober 2000 tot en met februari 2001 in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde.

4.4. Het voorgaande brengt mee dat het Dagelijks Bestuur bevoegd was de bijstand van appellante over de onder 1.5 genoemde perioden met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB in te trekken. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het Dagelijks Bestuur niet in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

4.5. Uit het onder 4.4 gegeven oordeel volgt dat het Dagelijks Bestuur ook bevoegd was de over de hiervoor vermelde maanden gemaakte kosten van bijstand van appellante terug te vorderen. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Raad geen dringende redenen als bedoeld in het beleid van het Dagelijks Bestuur inzake terugvordering van bijstand om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Het beroep van appellante op de uitspraak van de Raad van 21 april 2009, LJN BH9423, faalt, omdat die uitspraak, anders dan in het geval van appellante, betrekking heeft op het hanteren van het terugvorderingsbeleid bij vermogen boven de vrijlatingsgrens. De Raad ziet in hetgeen appellante heeft aangevoerd geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan het Dagelijks Bestuur van het terugvorderingsbeleid had moeten afwijken. De door appellante aangevoerde stelling dat zij zelf ook slachtoffer is omdat zij heeft gehandeld onder druk van derden en dat zij niet in staat is het teruggevorderde bedrag terug te betalen kan niet als een zodanige bijzondere omstandigheid worden aangemerkt.

4.6. Uit het voorgaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en R.H.M. Roelofs en N.M. van Waterschoot als leden, in tegenwoordigheid van J. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 november 2010.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) J. de Jong.