Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BO6480

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-11-2010
Datum publicatie
07-12-2010
Zaaknummer
10/2508 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De door appellante ontvangen gelden van haar echtgenoot zijn aan te merken als middelen waarover appellante beschikte of redelijkerwijs kon beschikken. Deze gelden zijn terecht aangemerkt als inkomen. Dit inkomen is terecht geheel in mindering gebracht op de van toepassing zijnde bijstandsnorm. Wat betreft de gelden die appellante van haar zwager heeft ontvangen is niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een geldlening. Het College heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de door appellante ontvangen gelden van haar zwager behoren tot de middelen van appellante. Gelet op de hoogte, en de frequentie van de ontvangen gelden, alsmede het feit dat deze gelden onmiskenbaar bedoeld waren om te voorzien in de kosten van levensonderhoud. Dat inkomen dient eveneens geheel in mindering te worden gebracht op de van toepassing zijnde bijstandsnorm.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/2508 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[App[B.]] wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 23 maart 2010, 09/4495 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Huizen (hierna: College)

Datum uitspraak: 23 november 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M. Huisman, advocaat te Amersfoort, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 oktober 2010. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Huisman. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Vlaanderen-Dorhout, werkzaam bij de gemeente Huizen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Bij besluit van 12 mei 2009 heeft het College aan appellante over de periode van

15 maart 2007 tot 6 oktober 2008 bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder verstrekt. De door appellante in de periode van 16 april 2007 tot en met 19 augustus 2008 ontvangen gelden ten bedrage van € 12.955,-- in totaal heeft het College bij dat besluit aangemerkt als inkomen in de zin van artikel 32 van de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2. Bij besluit van 24 augustus 2009 heeft het College het bezwaar van appellante tegen het besluit van 12 mei 2009 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit van 24 augustus 2009 ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd. Zij stelt zich primair op het standpunt dat ten aanzien van de door haar ontvangen gelden sprake is van een geldlening. Subsidiair voert appellante aan dat de door haar ontvangen gelden moeten worden aangemerkt als vermogen. Voorts verwijst appellante naar het gemeentelijke beleid inzake het buiten beschouwing laten van giften waarmee, naar de mening van appellante, eveneens rekening moet worden gehouden.

4. De Raad overweegt het volgende.

4.1. Tussen partijen staat vast dat appellante heeft ontvangen over de periode van 16 april 2007 tot en met 29 november 2007 een bedrag van € 6.955,-- van haar zwager A.R. [B.] (hierna: zwager), en over de periode van 7 december 2007 tot en met 19 augustus 2008 een bedrag van € 6.000,-- van haar echtgenoot, B. [B.] (hierna: echtgenoot). Partijen houdt verdeeld het antwoord op de vraag of deze gelden ten bedrage van totaal € 12.955,-- in het kader van bijstandsverlening als middelen moeten worden aangemerkt.

4.2. Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de WWB heeft iedere in Nederland woonachtige Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, recht op bijstand van overheidswege. Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de WWB worden tot de middelen gerekend alle vermogens- en inkomensbestanddelen waarover een betrokkene beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Op grond van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder m, van de WWB worden giften niet tot de middelen gerekend voor zover deze naar het oordeel van het College uit een oogpunt van bijstandsverlening verantwoord zijn.

4.3. Voor wat betreft de door appellante ontvangen gelden van haar echtgenoot is de Raad van oordeel dat geen sprake is van een geldlening nu appellante deze gelden staande het huwelijk van haar echtgenoot heeft ontvangen. Onder verwijzing naar de uit Titel 6, van Boek 1, van het Burgerlijk Wetboek, voortvloeiende verplichtingen tussen echtgenoten merkt de Raad deze gelden aan als bijdragen in de kosten van het levensonderhoud van appellante. Niet is gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan, in de periode hier van belang, de onderhoudsplicht van de echtgenoot jegens appellante zou zijn vervallen.

