Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BO5153

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-11-2010
Datum publicatie
30-11-2010
Zaaknummer
09/4196 WUV en 09/5336 WUV
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling vergoeding voor aanschaf auto. Verweerster heeft appellant in 2002 duidelijk gewaarschuwd dat bij een volgende aanvraag uitgegaan zou worden van de laagste prijsklasse. Daarom is het niet zo, dat appellant op grond van de besluiten in het verleden erop mocht vertrouwen dat hij ook nu een vergoeding van een auto in een hogere prijsklasse toegekend zou krijgen. Ook overigens is de Raad niet kunnen blijken dat appellant op grond van zijn claustrofobieklachten is aangewezen op een andere dan een auto als door verweerster genoemd (Lada of Dacia). Appellant heeft voorheen gereden in onder andere een Skoda Felicia. Niet valt in te zien waarom appellant nu niet in een qua grootte vergelijkbare auto zou kunnen rijden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/4196 WUV en 09/5336 WUV

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in de gedingen tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], (Duitsland) (hierna: appellant),

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)

Datum uitspraak: 18 november 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft beroepen ingesteld tegen de door verweerster onder dagtekening 5 juni 2009, kenmerken BZ 48017, JZ/U70/2009 en BZ 48196, JZ/U85/2009, ten aanzien van hem genomen besluiten ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: Wuv).

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 juli 2010. Appellant is (na berichtgeving) niet verschenen en verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

Het onderzoek is daarna heropend. Appellant heeft een nader stuk (met bijlagen) ingediend. Partijen hebben vervolgens beiden toestemming gegeven als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht om een tweede behandeling ter zitting achterwege te laten.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant, geboren in 1939, is vervolgde en uitkeringsgerechtigde in de zin van de Wuv. Aan hem zijn een periodieke uitkering en diverse voorzieningen toegekend in verband met de bij hem aanwezige, met de vervolging verband houdende klachten, te weten: psychische klachten en gebitsklachten. In verband met de psychische klachten heeft verweerster aan appellant bij besluit van 26 november 1996 een vergoeding toegekend van de aanschafkosten van een auto. Verweerster heeft een bedrag van f 24.204,11 toegekend.

1.2. In 2001 heeft appellant bij verweerster opnieuw een aanvraag ingediend voor de aanschaf van een auto. Bij besluit van 23 januari 2002, zoals aangevuld bij besluit van 30 augustus 2002, heeft verweerster aan appellant een vergoeding toegekend van € 10.983,35 voor de aanschaf van een auto, te verminderen met het inruilbedrag.

In een begeleidende brief van 30 augustus 2002 heeft verweerster aan appellant meegedeeld dat bij een eventuele volgende toekenning van een auto voor de vaststelling van de vergoeding uitgegaan zal worden van een auto in de goedkoopste prijsklasse.

1.3. Op 20 mei 2008 heeft appellant bij verweerster opnieuw een aanvraag ingediend voor de aanschaf van een auto. Bij besluit van 24 juli 2008 heeft verweerster aan appellant een vergoeding toegekend. In een daarbij gevoegde brief van dezelfde datum heeft verweerster aan appellant meegedeeld dat deze vergoeding voldoende is voor de aanschaf van een auto in de laagste prijsklasse. In een betalingsbeschikking van 14 oktober 2008 heeft verweerster het toegekende bedrag vastgesteld op € 5.700,-. Tegen het besluit van 24 juli 2008 en de betalingsbeschikking van 14 oktober 2008 heeft appellant bezwaren ingediend. Verweerster heeft het bezwaar tegen het besluit van 24 juli 2008 ongegrond verklaard en het bezwaar tegen het besluit van 14 oktober 2008 niet-ontvankelijk verklaard.

2. Appellant heeft in beroep in hoofdzaak aangevoerd dat hij vanwege zijn claustrofobie is aangewezen op een grotere auto. Verweerster had hierover volgens appellant navraag moeten doen bij zijn behandelend artsen, onder wie zijn psychiater. Ook door zijn adipositas is appellant aangewezen op een grotere auto. Appellant wordt ’s nachts vaak wakker als gevolg van zijn nachtmerries en eet dan om weer rustig te worden, zodat zijn adipositas in verband staat met zijn causale psychische klachten. Ten slotte wijst appellant er op dat verweerster in 1997 en 2002 de aanschaf van een grotere auto heeft vergoed op grond van de claustrofobische klachten van appellant.

