Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BO5402

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-11-2010
Datum publicatie
30-11-2010
Zaaknummer
10/2096 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet-ontvankelijkverklaring beroep. Geen procesbelang.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/2096 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 2 maart 2010, 08/1250 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 26 november 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E.H. Bokhorst, advocaat te Veenendaal, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heft plaatsgevonden op 29 oktober 2010. Appellant is daar, zoals aangekondigd, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F.A. Put.

II. OVERWEGINGEN

1. Bij besluit van 7 november 2007 heeft het Uwv aan appellant met ingang van 1 mei 2006 een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend en daarbij vastgesteld dat de mate van arbeidsongeschiktheid 45 tot 55% was. Bij besluit van 17 april 2008 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van

7 november 2007 ongegrond verklaard.

2.1. In beroep heeft appellant naast gronden betreffende de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit als grond naar voren gebracht dat het Uwv de hoorplicht heeft geschonden. Uit het proces-verbaal van de zitting van de rechtbank van 19 januari 2010 blijkt dat de gronden met betrekking tot de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit niet zijn gehandhaafd.

2.2. De rechtbank heeft vastgesteld dat het geschil enkel nog ziet op de vraag of het Uwv de hoorplicht heeft geschonden, welke vraag door haar ontkennend is beantwoord.

3. In hoger beroep meent appellant dat het beroep tegen het bestreden besluit ten onrechte ongegrond is verklaard. Weliswaar heeft appellant op het “antwoordformulier hoorzitting” van 3 december 2007 aangegeven dat hij zijn bezwaar niet wilde toelichten tijdens een hoorzitting, maar bij later schrijven van 15 maart 2008, waarin hij de gronden van het bezwaar aanvult, is hij daar in die zin op teruggekomen dat hij alsnog om een persoonlijk onderhoud heeft verzocht, meer in het bijzonder met de arbeidsdeskundige.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. De Raad is van oordeel dat de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ten onrechte ongegrond heeft verklaard. Zoals hiervoor in 2.1 is overwogen heeft appellant ter zitting van de rechtbank verklaard zijn gronden met betrekking tot de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit niet langer te handhaven. De beoordeling van de enige aldus in beroep slechts overblijvende vraag of het Uwv de hoorplicht heeft geschonden betreft slechts een louter formeel of principieel belang, hetgeen niet toereikend is voor het aannemen van (voldoende) procesbelang. Ook anderszins heeft de Raad in de gedingstukken geen aanknopingspunten gevonden voor het aannemen van procesbelang.

4.2. Nu de rechtbank dit niet heeft onderkend en zij het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond heeft verklaard in plaats van dit niet-ontvankelijk te verklaren, dient de aangevallen uitspraak te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk verklaren.

5. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk;

Bepaalt dat het Uwv aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 111,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen als voorzitter, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 november 2010.

(get.) J.P.M. Zeijen.

(get.) T.J. van der Torn.

KR