4.4. De Raad komt dan ook tot de conclusie dat de door appellante ontvangen gelden van haar echtgenoot zijn aan te merken als middelen waarover appellante beschikte of redelijkerwijs kon beschikken als bedoeld in artikel 31, eerste lid, van de WWB.

4.5. Gelet op het vorenstaande heeft het College de door appellante ontvangen gelden van haar echtgenoot terecht aangemerkt als inkomen in de zin van artikel 32, eerste lid, van de WWB. Dat inkomen dient met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de WWB geheel in mindering te worden gebracht op de voor appellante van toepassing zijnde bijstandsnorm.

4.6. Voor wat betreft de gelden die appellante van haar zwager heeft ontvangen is de Raad van oordeel dat niet aannemelijk is gemaakt dat sprake is van een geldlening. De Raad neemt hierbij het navolgende in aanmerking.

4.6.1. Over de periode 16 april 2007 tot en met 29 november 2007 hebben veelvuldig kasstortingen, van uiteenlopende bedragen, plaatsgevonden op de rekening van appellante. Hieruit kan niet worden afgeleid van wie deze gelden afkomstig zijn. Appellante heeft tijdens een gesprek op 29 januari 2009 met M. Geus, medewerker van de sociale dienst, aangegeven dat deze kasstortingen gelden betreffen die zij heeft geleend van haar zus, van haar broer en van kennissen, om van te leven. In bezwaar heeft appellante een mede door de zwager ondertekende verklaring overgelegd waarin staat dat zij sinds 2008 tot heden geld heeft geleend van haar zwager tot een bedrag van € 6.955,--. Dit bedrag is in verschillende periodes van 4 tot 8 weken geleend in verschillende bedragen van € 100,-- tot € 1.000,--.

4.6.2. Aan deze verklaring kan de Raad niet die betekenis toekennen, die appellante daaraan gehecht wil zien. De verklaring, die eerst in bezwaar is overgelegd, is niet gedateerd en bevat geen afbetalingsregeling. Voorts is de verklaring niet in overeenstemming met hetgeen appellante op 29 januari 2009 heeft verklaard. De Raad komt dan ook tot de conclusie dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een geldlening waaraan voor haar een daadwerkelijke terugbetalingsverplichting was verbonden.

4.7. Vervolgens is de vraag aan de orde of het College met toepassing van zijn in het kader van artikel 31, tweede lid, van de WWB opgestelde beleid, neergelegd in het Handboek WWB, de door appellante ontvangen bedragen van haar zwager terecht niet heeft aangemerkt als gift die bij de bijstandsverlening buiten aanmerking kan blijven.

4.7.1. De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend. Ten aanzien van de vraag of de giften uit een oogpunt van bijstandsverlening verantwoord zijn (en om die reden niet tot de middelen van de betrokkene worden gerekend), hanteert het College het beleid dat een gift in aanmerking wordt genomen indien deze betrekking heeft op kosten die in de algemene bijstand zijn begrepen, de gift een vrij te besteden karakter heeft en de gift leidt tot een bestedingsniveau dat onverenigbaar is met wat op bijstandsniveau gebruikelijk is. Het College heeft in overeenstemming met dat beleid besloten. De Raad ziet in hetgeen appellante heeft aangevoerd geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan het College van dit beleid had dienen af te wijken.

4.8. Gelet op het vorenstaande is de Raad van oordeel dat het College zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de door appellante ontvangen gelden van haar zwager behoren tot de middelen van appellante. Gelet op de hoogte, en de frequentie van de ontvangen gelden, alsmede het feit dat deze gelden onmiskenbaar bedoeld waren om te voorzien in de kosten van levensonderhoud, moeten deze middelen worden aangemerkt als inkomen in de zin van artikel 32, eerste lid, van de WWB. Dat inkomen dient met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de WWB eveneens geheel in mindering te worden gebracht op de voor appellante van toepassing zijnde bijstandsnorm.

4.9. Uit hetgeen is overwogen in 4.1 tot en met 4.8 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham, in tegenwoordigheid van J. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 november 2010.

(get.) A.B.J. van der Ham.

(get.) J. de Jong.

IA