Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BO5681

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-11-2010
Datum publicatie
01-12-2010
Zaaknummer
10-293 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In het kader van de op appellant rustende wettelijke inlichtingenverplichting lag het met name op de weg van appellant om aan het dagelijks bestuur onverwijld uit eigen beweging mededeling te doen van zijn nieuwe adres. Nu echter ook vaststaat dat de adreswijziging op 9 december 2008 in de GBA is verwerkt en het dagelijks bestuur daarvan in elk geval op 24 december 2008 kennis heeft genomen - en overigens ook al eerder kennis van had kunnen nemen - had het dagelijks bestuur appellant naar het oordeel van de Raad uit het oogpunt van zorgvuldigheid eerst nog een uitnodiging om zijn verzuim te herstellen naar het nieuwe adres van appellant moeten zenden. Intrekking kan geen stand kan houden. Vernietiging uitspraak. Vernietiging besluit. Nieuw besluit op bezwaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2010/424
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/293 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 31 december 2009, 09/352 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het dagelijks bestuur van de Intergemeentelijke Sociale Dienst van de gemeenten Aa en Hunze, Assen en Tynaarlo (hierna: dagelijks bestuur)

Datum uitspraak: 23 november 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.W. Brouwer, advocaat te Assen, hoger beroep ingesteld.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is behandeld ter zitting van 20 oktober 2010, waar voor appellant is verschenen mr. Brouwer en waar het dagelijks bestuur zich heeft laten vertegenwoordigen door M. Hoogendijk, werkzaam bij de Intergemeentelijke Sociale Dienst van de gemeenten Aa en Hunze, Assen en Tynaarlo.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant heeft met ingang van 16 augustus 2006 als dak- en thuisloze algemene bijstand ontvangen. Zijn briefadres was [adres 1] te [naam gemeente].

1.2. Op 5 november 2008 heeft appellant bijzondere bijstand aangevraagd voor de kosten van woninginrichting en de borg voor de eerste huur. Volgens opgave van appellant zou hij gaan wonen op het adres [adres 2] te [naam gemeente]. Appellant heeft een huurovereenkomst overgelegd betreffende de huur van een kamer op dat adres vanaf

1 december 2008. Bij besluit van 11 november 2008 is de gevraagde bijzondere bijstand toegekend. Op 10 december 2008 heeft een (onaangekondigd) huisbezoek plaatsgevonden in de woning aan het [adres 2]. Bij dat huisbezoek is door de hoofdbewoner meegedeeld dat appellant daar niet (meer) woonde, althans dat appellant daar vanaf 1 december 2008 niet meer feitelijk verbleef.

1.3. Bij brief van 10 december 2008, geadresseerd aan het [adres 2], is appellant uitgenodigd voor een gesprek op 16 december 2008, met het verzoek de nota’s met betrekking tot de inrichting van de kamer mee te nemen. Aan die uitnodiging heeft appellant zonder bericht geen gevolg gegeven. Daarop heeft het dagelijks bestuur bij besluit van 16 december 2008, eveneens geadresseerd aan het [adres 2], het recht op bijstand van appellant met ingang van 1 december 2008 opgeschort. Appellant is daarbij in de gelegenheid gesteld zijn verzuim op 24 december 2008 om 8.30 uur te herstellen. Tevens is in dat besluit aangegeven dat het niet verschijnen op de vervolgafspraak zal leiden tot intrekking van de bijstand met ingang van 1 december 2008. Appellant, die geen bezwaar heeft gemaakt tegen de opschorting, is wederom zonder bericht niet verschenen.

1.4. Bij besluit van 24 december 2008 heeft het dagelijks bestuur de aan appellant toegekende algemene bijstand met ingang van 1 december 2008 ingetrokken.

1.5. Bij besluit van 1 april 2009 heeft het dagelijks bestuur het bezwaar tegen het besluit van 24 december 2008 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 1 april 2009 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Het besluit tot intrekking van de bijstand van appellant met ingang van 1 december 2008 berust op de toepassing van artikel 54, vierde lid, van de Wet werk en bijstand (WWB) in samenhang met het eerste lid van dat artikel. Voor de tekst van die bepalingen verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak.

