Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BO5412

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-11-2010
Datum publicatie
30-11-2010
Zaaknummer
09/6488 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht op WIA-uitkering. Medisch onderzoek is voldoende zorgvuldig. Belastbaarheid is juist vastgesteld. Geselecteerde functies zijn geschikt. De toetsing en de medische beoordeling in het kader van de WWB is niet op één lijn te stellen met die in het kader van de Wet WIA.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/6488 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 27 oktober 2009, 09/13 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 26 november 2010

I. PROCESVERLOOP

Mr. S.B.M.A. Engelen, advocaat te Venlo, heeft namens appellant hoger beroep ingesteld en het Uwv heeft verweer uitgebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 oktober 2010. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. S.C. van Heerd, kantoorgenoot van mr. Engelen. Voor het Uwv is verschenen J.G.M. Huijs.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellant, laatstelijk tot medio 2006 voltijds werkzaam als administratief medewerker, heeft zich “vanuit de WW” per 24 juli 2006 met rug- en spanningsklachten ziek gemeld.

2. Naar aanleiding van zijn aanvraag om een uitkering ingevolge de Wet WIA is appellant onderzocht door een verzekeringsarts die - na van de behandelend psychiater gegevens te hebben verkregen - fysieke alsook psychische beperkingen heeft vastgesteld en in een FML zonder duurbeperking heeft vastgelegd. Op basis van die FML heeft een arbeidsdeskundige drie functies geselecteerd met de vervulling waarvan appellant een inkomen kan verwerven dat een verlies aan verdiencapaciteit oplevert van minder dan 35% (21,46%). Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 22 mei 2008 vastgesteld dat appellant per 21 juli 2008 geen recht op een WIA-uitkering heeft.

3. Bij besluit van 9 december 2008 heeft het Uwv appellants bezwaren tegen het besluit van 22 mei 2008 ongegrond verklaard, appellants bezwaar tegen de overschrijding van de (niet verlengde) beslistermijn gegrond verklaard, de rechtsgevolgen evenwel in stand gelaten en voorts geweigerd in bezwaar gemaakte kosten van rechtsbijstand te vergoeden.

4. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 17 april 2007 (LJN BA2955) wat de reikwijdte van de toetsing in dit soort zaken betreft appellants beroep ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank (samengevat) het volgende overwogen:

- het verzekeringsgeneeskundige onderzoek voldoet aan de daaraan te stellen zorgvuldigheidseisen, er zijn geen aanknopingspunten om de eindconclusies van dat onderzoek in twijfel te trekken en appellants belastbaarheid is in de FML dan ook juist vastgesteld;

- de belasting in de aan de schatting ten grondslag gelegde functies gaat appellants belastbaarheid niet te boven;

- gelet op artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alsook het Besluit proceskosten bestuursrecht en in aanmerking genomen dat de heroverweging in bezwaar niet heeft geleid tot herroeping van het besluit van 22 mei 2008, is appellants verzoek om vergoeding van proceskosten terecht en op goede gronden afgewezen.

5. In hoger beroep heeft appellant, in essentie herhalend wat hij in beroep had aangevoerd, gesteld dat - met name gelet op de uit de behandelend sector afkomstige gegevens - zijn medische beperkingen door het Uwv zijn onderschat en hij de aan de schatting ten grondslag gelegde functies niet kan vervullen.

Nader heeft appellant ter ondersteuning van zijn standpunt ingebracht een besluit van het college van B&W van Venlo van 23 juni 2010 (in het kader van de WWB), inhoudend dat er geen reden is om af te wijken van het advies van Aob Compaz dat hij arbeidsongeschikt is, alsook dat advies, inhoudend dat na arbeidsvermogensonderzoek wordt geconcludeerd dat hij “geen structurele functionele beperkingen heeft en niet in staat is tot het deelnemen aan een traject”, met de daaraan ten grondslag liggende onderzoeksrapporten. Het gaat daarbij om een rapport van onderzoek op 29 maart 2010 door een bedrijfsarts, die is gekomen tot de conclusie dat appellant benutbare mogelijkheden heeft en in een FML zonder duurbeperking diens objectiveerbare fysieke beperkingen heeft vastgelegd, en een rapport van onderzoek op 29 april 2010 door een GZ-psycholoog, die is gekomen tot de conclusie dat er aanwijzingen zijn voor persoonlijkheidsproblematiek welke (mede) de basis vormt voor de depressieve klachten waardoor appellant op dat moment niet belastbaar is voor een arbeidstraject.

