Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BO6448

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-11-2010
Datum publicatie
07-12-2010
Zaaknummer
09/5727 AOW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De Svb heeft terecht besloten dat het verzoek van appellant van eind december 2007 niet voldoet aan de wettelijke voorwaarden voor toelating tot de vrijwillige verzekering. WAO-uitkering met terugwerkende kracht toegekend. Er is sprake van bijzondere omstandigheden dat de overschrijding van de aanmeldingstermijn appellant niet tegengeworpen kan worden. Appellant kon eerst na de toekenning van zijn WAO-uitkering bekend zijn dat hij tot 1 januari 2000 verzekerd was en dat hij een verzoek om toelating tot de vrijwillige verzekering kon indienen. Appellant heeft binnen een redelijk te achten termijn na de toekenning van zijn WAO-uitkering in augustus 2007 verzocht om toelating tot de vrijwillige verzekering AOW/ANW. Gelet op deze omstandigheden kan het appellant niet verweten worden dat hij zich niet binnen één jaar na

1 januari 2000 heeft aangemeld voor de vrijwillige verzekering AOW/ANW. Vernietiging bestreden besluit.

Wetsverwijzingen
Algemene Ouderdomswet
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/5727 AOW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats], Marokko (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 17 september 2009, 08/3578 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).

Datum uitspraak: 19 november 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 augustus 2010. Appellant is niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N. Zuidersma.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is in Nederland werkzaam geweest. In 1992 is hij arbeidsongeschikt geworden. Ergens in de periode 1992 tot 1996 is hij definitief naar Marokko teruggekeerd. In augustus 2007 is aan appellant met ingang van 14 juli 1993 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.2. Eind december 2007 heeft appellant de Svb verzocht hem toe te laten tot de vrijwillige verzekering ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) en de Algemene nabestaandenwet (ANW). Appellant heeft zich bereid verklaard de premie vanaf 2000, die niet op zijn WAO-uitkering is ingehouden, alsnog te voldoen.

1.3. Bij besluit van 7 april 2008 heeft de Svb appellant medegedeeld dat hij niet bevoegd is aan de vrijwillige verzekering ingevolge de AOW en de ANW deel te nemen omdat hij zich niet binnen een jaar na het einde van die verzekering op 1 januari 2000 heeft aangemeld. Bij het bestreden besluit van 18 augustus 2008 heeft de Svb zijn besluit van

7 april 2008 na bezwaar gehandhaafd.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak appellants beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Zij heeft daartoe overwogen dat de Svb zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat niet is voldaan aan de voorwaarden voor toelating tot de vrijwillige verzekering, terwijl gesteld noch gebleken is dat sprake is van zodanig bijzondere omstandigheden dat de overschrijding van de aanmeldingstermijn appellant niet kan worden tegengeworpen.

3. De Raad overweegt het volgende.

3.1. Appellant heeft eind december 2007 verzocht om toelating tot de vrijwillige verzekering krachtens de AOW en de ANW. Gedurende het jaar voorafgaande aan deze aanvraag was appellant in ieder geval niet verplicht verzekerd krachtens die wetten, omdat hij toen niet in Nederland woonde. Het feit dat inmiddels aan appellant met terugwerkende kracht een WAO-uitkering was toegekend kon er in elk geval vanaf 1 januari 2000 niet toe leiden dat appellant (weer) verplicht verzekerd werd voor de volksverzekeringen, omdat met ingang van die datum artikel 26 van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999 (Stb. 1999, 746, hierna: Besluit 746) was vervallen. Op grond van dit artikel waren buiten het Rijk wonende personen die een WAO-uitkering ontvingen, voor 1 januari 2000 onder bepaalde omstandigheden verplicht verzekerd ingevolge de AOW en de ANW.

3.2. De Raad is derhalve van oordeel dat de Svb terecht heeft besloten dat het verzoek van appellant van eind december 2007 niet voldoet aan de wettelijke voorwaarden voor toelating tot de vrijwillige verzekering.

