Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BO6000

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-11-2010
Datum publicatie
02-12-2010
Zaaknummer
10/1309 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WIA-uitkering. Voldoende medische informatie. Het Uwv heeft op goede gronden vastgesteld dat er bij aanvang van de verzekering sprake was van volledige arbeidsongeschiktheid ingevolge de Wet WIA.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/1309 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 21 januari 2010, 09/825 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 26 november 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. W.R. Aerts, advocaat te Vlissingen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 oktober 2010. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. M.A. Faas, advocaat te Middelburg. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. W.A.F. Oosterbos.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante is [in] 1970 in Tunesië geboren. Zij woont sinds februari 1989 in Nederland. In 1995 heeft zij - stellend dat zij sinds haar 17e verjaardag jeugdgehandicapt is - een uitkering ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) aangevraagd. Omdat zij op haar 17e levensjaar niet verzekerd was ingevolge de AAW en (subsidiair) omdat zij bij aankomst in Nederland en bij aanvang van de verzekering reeds arbeidsongeschikt was, is aan haar in 1996 een AAW-uitkering geweigerd.

1.2. Op 11 december 2006 is appellante vanuit de bijstand via een re-integratieproject gaan werken als productiemedewerker. Op 10 april 2007 is appellante uitgevallen.

Op 24 december 2008 heeft appellante het Uwv verzocht om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA).

1.3. Bij besluit van 9 februari 2009 heeft het Uwv aan appellante per 7 april 2009 Wet WIA-uitkering geweigerd onder overweging dat de gezondheidsklachten waarmee appellante is uitgevallen al bestonden bij aanvang van haar verzekering ingevolge de Wet WIA op 11 december 2006.

2. Bij besluit van 13 augustus 2009 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 9 februari 2009 ongegrond verklaard.

3. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank - samengevat - overwogen dat het Uwv op zorgvuldige wijze en goed gemotiveerd heeft vastgesteld dat de medische beperkingen van appellante reeds bestonden bij aanvraag van de verzekering ingevolge de Wet WIA en voorts dat er geen aanleiding bestaat om de conclusie van de arbeidsdeskundige onjuist te achten dat de theoretische verdiencapaciteit van appellante zowel op het beoordelingsmoment (3 februari 2009) als bij aanvang van het dienstverband nihil was. Daarbij heeft de rechtbank nog het volgende in aanmerking genomen. De verzekeringsarts van het Uwv is naar aanleiding van eigen onderzoek op 5 januari 2009 en informatie van de behandelend neuroloog en psychiater tot de conclusie gekomen dat de klachten en stoornissen bij aanvang van de werkzaamheden ongeveer dezelfde waren als tijdens de keuring op 5 januari 2007 en dus globaal onveranderd kunnen worden geacht. Uit het rapport van de verzekeringsarts valt op te maken dat appellante min of meer voortdurend last heeft van een depressie met een groot aantal lichamelijke klachten waarvoor geen objectiveerbare afwijkingen zijn gevonden. De bezwaarverzekeringsarts heeft, na nog nadere informatie bij de huisarts te hebben ingewonnen, de conclusie van de verzekeringsarts bevestigd.

4. In hoger beroep heeft appellante - samengevat - aangevoerd dat zij in de periode van mei 2001 tot mei 2002 voltijds heeft gewerkt als productiemedewerker, zonder enige uitval vanwege ziekte. Op 7 april 2007 is zij uitgevallen vanwege met name rugklachten en psychische klachten. De rugklachten zijn sterk verergerd tijdens haar laatste dienstverband. Dat er sprake is van eenzelfde klachtenpatroon als destijds bij de AAW-aanvraag kan niet zonder meer leiden tot de conclusie dat er een voldoende en ondubbelzinnige indicatie is van arbeidsongeschiktheid bij aanvang van de verzekering. Uit de medische informatie van de huisarts en neuroloog blijkt dit niet, aldus appellante.

5.1. De Raad overweegt als volgt.

5.2. Volgens artikel 47, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet WIA, ontstaat recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering voor de verzekerde die ziek wordt indien:

(…)

c. er op hem geen uitsluitingsgrond van toepassing is.

(…).