3. Verweerster heeft aangevoerd dat er geen aanwijzingen zijn dat sprake is van een dusdanige claustrofobie dat appellant niet in een auto uit de laagste prijsklasse kan rijden. Daarom is er geen medische indicatie voor een grotere auto dan waarop het normbedrag is gebaseerd. Appellant heeft na zijn eerste melding dat zijn auto groot moet zijn, nog jarenlang normaal gebruik gemaakt van onder andere een Skoda Felicia. In de lijst van auto’s uit de laagste prijsklasse zijn auto’s van vergelijkbare afmeting opgenomen. Dat het postuur en gewicht van appellant alsmede het feit dat hij lijdt aan de ziekte van Bechterew zijn wens om een ruime auto invoelbaar doen zijn, maakt het besluit niet anders. Deze redenen staan niet in verband met de ondergane vervolging.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. Verweerster heeft ten onrechte in de behandeling van appellants bezwaren de besluiten over de toekenning van de vergoeding en de vaststelling van het bedrag niet gezien als onderdelen van één besluit en daarom ook ten onrechte niet volstaan met één besluit op bezwaar.

4.2. Het geschil spitst zich toe op de vraag of het besluit om aan appellant een vergoeding van een auto naar het geldende normbedrag voor een reguliere auto toe te kennen, stand kan houden.

4.3. Het uitgangspunt van verweerster dat wordt gekozen voor vergoeding van de voordeligste auto die toereikend is voor appellant, gezien zijn medische beperkingen, acht de Raad houdbaar.

4.4. Aan appellant is vanwege zijn claustrofobieklachten in 1996 een vergoeding van een auto toegekend. Vanwege deze klachten werd appellant niet in staat geacht om te reizen met het openbaar vervoer. Uit de gedingstukken blijkt niet dat aan appellant vanwege deze klachten de vergoeding van kosten van een auto in een duurdere prijsklasse zijn toegekend. Of anders gezegd: in 1996 werden de claustrofobieklachten niet dusdanig ingeschat dat dit leidde tot een hogere vergoeding dan voor een reguliere auto. Verweerster heeft toegelicht dat de vergoeding van het hogere bedrag in 1996 tot stand is gekomen door de informatie van het Duitse Consulaat over de autoprijzen in de laagste prijsklasse in Duitsland, welke informatie achteraf bezien niet juist was. Aanvankelijk heeft verweerster in 2002 een lagere vergoeding toegekend, maar vanwege de door de eerdere toekenning bij appellant gewekte verwachtingen heeft verweerster nog eenmaal een hogere vergoeding dan voor een auto uit de laagste prijsklasse toegekend. Verweerster heeft appellant in 2002 duidelijk gewaarschuwd dat bij een volgende aanvraag uitgegaan zou worden van de laagste prijsklasse. Daarom is het niet zo, dat appellant op grond van de besluiten in het verleden erop mocht vertrouwen dat hij ook nu een vergoeding van een auto in een hogere prijsklasse toegekend zou krijgen.

4.5. Ook overigens is de Raad niet kunnen blijken dat appellant op grond van zijn claustrofobieklachten is aangewezen op een andere dan een auto als door verweerster genoemd (Lada of Dacia). Appellant heeft voorheen gereden in onder andere een Skoda Felicia. Niet valt in te zien waarom appellant nu niet in een qua grootte vergelijkbare auto zou kunnen rijden.

4.6. De Raad volgt daarom appellant niet in zijn grieven en zal de beroepen ongegrond verklaren.

5. Er is geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding. Omdat verweerster ten onrechte twee besluiten op bezwaar heeft genomen en appellant daardoor genoodzaakt was twee keer beroep in te stellen, ziet de Raad wel aanleiding om te bepalen dat verweerster aan appellant het door hem in één beroep betaalde griffierecht van € 35,- vergoedt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart de beroepen ongegrond;

Bepaalt dat verweerster aan appellant het door hem in één zaak betaalde griffierecht van € 35,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door G.L.M.J. Stevens als voorzitter en A.J. Schaap en A.A.M. Mollee als leden, in tegenwoordigheid van C. de Blaeij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 november 2010.

(get.) G.L.M.J. Stevens.

(get.) C. de Blaeij.

HD