3.3. Ten aanzien van de vraag of er sprake is van zodanig bijzondere omstandigheden dat de overschrijding van de aanmeldingstermijn appellant niet tegengeworpen zou mogen worden, overweegt de Raad als volgt.

3.4. In dit verband stelt de Raad voorop dat er ten aanzien van de aanmelding van appellant voor de vrijwillige verzekering AOW/ANW twee tijdstippen van belang zijn. Ten eerste betreft dit het moment waarop appellant tussen 1992 en 1996 was teruggekeerd naar Marokko en geen Nederlandse uitkering ontving. Kennelijk heeft hij er toen voor gekozen zich niet aan te melden voor de vrijwillige verzekering AOW/ANW, omdat hij geen inkomsten had en hij de gerechtvaardigde verwachting koesterde dat wanneer de aanvraag om een WAO-uitkering ertoe zou leiden dat zo’n uitkering aan hem toegekend zou worden, hij tevens - met terugwerkende kracht - weer verplicht verzekerd zou zijn voor de Nederlandse volksverzekeringen. Gelet op de in dit geding aan de orde zijnde omstandigheden is de Raad van oordeel dat het appellant niet tegengeworpen kan worden dat hij van de toen bestaande mogelijkheid tot vrijwillige verzekering geen gebruik heeft gemaakt. De Raad verwijst in dit verband naar zijn uitspraak van 31 juli 2008 (LJN BD9232).

3.5. Ten tweede is in deze procedure het tijdstip van 1 januari 2000 van belang, omdat met ingang van die datum in KB 746 de bepaling is vervallen op grond waarvan buiten Nederland wonende personen, die een Nederlandse uitkering ontvingen, verplicht verzekerd bleven op grond van de volksverzekeringen. Toekenning van een WAO-uitkering met terugwerkende kracht zou ertoe leiden dat personen als appellant weliswaar verplicht verzekerd werden krachtens de volksverzekeringen, maar tevens dat die verzekering per 1 januari 2000 zou eindigen, tenzij binnen een jaar na 1 januari 2000 een verzoek om toelating tot de vrijwillige verzekering werd ingediend. Appellant kon evenwel eerst na de toekenning van zijn WAO-uitkering bekend zijn dat hij tot 1 januari 2000 verzekerd was en dat hij een verzoek om toelating tot de vrijwillige verzekering kon indienen. Naar het oordeel van de Raad heeft appellant binnen een redelijk te achten termijn na de toekenning van zijn WAO-uitkering in augustus 2007 verzocht om toelating tot de vrijwillige verzekering AOW/ANW. Gelet op deze omstandigheden is de Raad van oordeel dat het appellant niet verweten kan worden dat hij zich niet binnen één jaar na

1 januari 2000 heeft aangemeld voor de vrijwillige verzekering AOW/ANW. De Raad acht daarbij niet doorslaggevend dat appellant, zoals uit de stukken blijkt, in het kader van zijn aanvraag voor kinderbijslag in de jaren ’90 bij de Svb geen melding heeft gemaakt van zijn lopende WAO-aanvraag. Op dat moment bestond daartoe in het kader van de hier aan de orde zijnde verzekering geen enkele aanleiding.

3.6. Uit het bovenstaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak niet in stand kan blijven. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd onder gegrondverklaring van het beroep daartegen. De Svb zal een nieuw besluit op bezwaar moeten nemen.

4. De Raad ziet geen aanleiding om de Svb te veroordelen in de proceskosten van appellant.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het bestreden besluit;

Bepaalt dat de Svb een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Bepaalt dat de Svb aan appellant het betaalde griffierecht in eerste aanleg en in hoger beroep ten bedrage van € 149,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade, in tegenwoordigheid van R.L. Venneman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 november 2010.

(get.) M.M. van der Kade.

(get.) R.L. Venneman.

JL