Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BO6525

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-11-2010
Datum publicatie
07-12-2010
Zaaknummer
08/544 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging, inrekking en terugvordering bijstand. Niet overleggen van de gevraagde gegevens. Schending inlichtingenverplichting. Recht op bijstand is niet vast te stellen. Nu appellant de bedrijfsadministratie, aan de hand waarvan dat - mogelijk - wel zou kunnen worden nagegaan, niet heeft overgelegd en aldus geen volledige opening van zaken heeft gegeven, valt niet te beoordelen of appellant in die periode in bijstandbehoevende omstandigheden heeft verkeerd. Het College handhaaft de wettelijke grondslag van het besluit van 21 maart 2007, voor zover het de terugvordering betreft, niet langer. Het besluit van 9 maart 2010, voor zover het de terugvordering betreft, kan de rechterlijke toetsing doorstaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/544 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 7 december 2007, 07/1588 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Hellevoetsluis (hierna: College)

Datum uitspraak: 30 november 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. H. Martens, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Nadien hebben partijen nog nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 januari 2010. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Martens. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.J. van Es-Bel en R. van Broek, beiden werkzaam bij de gemeente Hellevoetsluis.

De Raad heeft het onderzoek heropend ten einde partijen - alsnog - in de gelegenheid te stellen om nader met elkaar in overleg te treden, met de intentie er zelf uit te komen. De daarop volgende correspondentie heeft echter niet geleid tot een oplossing van het onderhavige geschil.

Na toestemming van partijen heeft de Raad vervolgens bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft, waarna hij het onderzoek heeft gesloten.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken gaat de Raad uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Bij besluit van 6 mei 2004 heeft het College appellant met ingang van 9 februari 2004 bijstand verleend naar de norm voor een alleenstaande ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). De bijstand is verleend in de vorm van een geldlening omdat op dat moment het vermogen van appellant niet kon worden vastgesteld. Dit hield verband met de omstandigheid dat de - voormalige - echtelijke woning van appellant zou worden verkocht in verband met de echtscheidingsprocedure waarin hij was verwikkeld.

1.2. Deze woning is in juli 2004 verkocht en heeft - na aftrek van de hypothecaire lening en alle kosten - € 35.096,41 opgebracht. Dit bedrag is begin augustus 2004 gestort op een op naam van appellant en zijn toenmalige echtgenote staande bankrekening bij de Postbank (hierna: en/of-rekening). De aan de hypothecaire lening gekoppelde spaarpolis hebben appellant en zijn toenmalige echtgenote afgekocht voor een bedrag van € 10.852,--, welk bedrag in september 2004 op de en/of-rekening is gestort. De echtscheiding is in 2004 uitgesproken. Appellant en zijn toenmalige echtgenote hadden volgens het door hen op 7 september 2004 ondertekende echtscheidingsconvenant ieder recht op de helft van zowel de opbrengst van de woning als het bedrag waarmee de spaarpolis was afgekocht. Hierbij is voorts bepaald, voor zover van belang, dat de zakelijke Postbankrekening op naam van (het bedrijf) [bedrijf 1] is toegedeeld aan appellant, dat het debetsaldo van € 4.950,37 is aangevuld uit de gezamenlijke middelen, dat aan appellant eveneens is toegedeeld de vordering van hem en zijn toenmalige echtgenote op [bedrijf 2] en dat de zakelijke Postbankrekening van [bedrijf 2] met een bedrag van € 3.431,09 is aangezuiverd uit de opbrengst van de echtelijke woning. Ten tijde van de bijstandsverlening was appellant alleen en zelfstandig bevoegd directeur van [bedrijf 2], waaronder ook het bedrijf [bedrijf1] valt.

1.3. Het College heeft appellant bij brief van 17 januari 2006 in de gelegenheid gesteld om - onder meer - alle bankafschriften van de zakelijke Postbankrekeningen van [bedrijf 2] en [bedrijf1] (hierna: zakelijke rekeningen) van de afgelopen drie maanden en de jaarrekeningen van [bedrijf 2] over de boekjaren 2004 en 2005 over te leggen. Het College heeft er hierbij op gewezen dat de gevraagde gegevens nodig zijn om het recht op bijstand van appellant te kunnen vaststellen. Bij brief van 23 januari 2006 heeft het College, voor zover hier van belang, appellant bericht dat de bij brief van 17 januari 2006 gevraagde gegevens tot op heden niet zijn ontvangen en verzocht deze gegevens alsnog uiterlijk op 30 januari 2006 over te leggen. Blijkens een rapportage van 24 maart 2006 heeft appellant die gegevens niet overgelegd.

