Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BO6475

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-11-2010
Datum publicatie
07-12-2010
Zaaknummer
09/5116 WUBO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Weigering WUBO-uitkering omdat geen sprake is van aan de (korte) internering toe te schrijven psychische en/of lichamelijke invaliditeit. Geen aanleiding te twijfelen aan de deugdelijkheid van de medische advisering. Er zijn van de zijde van appellant ook geen nadere medische gegevens ingediend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/5116 WUBO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

en

de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)

Datum uitspraak: 25 november 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening 10 augustus 2009, kenmerk BZ 8826, JZ/Q70/2009, ten aanzien van hem genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo), verder: bestreden besluit.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 oktober 2010. Namens appellant is verschenen mr. J.C.M. van Berkel, advocaat te Sittard. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellant, geboren in 1943 in het voormalig Nederlands-Indië, heeft in augustus 2008 een aanvraag ingediend in het kader van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv) en de Wubo. Op de Wuv-aanvraag is afwijzend beslist op de grond dat niet is gebleken dat appellant tijdens de Japanse bezetting vervolging (internering) heeft ondergaan. Tegen het besluit van 15 juli 2009, waarbij die afwijzing na bezwaar is gehandhaafd, is geen beroep ingesteld. In het kader van de Wubo is appellant erkend als oorlogsgetroffene, omdat is komen vast te staan dat appellant in oktober 1945 gedurende een korte periode geïnterneerd is geweest in kamp Selabintana in Sukaboemi. Bij besluit van 10 december 2008 is echter afwijzend op de aanvraag beslist op de grond dat geen sprake is van aan de (korte) internering toe te schrijven psychische en/of lichamelijke invaliditeit. Dit besluit is na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit.

2. In beroep is namens appellant in hoofdzaak naar voren gebracht dat de internering zich over een langere periode heeft uitgestrekt, mede gezien de verklaring van de vader van appellant in het kader van diens aanvraag op grond van de Wuv. De vader van appellant is erkend op grond van vervolging in de zin van de Wuv. Verzocht is om een nader psychiatrisch onderzoek. Verder is aangevoerd dat ten onrechte geen informatie is ingewonnen bij zijn behandelend artsen over (de oorzaak van) zijn long- en neusklachten en dat onvoldoende is onderzocht of zijn gewrichtsklachten, hoofdpijn- en duizeligheids-klachten van psychosomatische oorsprong zijn. Ter zitting is nog aangevoerd dat appellant waarschijnlijk dysenterie heeft gehad in het kamp en dat die aandoening op jonge leeftijd tot ontwikkeling van andere lichamelijke aandoeningen kan leiden. Er is een beroep gedaan op de omgekeerde bewijslast.

3. Verweerster heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. Tegen het onder 1 genoemde besluit van 15 juli 2009 in het kader van de Wuv is geen beroep is ingesteld, dus dit staat in rechte vast. Nu hierbij is vastgesteld dat appellant niet geïnterneerd is geweest tijdens de Japanse bezetting en niet is gebleken van nadere gegevens hieromtrent, gaat de Raad daar ook in dit geding vanuit.

4.2. Ten aanzien van de internering tijdens de Bersiap-periode volgt de Raad verweerster in het standpunt dat deze van (zeer) korte duur moet zijn geweest. Uit de gegevens van de vader van appellant blijkt dat appellant gedurende de Japanse bezetting buiten de kampen is gebleven. Wel is hij verplicht tewerkgesteld in een plantentuin in Sukaboemi. Hij heeft aangegeven vanaf 1945 in het kamp Selabintana in Sukaboemi te hebben verbleven. Bekend is dat vrijwel alle Europeanen, Indo-Europeanen en Europeesgezinden die in oktober 1945 nog in Soekamboemi aanwezig waren door de extremisten werden geïnterneerd in kamp Selabintana en dat dit maar enkele weken heeft geduurd. Op

26 oktober 1945 werd dit kamp bevrijd door de Engelsen, waarna in november algehele ontruiming plaatsvond. Blijkens gegevens van het Nederlandse Rode Kruis bevonden appellant en zijn vader, moeder, broer en zus zich onder de in oktober 1945 te Soekaboemi bevrijde geïnterneerden. Deze korte internering is dus terecht het uitgangspunt geweest bij de medische beoordeling van appellant.

4.3. Het bestreden besluit berust verder op adviezen van twee geneeskundig adviseurs en informatie van appellants huisarts, longarts en kno-arts. De Raad heeft in hetgeen van de zijde van appellant is aangevoerd geen aanleiding gevonden te twijfelen aan de deugdelijkheid van de medische advisering. Er zijn van de zijde van appellant ook geen nadere medische gegevens ingediend. Ten aanzien van de psychische klachten van appellant is genoegzaam onderbouwd en ook appellant zelf heeft tijdens het medisch onderzoek ten behoeve van de aanvraag verklaard, dat niet de korte internering maar met name de omstandigheden in het ouderlijk gezin van grote invloed zijn geweest op de persoonlijke ontwikkeling van appellant en het ontstaan van psychische klachten. Ten aanzien van de lichamelijke klachten is eveneens voldoende onderbouwd dat geen causaal verband met de internering aanwezig is, maar dat er duidelijk andere oorzaken voor het ontstaan van die klachten zijn aan te wijzen, zodat van omkering van de bewijslast geen sprake is. Voor het ter zitting namens appellant nog naar voren gebrachte verband met een eventueel doorgemaakte dysenterie is geen enkele medische onderbouwing gegeven.

5. Gezien het vorenstaande dient het beroep van appellant ongegrond te worden verklaard.

6. De Raad acht ten slotte geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en A.J. Schaap en G.L.M.J. Stevens als leden, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 25 november 2010.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) P.W.J. Hospel.

HD