4.2. Aangezien appellant tegen de opschorting van het recht op bijstand geen rechtsmiddel heeft aangewend, ligt hier uitsluitend ter beoordeling voor of de intrekking van de bijstand met ingang van 1 december 2008 op grond van artikel 54, vierde lid, van de WWB in rechte stand kan houden.

4.3. Niet in geschil is dat het horen van appellant en het inzien van de gevraagde nota’s met betrekking tot de inrichting van de kamer die appellant zou hebben gehuurd, van belang zijn voor het vaststellen van het recht op bijstand. Voorts stelt de Raad vast dat niet in geschil is dat appellant op 24 december 2008 niet heeft voldaan aan de uitnodiging om zijn verzuim herstellen.

4.4. Met betrekking tot dit laatste aspect is namens appellant aangevoerd dat het dagelijks bestuur er in elk geval op 24 december 2008 kennis van heeft genomen, maar bovendien reeds eerder ervan op de hoogte had kunnen zijn dat appellant volgens de gegevens van de gemeentelijke basisadministratie (GBA) met ingang van 9 december 2008 niet meer ingeschreven stond op het adres [adres 2], maar wederom op het briefadres [adres 1]. Gelet hierop had het dagelijks bestuur appellant de gelegenheid moeten geven zijn verzuim te herstellen door het sturen van een uitnodiging naar het nieuwe adres. Nu dit niet is gebeurd heeft het dagelijks bestuur gehandeld in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, met name het zorgvuldigheidsbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel, aldus appellant.

4.5. Met betrekking tot deze beroepsgrond stelt de Raad eerst vast dat bij het huisbezoek op 10 december 2008 bij het dagelijks bestuur bekend is geworden dat appellant kennelijk niet meer woonachtig was op het door hem opgegeven adres, [adres 2] te [naam gemeente], dat er bij de afdeling die belast is met de uitvoering van de WWB van appellant op dat moment geen ander adres bekend was en dat daarin geen aanleiding is gezien na te gaan of het nieuwe adres van appellant bij de GBA bekend was. Vervolgens is ook de uitnodiging van 16 december 2008 opnieuw naar het oude adres gezonden.

4.6. De Raad deelt het standpunt van het dagelijks bestuur dat het in het kader van de op appellant rustende wettelijke inlichtingenverplichting met name op de weg van appellant lag om aan het dagelijks bestuur onverwijld uit eigen beweging mededeling te doen van zijn nieuwe adres. Nu echter ook vaststaat dat de adreswijziging op 9 december 2008 in de GBA is verwerkt en het dagelijks bestuur daarvan in elk geval op 24 december 2008 kennis heeft genomen - en overigens ook al eerder kennis van had kunnen nemen - had het dagelijks bestuur appellant naar het oordeel van de Raad uit het oogpunt van zorgvuldigheid eerst nog een uitnodiging om zijn verzuim te herstellen naar het nieuwe adres van appellant moeten zenden.

4.7. Het onder 4.3 tot en met 4.6 overwogene leidt de Raad tot het oordeel dat het dagelijks bestuur bij afweging van de hierbij rechtstreeks betrokken belangen in redelijkheid geen gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid tot intrekking van de bijstand met ingang van 1 december 2008, zodat die intrekking geen stand kan houden.

4.8. De rechtbank heeft het vorenstaande niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren, het besluit van 1 april 2009 vernietigen en bepalen dat het dagelijks bestuur een nieuw besluit op bezwaar neemt, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

5. Het verzoek van appellant om vergoeding van schade in de vorm van wettelijke rente komt thans niet voor toewijzing in aanmerking, omdat nadere besluitvorming door het dagelijks bestuur noodzakelijk is. Het dagelijks bestuur zal bij zijn nadere besluitvorming tevens aandacht dienen te besteden aan de vraag of, en zo ja in hoeverre, er termen zijn om renteschade te vergoeden.

5.1. De Raad ziet aanleiding om het dagelijks bestuur te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in beroep en op € 874,--in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, derhalve in totaal € 1.518,--.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 1 april 2009;

Bepaalt dat het dagelijks bestuur een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt het dagelijks bestuur in de proceskosten van appellant tot een bedrag van

€ 1.518,--;

Bepaalt dat het dagelijks bestuur aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 149,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman, in tegenwoordigheid van C. de Blaeij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 november 2010.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) C. de Blaeij.

IJ