1.4. Bij besluit van 24 maart 2006 heeft het College de bijstand van appellant met ingang van 9 februari 2004 beëindigd (lees: ingetrokken) en met toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de WWB de over de periode van 9 februari 2004 tot en met 31 januari 2006 gemaakte kosten van bijstand van appellant teruggevorderd tot een bedrag van € 18.883,01. Hieraan is ten grondslag gelegd dat appellant naar aanleiding van de informatieverzoeken van januari 2006 weliswaar diverse bewijsdocumenten heeft overgelegd, maar dat de door hem overgelegde gegevens onvoldoende zijn om tot een juiste vermogensvaststelling te komen.

1.5. Bij besluit van 21 maart 2007 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 24 maart 2006 ongegrond verklaard. Daarbij is het primaire besluit in zoverre gewijzigd, dat de bijstand van appellant over de periode van 9 februari 2004 tot en met 31 januari 2006 wordt ingetrokken op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB en dat de over die periode gemaakte kosten van bijstand van appellant worden teruggevorderd op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB. Hieraan is ten grondslag gelegd dat appellant de gegevens waarom herhaaldelijk is gevraagd en die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van het recht op bijstand niet allemaal heeft aangeleverd, dat appellant dan ook de op hem rustende wettelijke inlichtingenverplichting heeft geschonden en dat als gevolg van deze schending het recht op bijstand over de periode van 9 februari 2004 tot en met 31 januari 2006 niet kan worden vastgesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 21 maart 2007 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

Het College heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

3.1. In het proces-verbaal van de zitting van de Raad van 11 januari 2010 is onder meer het volgende opgenomen: “Partijen zullen nader met elkaar in overleg treden met de intentie er nu zelf uit te komen. Appellant kan niet volstaan met zelf opgestelde overzichten/lijstjes. Hij dient tevens bescheiden over te leggen waaruit inzichtelijk blijkt van deze gegevens (onder meer met betrekking tot de (bedrijfs)administratie en de toedeling na boedelscheiding).”

3.2. In dit kader heeft het College appellant bij brief van 19 januari 2010 verzocht om - onder meer - de bedrijfsadministratie over 2004 en 2005 van [bedrijf 2] en [bedrijf1] over te leggen. In deze brief heeft het College vermeld dat dit de allerlaatste mogelijkheid zal zijn om ontbrekende gegevens aan te leveren. In reactie hierop heeft appellant bij brief van 11 februari 2010 laten weten dat [bedrijf 2], inclusief [bedrijf1], in de jaren 2004 en 2005 een minimum aan activiteiten heeft gehad en dat dit ook blijkt uit de in hoger beroep overgelegde bankafschriften. Daarop heeft het College bij besluit van 9 maart 2010 aan appellant te kennen gegeven, voor zover hier van belang, dat het recht op bijstand nog steeds niet kan worden vastgesteld, omdat appellant onvoldoende concrete en verifieerbare gegevens heeft overgelegd over de bedrijfsadministratie van [bedrijf 2] en [bedrijf1], en dat het besluit van 21 maart 2007 in stand kan blijven, onder wijziging van de wettelijke grondslag van de terugvordering in artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB. In reactie hierop heeft appellant vervolgens bij brief van 17 mei 2010 kenbaar gemaakt dat alle bedrijfsadministratie in een map zit die ingezien kan worden.

3.3. De Raad zal het nadere besluit van 9 maart 2010 dat strekt tot wijziging van het besluit van 21 maart 2007 met toepassing van de artikelen 6:18, 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Awb mede in zijn beoordeling betrekken.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De intrekking

4.1.1. Vaststaat dat appellant de bij brieven van 17 en 23 januari 2006 gevraagde jaarrekeningen van [bedrijf 2] over 2004 en 2005 niet heeft overgelegd. Appellant heeft in hoger beroep kenbaar gemaakt dat over die jaren geen jaarrekeningen zijn opgemaakt, omdat daartoe de financiële middelen ontbraken, en zich bereid getoond de bedrijfsadministratie van [bedrijf 2] en - het daaronder vallende bedrijf - [bedrijf1] over te leggen. Ter zitting van de Raad heeft appellant nogmaals deze bereidheid uitgesproken, waarna het onderzoek is heropend en appellant door het College in de gelegenheid is gesteld - onder meer - de bedrijfsadministratie van genoemde bedrijven over de jaren 2004 en 2005 over te leggen. Gezien de hoedanigheid van appellant van alleen en zelfstandig bevoegd directeur van beide bedrijven, zijn die gegevens onmiskenbaar van belang voor de beoordeling van het recht op bijstand. Nu appellant, in weerwil van de eerder getoonde bereidheid, de gevraagde bedrijfsadministratie niet heeft overgelegd, heeft hij de op grond van artikel 17, eerste lid, van de WWB op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden. De Raad merkt in dit verband nog op dat, gezien de inhoud en strekking van deze verplichting en gelet op het feit dat het College al in januari 2006 om financiële bedrijfsgegevens, in de vorm van jaarrekeningen had verzocht, en bij de brief van 19 januari 2010 duidelijk had gemaakt dat de daarbij geboden mogelijkheid om die gegevens over te leggen de allerlaatste was, appellant niet kon volstaan met de mededeling dat alle bedrijfsadministratie zich in een map bevindt die door het College kan worden ingezien.

