Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BO6481

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-11-2010
Datum publicatie
07-12-2010
Zaaknummer
09/2777 WAJONG
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag voor een uitkering op grond van de Wajong. Anders dan appellante heeft gesteld, is er naar het oordeel van de Raad geen sprake van een besluit dat berust op een regeling die strijdig is met de grondslagen van artikel 2 van de Wajong. Naar het oordeel van de Raad heeft het Uwv in het verweerschrift in hoger beroep terecht opgemerkt dat het niet ongewoon is dat een gezond persoon met dezelfde opleiding en ervaring als appellante is ingedeeld in een functie waaraan functieschaal 9 is verbonden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/2777 WAJONG

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 29 april 2009, 08/352 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 24 november 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J. Klerks, regiojuriste bij de ABVAKABO FNV, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 oktober 2010, waar appellante niet is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.C.M. Huijzer.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante, geboren op 15 december 1957, en ten tijde hier in geding werkzaam als juridisch medewerker bij de [naam gemeente], heeft op 31 maart 2007 een aanvraag ingediend om in aanmerking te komen voor een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering jonggehandicapten (Wajong).

1.2. Naar aanleiding van deze aanvraag is appellante op 21 mei 2007 onderzocht door een verzekeringsarts. Deze heeft vastgesteld dat appellante vanaf de geboorte spastisch is en dat zij als gevolg daarvan beperkingen heeft. Naar zijn mening had appellante per einde wachttijd – te weten 15 december 1975 – dezelfde beperkingen als ten tijde van het onderhavige onderzoek. Deze beperkingen heeft hij opgenomen in een zogeheten Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). Vervolgens heeft een arbeidsdeskundige gerapporteerd. Hij heeft appellante geschikt geacht voor haar eigen functie van juridisch medewerker. Daarnaast heeft hij andere functies voor appellante geselecteerd. Hij heeft op basis van zowel een theoretische als een praktische schatting de mate van arbeidsongeschiktheid berekend op minder dan 25%. Bij besluit van 16 oktober 2007 is appellante meegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor een uitkering.

2. Nadat appellante bezwaar had gemaakt, heeft een bezwaarverzekeringsarts rapport uitgebracht. Hij heeft zich kunnen verenigen met de voor appellante vastgestelde FML. Een bezwaararbeidsdeskundige heeft de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante per einde wachttijd berekend op 25 tot 35%. Aangezien de uitkering ingevolge artikel 29, tweede lid, van de Wajong niet eerder kan ingaan dan een jaar voor de dag, waarop de aanvraag voor een uitkering is ingediend, heeft zij tevens de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante op 31 maart 2006 berekend. Zij heeft deze vastgesteld op minder dan 25%, waarbij zij met toepassing van het bepaalde in artikel 6, derde lid, onder b, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (Schattingsbesluit) als maatmaninkomen heeft gehanteerd het inkomen dat appellante heeft in haar functie van juridisch medewerker van de [naam gemeente]. In overeenstemming met dit rapport heeft het Uwv bij het bestreden besluit van 19 maart 2008 het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

3. De rechtbank heeft zich kunnen verenigen met het bestreden besluit en heeft het beroep ongegrond verklaard.

4. Appellante kan zich niet verenigen met de aangevallen uitspraak. Evenals in beroep heeft appellante in hoger beroep naar voren gebracht dat het Uwv het maatmaninkomen van haar ten onrechte heeft vastgesteld met toepassing van het bepaalde in artikel 6, derde lid, onder b, van het Schattingsbesluit. Naar haar mening is het bepaalde in dit artikelonderdeel niet in overeenstemming met het bepaalde in artikel 2, eerste lid, van de Wajong. Uit dit laatstgenoemde artikellid blijkt immers dat de arbeidsongeschikte vergeleken dient te worden met hetgeen een gezond persoon met een soortgelijke opleiding en ervaring kan verdienen en een gezond persoon met een soortgelijke opleiding en ervaring als zij zou naar haar mening op 31 maart 2006 minimaal werkzaam zijn geweest in een functie waaraan schaal 11 is verbonden. Bij het bepalen van het maatmaninkomen had het Uwv volgens appellante dan ook minimaal moeten uitgaan van een inkomen van een functie met een dergelijke inschaling, hetgeen tot een hogere mate van arbeidsongeschiktheid zou hebben geleid.

5.1. De Raad overweegt als volgt.

5.2. De stelling van appellante dat artikel 6, derde lid, onder b, van het Schattingsbesluit in strijd komt met artikel 2, eerste lid, van de Wajong slaagt niet. Ingevolge artikel 2, achtste lid, van de Wajong kunnen nadere en zo nodig afwijkende regels worden vastgesteld. Anders dan appellante heeft gesteld, is er naar het oordeel van de Raad in dit geval geen sprake van een besluit dat berust op een regeling die strijdig is met de grondslagen van artikel 2 van de Wajong.

5.3. De Raad kan appellante evenmin volgen in haar betoog dat, wanneer zij geen beperkingen zou hebben gehad, zij ten tijde hier in geding zonder meer zou zijn ingedeeld in een functie waaraan functieschaal 11 zou zijn verbonden. Naar het oordeel van de Raad heeft het Uwv in het verweerschrift in hoger beroep terecht opgemerkt dat het niet ongewoon is dat een gezond persoon met dezelfde opleiding en ervaring als appellante is ingedeeld in een functie waaraan functieschaal 9 is verbonden.

5.4. Het vorenstaande betekent dat de gronden van appellante niet kunnen slagen en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. De Raad ziet geen aanleiding voor toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en C.P.J. Goorden en R.P.T. Elshoff als leden, in tegewoordighied van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 november 2010.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) M.A. van Amerongen.

NK