Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BO5345

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-11-2010
Datum publicatie
30-11-2010
Zaaknummer
09/5410 AKW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering toekenning kinderbijslag met terugwerkende kracht. Nu appellant eerst in 2006 een aanvraag om kinderbijslag heeft ingediend en de Raad niet gebleken is van een “veiligstellen” (...), kan aan appellant op grond van artikel 14 van de AKW geen kinderbijslag meer worden toegekend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/5410 AKW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats], Marokko (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 13 augustus 2009, 07/320 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen

appellant

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).

Datum uitspraak: 26 november 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend, waarna appellant een nadere reactie heeft ingezonden.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad op 24 september 2010, waar partijen niet zijn verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant, geboren in 1948, heeft in het verleden in Nederland werkzaamheden verricht. Hij is in 1992 wegens ziekte uitgevallen voor zijn werk en is met behoud van een Ziektewetuitkering naar Marokko teruggekeerd. Uit de stukken komt verder naar voren dat op enig moment in 1992 deze uitkering is beëindigd en dat appellant nog tot het vierde kwartaal van 1992 kinderbijslag ten behoeve van enkele kinderen heeft ontvangen.

1.2. In oktober 2006 heeft appellant bij de Svb een aanvraag ingediend om aan hem met ingang van 1993 kinderbijslag krachtens de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) toe te kennen ten behoeve van zijn kinderen geboren in 1970, 1973, 1976, 1978, 1980 en 1986. Op het aanvraagformulier heeft appellant aangegeven dat hij over de periode 1993 tot 2006 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) heeft ontvangen.

1.3. Bij besluit van 13 november 2006 heeft de Svb het recht van appellant op kinderbijslag beoordeeld met ingang van het vierde kwartaal van 2005 en de aanvraag afgewezen op de grond dat appellant niet verzekerd was voor de AKW.

1.4. Bij besluit van 20 december 2006 (hierna: bestreden besluit) heeft de Svb het door appellant tegen het besluit van 13 november 2006 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft - onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 16 april 2009 (LJN BI1716) - onder meer geoordeeld dat appellant zijn stelling dat hij zijn recht op kinderbijslag voorafgaand aan zijn aanvraag van oktober 2006 heeft veiliggesteld, niet aannemelijk heeft gemaakt.

3. In hoger beroep heeft appellant zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd en aangegeven dat hij van mening is dat hij in het verleden zijn recht op kinderbijslag wel heeft veiliggesteld.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Ingevolge artikel 6, derde lid, van de AKW is verzekerd degene, die

a. ingezetene is, of

b. geen ingezetene is, maar ter zake van in Nederland in dienstbetrekking verrichte arbeid aan de loonbelasting is onderworpen.

4.2. Niet in geschil is dat appellant niet woonachtig is in Nederland en geen arbeid in Nederland verricht, zodat geen aanspraak op kinderbijslag kan worden ontleend aan het onder 4.1 genoemde wetsartikel.

4.3. Uit de stukken is gebleken dat aan appellant kennelijk met terugwerkende kracht tot 1993 een WAO-uitkering is toegekend. Deze toekenning heeft ertoe geleid dat appellant met terugwerkende kracht ingevolge de artikelen 8 van het Besluit uitbreiding en beperking kring der verzekerden volksverzekeringen (Stb. 1989, 164) en 26 van het Koninklijk Besluit van 24 december 1998 (KB 746) verplicht verzekerd is geweest ingevolge de volksverzekeringen. Artikel 26 van KB 746 is echter op 1 januari 2000 komen te vervallen. Vervolgens rijst de vraag of appellant na 1 januari 2000 voortgezet verplicht verzekerd is gebleven op grond van de overgangsregeling, zoals deze tot 1 januari 2006 was opgenomen in artikel 27 van KB 746 en vervolgens aanspraak op kinderbijslag kon ontlenen aan het per 1 januari 2006 ingetreden artikel 7c van de AKW.

4.4. Om voor voortgezette verzekering op grond van artikel 27, eerste lid, van KB 746 in aanmerking te komen, moet appellant onder meer voldoen aan de voorwaarde dat hij in het vierde kwartaal van 1999 recht had op kinderbijslag. Zoals de Raad in zijn uitspraken van 3 februari 2010 (onder meer LJN BL3669) heeft geoordeeld dient de zinsnede “recht had op kinderbijslag” in artikel 27 van KB 746 zo te worden uitgelegd, dat daarbij bepalend is de vraag of daadwerkelijk - al dan niet met terugwerkende kracht - kinderbijslag is toegekend over het vierde kwartaal van 1999. Ingevolge artikel 14, derde lid, van de AKW kan het recht op kinderbijslag niet vroeger ingaan dan één jaar voorafgaand aan de eerste dag van het kalenderkwartaal tijdens welke de aanvraag om kinderbijslag werd ingediend, tenzij sprake is van een bijzonder geval. Van een bijzonder geval, leidend tot een toekenning van kinderbijslag over het vierde kwartaal van 1999, zou sprake kunnen zijn als appellant zijn aanspraken op kinderbijslag op enig moment voor dat kwartaal zou hebben “veiliggesteld” als bedoeld in de uitspraken van de Raad van, onder meer, 16 april 2009 (LJN BI1505). Nu appellant eerst in 2006 een aanvraag om kinderbijslag heeft ingediend en de Raad niet gebleken is van een “veiligstellen” als hiervoor bedoeld, kan aan hem op grond van artikel 14 van de AKW geen kinderbijslag meer worden toegekend over het vierde kwartaal van 1999 en evenmin over de kwartalen gelegen voor en na dat kwartaal.

4.5. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 november 2010.

(get.) J.P.M. Zeijen.

(get.) D.E.P.M. Bary.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederland (Postbus 20303, 2500 EH

’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip kring van verzekerden.

KR