Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BO5680

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-11-2010
Datum publicatie
02-12-2010
Zaaknummer
08/7419 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Geen redelijke grond voor het afleggen van een bezoek aan de woning van appellant. Inbreuk op huisrecht gemaakt. Huisbezoek onrechtmatig. De bevindingen van het huisbezoek mogen niet gebruikt worden bij de beoordeling van het recht op bijstand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/7419 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 18 november 2008, 07/4768 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 30 november 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.J. Wintjes, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 oktober 2010. Namens appellant is mr. Wintjes verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. van Andel, werkzaam bij de gemeente Rotterdam.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontving vanaf juli 1985 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB), naar de norm voor een alleenstaande.

1.2. Naar aanleiding van een anonieme melding dat appellant zijn woning aan de [adres 1] in [naam gemeente] als opslagruimte dan wel werkplaats zou gebruiken en dat hij niet op dat adres verblijft en al jarenlang samenwoont met zijn vriendin in een nabijgelegen straat, heeft het Interventieteam Noord van de dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid van de gemeente Rotterdam (hierna: SoZaWe) onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. Op 24 januari 2006 is appellant tijdens een gesprek op kantoor van SoZaWe met de ontvangen informatie geconfronteerd. Aansluitend daarop heeft een bezoek aan de woning van appellant plaatsgevonden. Bij dat huisbezoek was tevens een medewerker van de afdeling fraudebestrijding van ENECO aanwezig, die de standen van de gas-, water- en elektrameters heeft opgenomen.

1.3. Bij twee afzonderlijke besluiten van 27 juni 2006 heeft het College de algemene en bijzondere bijstand van appellant met ingang van 1 februari 2006 beëindigd (lees: ingetrokken) op de grond dat appellant niet woonachtig is op het opgegeven adres en dat hij onjuiste informatie heeft verstrekt over zijn woonsituatie als gevolg waarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Bij besluit van 9 oktober 2006 heeft het College het bezwaar tegen de beide besluiten van 27 juni 2006 ongegrond verklaard. Appellant heeft tegen het besluit van 9 oktober 2006 geen rechtsmiddelen aangewend.

1.4. Bij drie afzonderlijke besluiten van 27 juni 2007 heeft het College de gemaakte kosten van algemene bijstand over de periode van 1 oktober 1999 tot en met 31 januari 2006 tot een bedrag van € 72.390,58 van appellant teruggevorderd. Bij besluit van eveneens 27 juni 2007 heeft het College de over de periode van 1 oktober 2003 tot en met 28 februari 2006 gemaakte kosten van periodieke bijzondere bijstand tot een bedrag van € 1.735,34 van appellant teruggevorderd. Bij besluit van eveneens 27 juni 2007 heeft het College de in de maanden december 1999, december 2004, oktober 2005 en februari 2006 gemaakte kosten van incidentele bijzondere bijstand tot een bedrag van € 250,38 van appellant teruggevorderd. Bij besluit van 16 november 2007 heeft het College het bezwaar tegen de vijf besluiten van 27 juni 2007 onder aanvulling van de motivering, zoals weergegeven in het advies van kamer VI van de Algemene Bezwaarschriftencommissie (hierna: commissie) van 13 november 2007, ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 16 november 2007 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft in hoger beroep onder meer aangevoerd dat bij het huisbezoek op 24 januari 2006 niet voldaan is aan de eis van “informed consent”, zodat de door het College tijdens het huisbezoek verkregen informatie als onrechtmatig verkregen bewijs buiten beschouwing moet worden gelaten.

4. De Raad ziet aanleiding om eerst - ambtshalve - te beoordelen of het College de bijstand van appellant over de hiervoor in 1.4 genoemde perioden heeft ingetrokken.

4.1. Naar het oordeel van de Raad zijn bij de vijf besluiten van 27 juni 2007 uitsluitend de gemaakte kosten van bijstand over de daarin genoemde tijdvakken teruggevorderd. De Raad stelt evenwel vast dat bij het besluit van 16 november 2007 wel is overgegaan tot intrekking van de bijstand over de genoemde tijdvakken. Bij dat besluit is het advies van de commissie van 13 november 2007 in zijn geheel overgenomen. De commissie heeft vastgesteld dat met de primaire besluiten is beoogd te komen tot herziening (lees: intrekking) en terugvordering. De commissie is tot de conclusie gekomen dat niet kan worden aangenomen dat appellant hoofdverblijf had op het opgegeven adres en dat als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting niet met voldoende mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat appellant verkeerde in bijstandsbehoeftige omstandigheden. Naar het oordeel van de Raad volgt hieruit dat de commissie de intrekking van de bijstand vanaf 1 oktober 1999 heeft beoordeeld en dat zij zich daarmee heeft kunnen verenigen. Nu het College het advies van de commissie in volle omvang heeft overgenomen, is bij het besluit van 16 november 2007 tot intrekking van aan appellant verleende - algemene en bijzondere - bijstand overgegaan en is dat besluit voorzien van een daarop toegespitste motivering. Daarbij merkt de Raad nog op dat appellant door deze gang van zaken niet in zijn processuele belangen is geschaad omdat in de bezwaarschriftprocedure uitvoerig is ingegaan op de grondslag van de intrekking van de bijstand, te weten de schending van de inlichtingenverplichting door appellant inzake zijn woon- en leefsituatie, waardoor volgens het College het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

