Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BO6517

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-11-2010
Datum publicatie
07-12-2010
Zaaknummer
08/4272 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bezit onroerend goed. Overschrijding vermogensgrens. Beëindiging bijstand. Afwijzing nieuwe aanvraag. Bij de vermogensvaststelling is terecht geen rekening gehouden met (niet aannemelijk gemaakte) familieschulden. Afzien horen door rechtbank: het mondeling herhalen van eerder afgelegde schriftelijke verklaringen, die reeds in het dossier zijn opgenomen, kan redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/4272 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 3 juni 2008, 07/2498 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Hertogenbosch (hierna: College)

Datum uitspraak: 30 november 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. F.L.L. Vermeeren, advocaat te ’s-Hertogenbosch, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft bij wijze van verweer volstaan met verwijzing naar de overwegingen van de aangevallen uitspraak.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 oktober 2010. Voor appellante is mr. Vermeeren verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door P.A. van de Ven, werkzaam bij de gemeente ’s-Hertogenbosch.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

1.1. Appellante ontving tot 1 december 2005 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder. Per 1 december 2005 is deze bijstand beëindigd. Daaraan is ten grondslag gelegd dat appellante voor de helft eigenaar is van een woning in Marokko met een getaxeerde waarde van € 40.676,-- en derhalve beschikt of redelijkerwijs kan beschikken over een vermogen dat de voor haar toepasselijke vermogensgrens te boven gaat. Het tegen dat besluit gemaakte bezwaar is niet-ontvankelijk verklaard. Het daartegen ingestelde beroep is bij uitspraak van de rechtbank van 19 juni 2006 ongegrond verklaard. Daartegen is geen hoger beroep ingesteld.

1.2. Op 28 november 2006 heeft appellante opnieuw een aanvraag om bijstand ingediend. Deze aanvraag is bij besluit van 29 januari 2007 afgewezen op de grond dat zij beschikt over vermogen in de vorm van een 50% aandeel in de onder 1.1 bedoelde woning, dat haar vermogen na aftrek van de restschuld uit de beëindigde WSNP-regeling van

€ 8.415,81 nog € 12.446,43 is en dat dit bedrag de toepasselijke vermogensgrens van € 5.180,-- overschrijdt.

1.3. Bij besluit van 26 juni 2007 heeft het College het tegen het besluit van 29 januari 2007 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard met dien verstande dat rekening is gehouden met schulden tot een bedrag van € 10.247,45, zodat per datum aanvraag een positief vermogen resteerde van € 10.614,79. Daarbij is geen rekening gehouden met een drietal gestelde familieschulden ter hoogte van in totaal € 12.000,--.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit van 26 juni 2007 ingestelde beroep ongegrond verklaard. Daarbij is onder meer overwogen dat geen aanleiding bestond om de broer van appellante en haar twee zonen te horen omdat het horen van deze getuigen redelijkerwijs niet zou bijdragen aan een beoordeling van de zaak.

3. In hoger beroep heeft appellante zich tegen de uitspraak van de rechtbank gekeerd. Daarbij heeft appellante, voor zover thans nog van belang, samengevat, aangevoerd dat zij geen aanspraak heeft op 50% van de waarde van de woning in Marokko, dat zij niet over welk aandeel dan ook in die woning kan beschikken, dat ten onrechte geen rekening is gehouden met de schuld van € 12.000,-- aan haar familieleden en dat de rechtbank ten onrechte het ter zake gedane bewijsaanbod heeft gepasseerd.

4. De Raad komt naar aanleiding van de aangevoerde beroepsgronden en het verhandelde ter zitting tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad neemt wat betreft de positieve vermogensbestanddelen van appellante tot uitgangspunt de vermogensvaststelling zoals die destijds ten tijde van de beëindiging van de bijstand per 1 december 2005 in verband met de woning in Marokko heeft plaatsgevonden. Hetzelfde geldt voor het aan appellante toe te rekenen aandeel in de waarde van die woning alsmede ter zake van de uit dien hoofde in aanmerking te nemen middelen. Dat (inmiddels) van andere gegevens zou moeten worden uitgegaan heeft appellante niet met concrete verifieerbare gegevens onderbouwd of anderszins aannemelijk gemaakt. Dit betekent dat het College en de rechtbank voor zover het betreft de positieve vermogensbestanddelen van appellante ten tijde in geding terecht een bedrag van € 20.862,24 hebben aangehouden.

4.2. De Raad ziet voorts met de rechtbank geen aanleiding om op dat bedrag, na aftrek van de rest WSNP-schuld van € 8.415,81 (later verhoogd tot € 10.614,79, zie onder 1.3), tevens nog een bedrag van € 12.000,-- in mindering te brengen wegens - gestelde - schulden aan de broer van appellante en haar twee zonen. De Raad acht het bestaan van deze schulden van respectievelijk € 6.000,--, € 3.000,-- en € 3.000,-- niet aannemelijk gemaakt, terwijl van een daadwerkelijke terugbetalingsverplichting evenmin is gebleken. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat de zogenoemde concept-geldleningsovereenkomsten pas zijn opgemaakt nadat de voorzieningenrechter van de rechtbank op 30 november 2006 uitspraak had gedaan, dat hetgeen in die overeenkomsten is neergelegd niet overeenkomt met eerder afgelegde verklaringen omtrent aan appellante ter hand gestelde (kleinere) bedragen, dat de daarin neergelegde aflossingsverplichtingen niet zijn geëffectueerd en dat later weer andere, aanmerkelijk lagere aflossingsbedragen zijn genoemd (waarbij het tijdstip van terugbetalen afhankelijk is gesteld van het ontvangen van inkomen dan wel het aanvangstijdstip van de terugbetaling onvermeld is gelaten), en ten slotte dat geen bewijsstukken inzake de betaling en ontvangst van de bedragen en/of van de gedane aflossingen zijn overgelegd.

4.3. De beroepsgrond van appellante dat de rechtbank ten onrechte haar bewijsaanbod heeft gepasseerd door af te zien van het horen van een drietal getuigen treft geen doel. De Raad is van oordeel dat in een zaak als deze, waarin betalingen/ontvangsten aan de hand van objectieve verifieerbare gegevens aannemelijk moeten worden gemaakt, het

- beoogde - enkel herhalen ter zitting van eerder afgelegde schriftelijke verklaringen, die reeds in het dossier zijn opgenomen, redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. Onder deze omstandigheden kan dan ook niet worden gezegd dat de rechtbank in redelijkheid geen gebruik heeft kunnen maken van haar bevoegdheid als bedoeld in artikel 8:63, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht om af te zien van het horen van deze getuigen. De Raad merkt overigens op dat het bewijsaanbod in hoger beroep weliswaar is herhaald maar dat appellante om haar moverende redenen ervan heeft afgezien de betreffende personen als getuige ter zitting mee te brengen.

4.4. Het voorgaande leidt de Raad tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient daarom te worden bevestigd.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en R.H.M. Roelofs en N.M. van Waterschoot als leden, in tegenwoordigheid van J. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 november 2010.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) J. de Jong.

BvW