Artikel 43 van de Wet WIA luidt, voor zover van belang: “Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen worden de volgende uitsluitingsgronden onderscheiden:

(…)

c. volledige arbeidsongeschiktheid als bedoeld in artikel 46, tweede lid;

(…)”.

Uit artikel 46, eerste lid, van de Wet WIA, volgt dat in dit artikel onder volledige arbeidsongeschiktheid wordt verstaan het als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling slechts in staat zijn om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur.

Artikel 46, tweede lid, van de Wet WIA luidt:

“2. Artikel 43, onderdeel c, is van toepassing indien er sprake is van volledige arbeidsongeschiktheid:

a. die bestond op het tijdstip van aanvang van de verzekering” (…).

5.3. Uit de parlementaire geschiedenis van artikel 43 van de Wet WIA leidt de Raad af dat de wetgever voor de toepassing van de uitsluitingsgrond onder c inhoudelijk geen wijziging heeft beoogd ten opzichte van het bepaalde in artikel 30, eerste lid, van de WAO. Dit brengt naar het oordeel van de Raad mee dat de door hem gevormde jurisprudentie over deze laatste bepaling ook voor de toepassing van artikel 43, aanhef en onder c, en artikel 46 van de Wet WIA haar gelding blijft houden.

5.4. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (onder meer de uitspraak van 17 mei 2006, LJN AX4595) is voor de toepassing van artikel 30, eerste lid, aanhef en onder a, van de WAO vereist dat de omstandigheden van het geval voldoende en ondubbelzinnige indicaties geven voor het bestaan van een reële en volledige arbeidsongeschiktheid bij aanvang van de verzekering ingevolge de WAO. Hierbij geldt dat het enkele feit dat voor of bij aanvang van de verzekering klachten of beperkingen bestaan, niet toereikend is voor het aannemen van arbeidsongeschiktheid. Voor de aan de onderhavige besluitvorming ten grondslag gelegde artikelen 43, aanhef en onder c, en 46 van de Wet WIA zal de Raad bezien of aan deze voorwaarden is voldaan.

5.5. De Raad is evenals de rechtbank van oordeel dat dit het geval is. De verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts beschikten over voldoende medische informatie om zich op het standpunt te kunnen stellen dat er bij aanvang van de verzekering sprake was van volledige arbeidsongeschiktheid ingevolge de Wet WIA. Uit de informatie van neuroloog C. de Brabander van 17 maart 2008 blijkt dat appellante al jarenlang last heeft van haar onderrug en dat voor de sinds een jaar bestaande pijn in haar rechterbeen met uitstraling (soms tot in haar voet), bij onderzoek geen afwijkingen zijn gevonden. Ten aanzien van de geclaimde toename van psychische klachten wordt in de brief van psychiater M. Vegt van 3 april 2008 vermeld: “Depressieve stoornis bij sociaal geïsoleerde Tunesische vrouw. Sterke neiging tot somatisering”. Deze informatie wijkt niet af van de medische informatie waarover het toenmalige GAK op 16 januari 1996 beschikte, de brief van de huisarts van 17 november 1995 en de beperking voor de psychische belastbaarheid in de verwoording belastbaarheid van 8 januari 1996 waarop de verzekeringsarts zijn oordeel heeft gebaseerd. Daarnaast komt die informatie overeen met de rapportages van arts V.H. Post die appellante ingevolge de Ziektewet (ZW) gedurende 104 weken ongeschikt heeft geacht voor haar laatstelijk verrichte arbeid. Deze arbeid bestond volgens deze ZW-arts uit licht productiewerk, zittend aan een tafel. Appellante heeft deze arbeid vanaf 11 december 2006 slechts twee korte periodes van enkele weken verricht.

5.6. De Raad is dan ook evenals de rechtbank van oordeel dat het Uwv op goede gronden heeft vastgesteld dat er bij aanvang van de verzekering sprake was van volledige arbeidsongeschiktheid ingevolge de Wet WIA.

5.7. Uit hetgeen is overwogen in 5.2 en 5.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.J.H. Doornewaard, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uigesproken in het openbaar op 26 november 2010.

(get.) G.J.H. Doornewaard.

(get.) T.J. van der Torn.

IvR