6.1. De Raad kan zich vinden in zowel het oordeel van de rechtbank als de overwegingen die tot dat oordeel hebben geleid. Wat de door appellant in hoger beroep ingebrachte gegevens betreft voegt de Raad daaraan nog het volgende toe.

6.2. Het advies van Aob Compaz is kennelijk abusievelijk niet geheel correct (geen structurele functionele beperkingen, maar toch niet in staat tot het deelnemen aan een arbeidstraject), maar dat daargelaten stelt de Raad vast dat dat advies is opgesteld en de gegevens waarop dat advies is gebaseerd zijn vergaard met het oog op een op grond van de WWB te nemen besluit. De toetsing in het kader van de WWB is evenwel niet op één lijn te stellen met die in het kader van de Wet WIA. Voorts hebben de in het kader van de WWB vergaarde gegevens betrekking op de medische situatie waarin appellant volgens die bedrijfsarts en die GZ-psycholoog ten tijde van hun onderzoek op 29 maart 2010 respectievelijk 29 april 2010 verkeerde. Echter, de datum thans in geding is 21 juli 2008. Uit hun rapporten kan niet de conclusie worden getrokken dat hun bevindingen tevens betrekking hebben of kunnen worden betrokken op die aanmerkelijk eerdere datum.

6.3. De bedrijfsarts heeft ook in zijn rapport vermeld de uit “huidige anamnese/onderzoek” verkregen gegevens voldoende te achten voor een adequate claimbeoordeling en de GZ-psycholoog heeft zich louter gebaseerd op de in het rapport van de bedrijfsarts vermelde alsook uit eigen onderzoek en anamnese verkregen gegevens.

De bedrijfsarts is evenzeer gekomen tot de conclusie dat er geen sprake is van een situatie van geen duurzaam benutbare mogelijkheden en geen aanleiding bestaat tot een urenbeperking. Wat het uit de kom schieten betreft heeft de bedrijfsarts in de anamnese als problemen met de beide armen en schouders vermeld dat die, links meer dan rechts, regelmatig, dat wil zeggen ongeveer één- tot tweemaal per maand uit de kom schieten. Dat relaas wijkt sterk af van de vermelding door de huisarts in diens verklaring van 24 februari 2009 dat de linkerschouder vrijwel dagelijks geheel of gedeeltelijk uit de kom schiet. In de door de bedrijfsarts opgestelde FML zijn op een aantal aspecten meer/ernstiger beperkingen vastgesteld dan in de door de verzekeringsarts op 31 maart 2008 opgestelde en sedertdien door de bezwaarverzekeringsarts gehandhaafde FML. Echter, die eerste FML is van aanmerkelijk latere datum, bij het opstellen daarvan is uitgegaan van eigen onderzoek alsook anamnese zonder rekening te houden met bij de behandelend sector beschikbare medische gegevens en ligt noch in lijn met de verklaring van orthopedisch chirurg Van Ooij van 23 april 2009 dat de linkerschouder nooit echt uit de kom is geweest en de subluxatieklachten al meer dan 14 jaren bestaan, noch in lijn met de verklaring van orthopedisch chirurg Morrenhof van 28 april 2009 (na MRI) dat er sprake is van recidiverende (sub)luxaties. Enkel op basis van de bevindingen van de bedrijfsarts kan dan ook niet worden aangenomen dat de (breder gefundeerde) bevindingen van de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts niet juist zijn.

7. Uit het in 6.1 tot en met 6.3 overwogene volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient dan ook te worden bevestigd.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.J.H. Doornewaard, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 november 2010.

(get.) G.J.H. Doornewaard.

(get.) T.J. van der Torn.

KR