Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BO5410

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-11-2010
Datum publicatie
30-11-2010
Zaaknummer
10/1655 WAJONG
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om terug te komen van het eerdergenomen besluit, inhoudende weigering WAJONG-uitkering. Niet gebleken van nieuwe feiten of (veranderde) omstandigheden in de zin van artikel 4:6, Awb

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/1655 WAJONG

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 26 februari 2010, 09/1680 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 26 november 2010

I. PROCESVERLOOP

Mr. J.H.M. Verstraten, advocaat te Tegelen, heeft namens appellant hoger beroep ingesteld en het Uwv heeft verweer uitgebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 oktober 2010.

Voor appellant is verschenen mr. Verstraten, voor het Uwv J.G.M. Huijs.

II. OVERWEGINGEN

1. Bij besluit van 5 december 2000 is (na verzekeringsgenees- en arbeidskundig onderzoek) aan appellant, geboren op 18 februari 1982, een WAJONG-uitkering geweigerd onder overweging dat hij per 18 februari 2000 minder dan 25% arbeidsongeschikt was, aangezien hij medisch gezien in staat was te achten tot het verrichten van passende werkzaamheden waarmee hij ongeveer 100% zou kunnen verdienen van hetgeen de aan hem gelijksoortige gezonde persoon zou verdienen.

Tegen dat besluit is geen rechtsmiddel aangewend.

2.1. Op 30 juni 2009 heeft H.M. Hoogers als (sedert 10 januari 2008) bewindvoerder namens appellant opnieuw een WAJONG-uitkering aangevraagd. Deze aanvraag is door het Uwv aangemerkt als verzoek om terug te komen van het besluit van 5 december 2000.

2.2. Bij besluit van 13 augustus 2009 heeft het Uwv geweigerd terug te komen van het besluit van 5 december 2000 onder overweging dat uit onderzoek door verzekeringsarts Dittrich, die van zijn bevindingen op 10 augustus 2009 (aanvullend) rapport heeft uitgebracht, is gebleken dat geen sprake is van nieuwe feiten of (veranderde) omstandigheden op grond waarvan dat besluit als onjuist is aan te merken.

3. Bij besluit van 22 oktober 2009 is appellants bezwaar tegen het besluit van 13 augustus 2009 na onderzoek door bezwaarverzekeringsarts Tjen, die van zijn bevindingen op 21 oktober 2009 rapport heeft uitgebracht, ongegrond verklaard.

4. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank appellants beroep tegen het besluit op bezwaar ongegrond verklaard, onder verwijzing naar artikel 4:6, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alsook de vaste rechtspraak van de Raad en voorts overweging van het volgende.

Het Uwv heeft zijn standpunt dat niet is gebleken van nieuwe feiten of (veranderde) omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Awb met de onderzoeksbevindingen van verzekeringsarts Dittrich en bezwaarverzekeringsarts Tjen voldoende gemotiveerd alsook de weigering op dat wetsartikel kunnen baseren. Dat appellant, zoals is gesteld, niet in staat is gebleken om regulier werk te aanvaarden, kan niet worden beschouwd als een novum, immers, het dient te gaan om nieuwe medische gegevens met betrekking tot appellants (geestelijke) gezondheidstoestand op of rond 18 februari 2000 en daarvan is de rechtbank niet gebleken. Tjen heeft alle met betrekking tot die datum voorhanden medische gegevens in zijn beoordeling betrokken, maar daarin geen aanleiding gezien om appellants belastbaarheid op die datum te herzien. Namens appellant zijn geen stukken ingebracht die grond vormen om aan het oordeel van Tjen te twijfelen. Het Uwv heeft dan ook verder onderzoek naar appellants belastbaarheid, zoals namens appellant voorgestaan, achterwege kunnen laten, temeer daar uitsluitend de situatie op 18 februari 2000 te dezen van belang is.

5. In hoger beroep heeft appellant in essentie herhaald hetgeen hij in bezwaar en beroep had aangevoerd.

6.1. De Raad kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en de overwegingen die haar tot dat oordeel hebben gebracht. Daarbij tekent de Raad nog het volgende aan.

6.2. In het kader van artikel 4:6 van de Awb moet het gaan om een (nieuw) feit dat of (veranderde) omstandigheid die bij de vorming van het besluit waarvan wordt gevraagd om terug te komen, niet bekend was of kon zijn. Als zodanig kan reeds daarom niet worden aangemerkt een van latere datum zijnde andere waardering van of visie op de feiten of omstandigheden die bij de beoordeling destijds hebben voorgelegen en zijn betrokken. Voorts geldt in dat (beperkte) kader dat het op de weg ligt van degene die vraagt om terug te komen van een besluit, om de voor de besluitvorming benodigde gegevens uiterlijk in de bezwaarfase ter tafel te brengen. Daarmee verdraagt zich niet het inschakelen door het Uwv, de rechtbank of de Raad van een externe onafhankelijke deskundige voor het instellen van een - nader - medisch onderzoek (of onderzoek op een ander terrein) om te kunnen bepalen of er, zoals de aanvrager stelt, sprake is van een nieuw feit of veranderde omstandigheid. Dat laat uiteraard onverlet dat het in dit geval door de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts op basis van de voorhanden medische en andere gegevens ingestelde onderzoek moet voldoen aan de daaraan uit oogpunt van zorgvuldigheid te stellen eisen. De Raad heeft evenwel in de gedingstukken geen aanknopingspunten kunnen vinden om te komen tot het oordeel dat aan die eisen niet is voldaan.

7. Gelet op het in 6.1 en 6.2 overwogene slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak dient dan ook te worden bevestigd.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.J.H. Doornewaard in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 november 2010.

(get.) G.J.H. Doornewaard.

(get.) T.J. van der Torn.

KR