Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BO5972

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-11-2010
Datum publicatie
02-12-2010
Zaaknummer
10/1821 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen dringende reden om af te zien van terugvordering bijstandsuitkering. Geen grond voor het oordeel dat in combinatie met een schuldenlast van bijna € 19.000,00 de terugvordering onaanvaardbare financiële consequenties voor appellant heeft.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/1821 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 11 februari 2010, 09/5091 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 30 november 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J. Wattilete, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 19 oktober 2010. Partijen zijn, zoals tevoren bericht, niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontving, samen met zijn echtgenote, sinds 1 november 2005 bijstand naar de norm van gehuwden ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Gedurende de periode van 16 januari 2006 tot en met 12 maart 2009 ontving appellant aanvullende bijstand op zijn uitkering krachtens de Werkloosheidswet.

1.2. Bij besluit van 5 juni 2009 heeft het College de bijstand van appellant herzien over de periode van 16 januari 2006 tot en met 28 februari 2009 en een bedrag van € 8.786,25 van appellant teruggevorderd. De bezwaren tegen het besluit van 5 juni 2009 heeft het College bij besluit van 23 september 2009 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van

23 september 2009 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad stelt vast dat tussen partijen uitsluitend in geschil is of het College wegens dringende redenen had moeten afzien van terugvordering.

4.2. Appellant heeft aangevoerd dat de terugvordering voor hem en zijn echtgenote tot grote spanningen heeft geleid ten gevolge waarvan zij beiden last hebben van lichamelijke- en psychische klachten. Voorts heeft appellant reeds te kampen met een schuldenlast van bijna € 19.000,00 die wordt vergroot met het thans teruggevorderde bedrag. Deze omstandigheden zijn volgens appellant aan te merken als onaanvaardbare sociale en/of financiële consequenties van de terugvordering die voor het College een dringende reden hadden moeten vormen om van terugvordering af te zien.

4.3. Het College voert het beleid dat van terugvordering kan worden afgezien indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn. Hiervan is sprake als de terugvordering leidt tot ernstige en/of onaanvaardbare consequenties voor de lichamelijke of geestelijke gezondheid van degene van wie wordt teruggevorderd.

4.4. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen dringende redenen op grond waarvan het College van terugvordering had moeten afzien. De Raad overweegt hierbij dat appellant de gestelde lichamelijke- en psychische klachten niet met verifieerbare, medische gegevens heeft onderbouwd. De Raad ziet voorts geen grond voor het oordeel dat in combinatie met een schuldenlast van bijna € 19.000,00 de terugvordering onaanvaardbare financiële consequenties voor appellant heeft. De Raad merkt daarbij op dat appellant bij de invordering van de onderhavige terugvordering zal blijven beschikken over de beslagvrije voet. Naar het oordeel van de Raad heeft het College in overeenstemming met zijn beleid inzake terugvordering gehandeld. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan het College met toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Algemene wetbestuursrecht van het beleid had moeten afwijken.

4.5. Uit 4.4 vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.M.A. van der Kolk-Severijns, in tegenwoordigheid van K. Moaddine als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 november 2010.

(get.) J.M.A. van der Kolk-Severijns.

(get.) K. Moaddine.

RB