Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BO5970

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-11-2010
Datum publicatie
02-12-2010
Zaaknummer
08/5541 WWB + 08/5551 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering is terecht. Marktkraam. Niet aangetoond dat een vriend de marktkraam exploiteerde. Niet geloofwaardig dat de werkzaamheden uitsluitend een hobbymatig karakter hadden en dat daarmee niets werd verdiend. Schending inlichtingenverplichting. Recht op uitkering niet vast te stellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/5541 WWB

08/5551 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] en [appellante], beiden wonende te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 22 augustus 2008, 08/64 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellanten

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Hellevoetsluis (hierna: College)

Datum uitspraak: 30 november 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. P.A.R. Dijkers, advocaat te Hellevoetsluis, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 oktober 2010. Voor appellanten is mr. Dijkers verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.J. van Es-Bel, werkzaam bij de gemeente Hellevoetsluis.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellanten hebben vanaf 25 juli 2000 bijstand ontvangen naar de norm voor gehuwden, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2. Uit een onderzoek door het “Regionaal Coördinatiepunt Fraudebestrijding Noord-Holland” is gebleken dat appellant in de periodes van 15 juli 2002 tot en met 11 augustus 2002 en van 7 oktober 2002 tot en met 17 juli 2005 een standplaats heeft gehuurd op de Beverwijkse Bazaar te Beverwijk. Vervolgens heeft de Sociale Recherche een onderzoek verricht en appellanten verhoord. Geconcludeerd is dat in de genoemde periodes sprake is geweest van bedrijfsmatige activiteiten die niet aan de gemeente zijn opgegeven.

1.3. Op basis van de resultaten van het onderzoek heeft het College bij besluit van 9 augustus 2007 het recht op bijstand van appellanten over de periode van 15 juli 2002 tot en met 11 augustus 2002 en de periode van 7 oktober 2002 tot en met 25 april 2005 herzien (lees: ingetrokken) en de gemaakte kosten van bijstand over die periodes ter hoogte van € 67.176, 21 (bruto) teruggevorderd.

1.4. Bij besluit van 23 november 2007 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 9 augustus 2007 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 23 november 2007 ongegrond verklaard.

3. Appellanten hebben zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd. Aangevoerd is dat de feitelijke exploitatie van de kraam op de Beverwijkse Bazaar niet door appellant werd uitgeoefend maar door een vriend van hem. De kraam is op naam van appellant gesteld omdat deze vriend, die evenals appellanten uit Afghanistan afkomstig is, geen geldige verblijfspapieren had. Uit de inhoud van het dossier zijn geen feiten of omstandigheden vast te stellen waaruit blijkt dat appellant zelf werkzaamheden op de Beverwijkse Bazaar heeft verricht en daarmee inkomsten heeft verworven.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Zoals de Raad eerder heeft overwogen in zijn uitspraak van 20 april 2010, LJN BM1890, rechtvaardigt de omstandigheid dat een betrokkene gedurende een zekere periode op de markt of daarmee vergelijkbare plaats, zoals de Beverwijkse Bazaar, een kraam of standplaats huurt, terwijl vanuit die kraam of standplaats handelsactiviteiten worden uitgeoefend, de vooronderstelling dat de huurder die handelsactiviteiten voor eigen rekening en risico verricht of laat verrichten. Het is dan aan de betrokkene - in dit geval appellant - om het tegendeel aannemelijk te maken.

4.2. Naar het oordeel van de Raad is appellant hierin niet geslaagd. De stelling dat niet hij maar een vriend de kraam exploiteerde is niet met bewijsstukken onderbouwd. Appellant kan geen verklaring van de betreffende vriend overleggen omdat die, voor zover bekend, inmiddels naar Engeland is vertrokken en appellant geen contact meer met hem heeft.

4.3. Voorts blijkt uit de processen-verbaal van de verhoren van appellanten dat appellant wel degelijk zelf ook werkzaamheden op de Beverwijkse Bazaar heeft verricht. De in hoger beroep aangevoerde grond dat de processen-verbaal in het dossier ontbreken is ter zitting van de Raad ingetrokken. Gesteld is dat appellant het werk als hobby beschouwde en er niets mee verdiend heeft. Zonder nadere onderbouwing en bewijs acht de Raad het echter niet geloofwaardig dat de werkzaamheden uitsluitend een hobbymatig karakter hadden en dat daarmee niets werd verdiend.

4.4. Namens appellanten is verder gewezen op de omstandigheid dat appellanten in de periode van 13 juli 2004 tot en met 13 augustus 2004 in Afghanistan hebben verbleven en dat de bijstand met ingang van 25 april 2005 is beëindigd wegens een te lang verblijf in Afghanistan, waaruit blijkt dat appellanten enige tijd voor die datum naar Afghanistan waren vertrokken. Duidelijk is dat appellant in de periodes dat hij in Afghanistan verbleef niet in Beverwijk kan hebben gewerkt. Deze periodes zouden volgens appellanten dan ook in elk geval buiten beschouwing moeten worden gelaten. Naar het oordeel van de Raad betekent het buitenlandse verblijf van appellant in die periodes echter niet dat in die tijd geen handelsactiviteiten voor zijn rekening en risico hebben plaatsgevonden. De huur van de kraam liep gewoon door en naar het oordeel van de Raad valt niet uit te sluiten dat appellant in die periodes iemand anders voor zich heeft laten werken. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat eventuele inkomsten uit de handelsactiviteiten aan appellant zijn toe te rekenen.

4.5. Artikel 17, eerste lid, van de WWB bepaalt dat de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling doet van alle feiten en omstandigheden waarvan redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand. Een zelfde bepaling was voor 1 januari 2005 van toepassing ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Algemene bijstandswet.

4.6. Door van de huur van de kraam op de Beverwijkse Bazaar en van de aldaar verrichte handelsactiviteiten en daarmee verworven inkomsten geen melding te maken heeft appellant naar het oordeel van de Raad de op hem rustende wettelijke inlichtingenverplichting geschonden. Het was aan hem om aannemelijk te maken dat hij, indien hij wel volledig die verplichting was nagekomen, recht had op (aanvullende) bijstand. Appellant heeft echter geen administratie of boekhouding van die activiteiten en de daaruit ontvangen inkomsten overgelegd.

4.7. De Raad is van oordeel dat het College op grond hiervan terecht tot de conclusie is gekomen dat het recht op bijstand in de periodes in geding niet kan worden vastgesteld. Daarmee is voldaan aan de voorwaarden voor intrekking van de bijstand zoals neergelegd in artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB. Appellanten hebben geen zelfstandige gronden aangevoerd tegen de wijze waarop het College van zijn bevoegdheid tot intrekking gebruik heeft gemaakt, zodat de Raad deze buiten bespreking zal laten.

4.8. Tevens is voldaan aan de voorwaarden als bedoeld in artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB voor terugvordering van de gemaakte kosten van bijstand van appellanten over de periode van 15 juli 2002 tot en met 11 augustus 2002 en de periode van 7 oktober 2002 tot en met 25 april 2005. Tegen de hoogte van de terugvordering en de wijze waarop van de bevoegdheid tot terugvordering gebruik is gemaakt zijn geen afzonderlijke gronden aangevoerd.

4.9. De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.M.A. van der Kolk-Severijns, in tegenwoordigheid van K. Moaddine als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 november 2010.

(get.) J.M.A. van der Kolk-Severijns.

(get.) K. Moaddine.

BvW