4.1.2. Naar vaste rechtspraak van de Raad levert schending van de inlichtingenverplichting een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand, indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of, en zo ja in hoeverre, de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene feiten te stellen en zonodig aannemelijk te maken dat in het geval wel aan de inlichtingenverplichting zou zijn voldaan over de betreffende periode recht op (aanvullende) bijstand bestond.

4.1.3. De Raad is van oordeel dat appellant daarin niet is geslaagd. Weliswaar heeft appellant in hoger beroep alsnog alle bankafschriften van de zakelijke rekeningen over de periode hier in geding overgelegd, alsmede de jaarrekening en de belastingaangifte van [bedrijf1] over 2003, maar bij gebreke van de bedrijfsadministratie van deze bedrijven over 2004 en 2005 leveren die gegevens geen volledig beeld op van de financiële situatie van appellant in die periode. Hierbij moet in aanmerking worden genomen dat appellant als alleen en zelfstandig bevoegd directeur van [bedrijf 2] en [bedrijf1] kon beschikken over de zakelijke rekeningen en dat blijkens de overgelegde bankafschriften (grote) bedragen van de en/of-rekening zijn overgeboekt naar de zakelijke rekeningen, geld van deze rekeningen is opgenomen en per kas bedragen op de zakelijke rekening van [bedrijf 2] zijn gestort. Daarnaast zijn vanaf de zakelijke rekeningen betalingen verricht aan de Belastingdienst en hebben op de zakelijke rekening van [bedrijf 2] betalingen plaatsgevonden door [naam Reclameverspreiding]. Op basis van de beschikbare gegevens kan niet worden nagegaan, of, en zo ja in hoeverre, deze geldstromen van betekenis zijn geweest voor de financiële situatie van appellant in de in geding zijnde periode. Nu appellant de bedrijfsadministratie, aan de hand waarvan dat - mogelijk - wel zou kunnen worden nagegaan, niet heeft overgelegd en aldus geen volledige opening van zaken heeft gegeven, valt niet te beoordelen of appellant in die periode in bijstandbehoevende omstandigheden heeft verkeerd.

4.1.4. Uit hetgeen is overwogen onder 4.1.1 tot en met 4.1.3 volgt dat het College bevoegd was om met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB de over de periode van 9 februari 2004 tot en met 31 januari 2006 verleende bijstand in te trekken. Het College heeft daarbij gehandeld in overeenstemming met zijn ‘Beleidsregels terugvordering Wet werk en bijstand 2006’ (hierna: beleidsregels). Van dringende redenen om van intrekking af te zien in de zin van punt 2 van de beleidsregels, is de Raad niet gebleken. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad voorts geen grond voor het oordeel dat het College met toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Awb in afwijking van de beleidsregels van intrekking had moeten afzien.

4.2. De terugvordering

4.2.1. Uit het onder 3.2 genoemde besluit van 9 maart 2010 blijkt dat het College de wettelijke grondslag van het besluit van 21 maart 2007, voor zover het de terugvordering betreft, niet langer handhaaft. De Raad ziet hierin aanleiding om, met vernietiging van de aangevallen uitspraak en doende wat de rechtbank zou behoren te doen, het beroep gegrond te verklaren en het besluit van 21 maart 2007 in zoverre te vernietigen.

4.2.2. De Raad is van oordeel dat het besluit van 9 maart 2010, voor zover het de terugvordering betreft, de rechterlijke toetsing kan doorstaan. Gelet op hetgeen is overwogen onder 4.1.4 is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB, zodat het College op die grond bevoegd was tot terugvordering van de ten onrechte over de periode van 9 februari 2004 tot en met 31 januari 2006 gemaakte kosten van bijstand. Het College heeft daarbij gehandeld in overeenstemming met de beleidsregels. Van dringende redenen om van terugvordering af te zien in de zin van punt 7, onder b, van de beleidsregels is de Raad niet gebleken. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad voorts geen grond voor het oordeel dat het College met toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Awb in afwijking van de beleidsregels geheel of gedeeltelijk van terugvordering had moeten afzien.

5. De Raad ziet aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 21 maart 2007, voor zover dat ziet op de terugvordering;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 9 maart 2010 ongegrond;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 644,--, te betalen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het College aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 145,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en J.F. Bandringa en W.F. Claessens als leden, in tegenwoordigheid van C. de Blaeij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 november 2010.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) C. de Blaeij.

SB