4.2. Bij de in 1.3 genoemde besluiten van 27 juni 2006, die inmiddels rechtens onaantastbaar zijn geworden, is de algemene en bijzondere bijstand van appellant per 1 februari 2006 ingetrokken, zodat ter beoordeling voorligt de intrekking van de bijstand in de periode van 1 oktober 1999 tot en met 31 januari 2006.

4.3. De Raad dient in het kader van die beoordeling de vraag te beantwoorden of er voldoende feitelijke grondslag bestaat voor het door het College ingenomen standpunt dat appellant gedurende de te beoordelen periode niet op het door hem opgegeven adres heeft gewoond en dat als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting het recht op bijstand van appellant niet kan worden vastgesteld. De Raad zal eerst ingaan op de beroepsgrond van appellant dat het huisbezoek op 24 januari 2006 onrechtmatig is en dat dit tot gevolg heeft dat de bevindingen van dat huisbezoek buiten beschouwing moeten blijven.

4.4. Artikel 8, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) bepaalt dat een ieder recht heeft op respect voor zijn privé-leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie. Naar vaste rechtspraak van de Raad (zie onder meer de uitspraak van 11 april 2007, LJN BA2410) is geen sprake van inbreuk op het huisrecht als bedoeld in deze verdragsbepaling als de rechthebbende toestemming heeft gegeven voor het binnentreden in de woning. De toestemming moet vrijwillig zijn verleend en op basis van “informed consent”. Dit houdt in dat de toestemming van de belanghebbende berust op volledige en juiste informatie over reden en doel van het huisbezoek en over de gevolgen die het weigeren van toestemming voor de (verdere) verlening van bijstand heeft. Welke gevolgen voor de bijstandsverlening zijn verbonden aan het weigeren van toestemming voor het binnentreden in de woning hangt af van de vraag of een redelijke grond voor het huisbezoek bestaat. Van een dergelijke grond is sprake als voorafgaand aan - dat wil zeggen: vóór of uiterlijk bij aanvang van - het huisbezoek duidelijk is dát en op grond van welke concrete objectieve feiten en omstandigheden redelijkerwijs kan worden getwijfeld aan de juistheid of volledigheid van de door betrokkene verstrekte gegevens, voor zover deze van belang zijn voor het vaststellen van (de omvang van) het recht op bijstand en niet op een andere effectieve en voor betrokkene minder belastende wijze kunnen worden geverifieerd. Is sprake van een redelijke grond voor het afleggen van een huisbezoek dan dient de belanghebbende erop te worden gewezen dat het weigeren van toestemming geen (directe) gevolgen heeft voor de bijstandsverlening. De bewijslast ten aanzien van het “informed consent” bij het binnentreden in de woning berust op het bestuursorgaan. De Raad verwijst in verband met het voorgaande naar - onder meer - zijn uitspraak van

24 november 2009, LJN BK4064.

4.5. Naar het oordeel van de Raad bestond in dit geval geen redelijke grond voor het afleggen van een bezoek aan de woning van appellant op 24 januari 2006. De Raad wijst er in dit verband allereerst op dat naar zijn vaste rechtspraak (zie onder meer de uitspraak van 2 oktober 2007, LJN BB5534) een anonieme tip over de woon- en leefsituatie van degene die bijstand aanvraagt of ontvangt als zodanig geen redelijke grond vormt voor het afleggen van een huisbezoek. Dat van de zijde van SoZaWe nog met de anonieme melder is gesproken, maakt dat niet anders. De Raad is niet gebleken dat overigens voorafgaand aan het huisbezoek van 24 januari 2006 sprake was van concrete objectieve feiten en omstandigheden op grond waarvan redelijkerwijs kon worden getwijfeld aan de juistheid van door appellant over zijn woon- en leefsituatie verstrekte gegevens. Afgaande op het opgestelde rapport van 20 februari 2006, waarin onder meer verslag is gedaan van het huisbezoek op 24 januari 2006, is appellant tijdens het gesprek, dat op 24 januari 2006 voorafgaande aan het huisbezoek heeft plaatsgevonden, alleen geconfronteerd met de ontvangen anonieme melding en heeft hij tijdens dat gesprek geen informatie verstrekt die grond vormde voor twijfel over de juistheid van de door hem verstrekte gegevens over zijn woon- en leefsituatie. Voorts blijkt uit het rapport van 20 februari 2006 niet dat aan appellant is duidelijk gemaakt dat het weigeren van toestemming voor het huisbezoek geen (directe) gevolgen voor de bijstandsverlening heeft.

4.6. Uit hetgeen in 4.4 en 4.5 is overwogen vloeit voort dat met het huisbezoek van 24 januari 2006 een inbreuk op het huisrecht van appellant is gemaakt, zodat het huisbezoek als onrechtmatig moet worden aangemerkt.

4.7. De omstandigheid dat een huisbezoek een onrechtmatig karakter draagt brengt in gevallen als de onderhavige, waarin een redelijke grond voor het afleggen van een huisbezoek ontbreekt, naar het oordeel van de Raad mee dat de bevindingen van dat huisbezoek in beginsel niet mogen worden gebruikt bij de beoordeling van het recht op bijstand van degene jegens wie dat huisbezoek onrechtmatig is. De Raad ziet geen aanknopingspunten om in het geval van appellant van dit uitgangspunt af te wijken.

Dat betekent dat hetgeen tijdens het huisbezoek van 24 januari 2006 is verklaard en waargenomen buiten beschouwing dient te blijven bij de beantwoording van de vraag of appellant al dan niet woonachtig was op het door hem opgegeven adres.

4.8. De Raad stelt vast dat de intrekking van de bijstand van appellant in het bijzonder is gebaseerd op het tijdens het huisbezoek op 24 januari 2006 geconstateerde waterverbruik vanaf 1 oktober 1999. De overige door het College gehanteerde bewijsmiddelen op grond waarvan zou moeten worden geconcludeerd dat appellant zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden door onjuiste inlichtingen te geven over zijn woonsituatie, zijn naar het oordeel van de Raad niet toereikend voor de intrekking van de bijstand met ingang van 1 oktober 1999. Aan de verklaring van de wijkagent dat hij niet beter weet dan dat appellant al minstens vier jaar met mevrouw [naam mevrouw] samenwoont op het adres [adres 2] in [naam gemeente] kan geen betekenis worden gehecht, omdat niet duidelijk is op welke feiten en omstandigheden die wetenschap was gebaseerd. Voorts zijn de resultaten van de buurtonderzoeken op 1 en 2 november 2006, zoals neergelegd in het rapport betreffende een Bijzonder Rechtmatigheidsonderzoek van 5 april 2007, naar het oordeel van de Raad onvoldoende concreet. Bovendien zijn de verklaringen van de gehoorde buurtbewoners niet controleerbaar omdat zij niet bereid waren hun identiteit prijs te geven en zijn die verklaringen niet opgenomen in een ambtsedig opgemaakt proces-verbaal of in een door hen ondertekend verslag.

4.9. De Raad is derhalve van oordeel dat het besluit tot intrekking van de bijstand in de periode van 1 oktober 1999 tot en met 31 januari 2006 niet op een voldoende feitelijke grondslag berust, zodat het besluit van 16 november 2007 voor vernietiging in aanmerking komt. Daaruit vloeit tevens voort dat het besluit tot terugvordering van de gemaakte kosten van algemene en bijzondere bijstand in die periode evenmin in stand kan blijven.

4.10. Het College heeft bij het besluit van 16 november 2007 de terugvordering van de gemaakte kosten van incidentele en periodieke bijzondere bijstand over de maand februari 2006 gehandhaafd. Gelet op het besluit van 27 juni 2006, waarbij de bijzondere bijstand van appellant met ingang van 1 februari 2006 is ingetrokken, was het College onder toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB wel bevoegd de gemaakte kosten van bijstand over de maand februari 2006 van appellant terug te vorderen. Aangezien een terugvorderingsbesluit evenwel als ondeelbaar moet worden beschouwd kan het besluit van 16 november 2007 ook voor zover daarbij de terugvordering van incidentele en periodieke bijzondere bijstand over de maand februari 2006 is gehandhaafd niet in stand blijven.

4.11. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat het hoger beroep slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het besluit van

16 november 2007 wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht vernietigen. Het College zal met inachtneming van de uitspraak van de Raad een nieuw besluit op het bezwaar van appellant dienen te nemen.

5. De Raad ziet aanleiding het College te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in beroep en € 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 16 november 2007;

Bepaalt dat het College met inachtneming van de uitspraak van de Raad een nieuw besluit op bezwaar neemt;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.288,--, waarvan € 644,-- te betalen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het College aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 146,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en J.F. Bandringa en W.F. Claessens als leden, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 november 2010.

(get.) C. van Viegen.

(get.) N.M. van Gorkum.

JvS