Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BO5108

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-11-2010
Datum publicatie
30-11-2010
Zaaknummer
09/4610 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Betrokkene is in staat gebleken zijn functioneren en gedrag te verbeteren en wel zodanig dat er ten tijde van het ontslagbesluit feitelijk geen sprake meer was van ongeschiktheid. De Raad is van oordeel dat de korpsbeheerder niet bevoegd was betrokkene wegens ongeschiktheid te ontslaan. Het besluit tot het buitenfunctiestellen van appellant berust op soortgelijke gronden en moet worden geoordeeld dat de korpsbeheerder ook op dit punt niet bevoegd was. Vernietiging uitspraak. Vernietiging besluit. Herroept de besluiten van 9 oktober 2007 en 5 november 2007.

Wetsverwijzingen
Ambtenarenwet
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2011/44
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/4610 AW Q.

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 30 juli 2009, 08/341 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Korpsbeheerder van de politieregio Drenthe (hierna: korpsbeheerder)

Datum uitspraak: 11 november 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De korpsbeheerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 september 2010. Appellant is vertegenwoordigd door mr. W.J. Dammingh, advocaat te Woerden. De korpsbeheerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B. Benedick, werkzaam bij de politieregio Drenthe.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant was sedert 1 november 1998 werkzaam bij de politieregio Drenthe, aanvankelijk in Meppel en vanaf 1 april 1999 in Westerveld. Met ingang van 1 oktober 2002 was hij gestationeerd bij de wijkeenheid Hoogeveen-Oost.

1.2. Bij besluit van 29 april 2004 heeft de korpsbeheerder appellant met ingang van 1 mei 2004 met toepassing van artikel 94, eerste lid, aanhef en onder f, van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) eervol ontslag verleend wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid, anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken. Bij besluit van

10 november 2004 heeft de korpsbeheerder het bezwaar van appellant tegen het besluit 29 april 2004 ongegrond verklaard.

1.3. Bij uitspraak van 12 juli 2007, LJN BB0120, heeft de Raad het beroep van appellant tegen het besluit van 10 november 2004 geheel gegrond verklaard en dit besluit vernietigd; tevens heeft de Raad het primaire besluit van 29 april 2004 herroepen. De Raad heeft in deze uitspraak onder meer het volgende overwogen, waarbij met betrokkene appellant is bedoeld:

“3.1.3. Aan de korpsbeheerder kan worden toegegeven dat er uit het in november 2003 gestarte onderzoek (…) gedragingen aan het licht zijn gekomen, die (…) de conclusie rechtvaardigen dat betrokkene destijds niet beschikte over de eigenschappen, mentaliteit en instelling die voor het op goede wijze vervullen van zijn functie zijn vereist en hem derhalve ongeschikt doen zijn voor een functie bij de politie.

(…)

3.1.5. Naar vaste jurisprudentie van de Raad (zie CRvB 6 januari 2005, LJN AS2575 en CRvB 23 augustus 2006, LJN AY8059 en TAR 2006, 188) rechtvaardigt het niet beschik-ken over de eigenschappen, mentaliteit en instelling voor het op goede wijze vervullen van de functie nog niet zonder meer een ongeschiktheidsontslag. Daartoe is in het algemeen vereist dat de betrokken ambtenaar op zijn functioneren of gedrag is aangesproken en in de gelegenheid is gesteld dit te verbeteren. Dit is slechts anders in een, als uitzonderlijk aan te merken, situatie, waarin het bieden van een verbeterkans niet zinvol zou zijn.

3.1.6. Een dergelijke uitzonderlijke situatie doet zich in het geval van betrokkene niet voor. Daarbij heeft de Raad in aanmerking genomen dat betrokkene, na zijn disciplinaire bestraffing in mei 2003 en nadat hij zijn werk bij de eenheid Hoogeveen-Oost had hervat, blijkens het op 10 november 2003 opgestelde functioneringsverslag goed heeft gefunctioneerd en dat er van de in Westerveld ondervonden problemen in Hoogeveen niets was te merken. Betrokkene is dus in staat gebleken zijn functioneren en gedrag te verbeteren en wel zodanig dat er ten tijde van het ontslagbesluit feitelijk geen sprake meer was van ongeschiktheid. Onder deze omstandigheden is de Raad van oordeel dat de korpsbeheerder niet bevoegd was betrokkene wegens ongeschiktheid te ontslaan.”

1.4. Vervolgens heeft de korpsbeheerder appellant bij besluit van 9 oktober 2007 met toepassing van artikel 84, tweede lid, van het Barp met onmiddellijke ingang buiten functie gesteld. De korpsbeheerder heeft hierbij als zijn mening gegeven dat appellant wegens de gedragingen die tot het door de Raad vernietigde ontslagbesluit hebben geleid niet in dienst van de politie gehandhaafd kon worden. De korpsbeheerder was daarom, naar hij voorts meedeelde, voornemens appellant met toepassing van artikel 95 van het Barp (“andere gronden”) te ontslaan. Nadat appellant zijn zienswijze op dit voornemen had gegeven, heeft de korpsbeheerder bij besluit van 5 november 2007 met ingang van 1 juni 2004 uitvoering gegeven aan dit voornemen. Bij het bestreden besluit van 23 april 2008 heeft de korpsbeheerder de bezwaren van appellant tegen de besluiten van 9 oktober 2007 en 5 november 2007 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak, voor zover hier van belang, het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd overweegt de Raad het volgende.

3.1. Het ontslag

3.1.1. De thans door de korpsbeheerder gehanteerde ontslaggrond houdt in dat een impasse in de arbeidsverhouding is ontstaan en daarom van een vruchtbare samenwerking geen sprake meer kan zijn. De stelling dat zo’n impasse bestaat vloeit rechtstreeks voort uit het standpunt van de korpsbeheerder dat het niet verantwoord was appellant in dienst te houden van de politieregio gezien de door appellant in het verleden tentoongespreide gedragingen. Het gaat hier om dezelfde gedragingen als die welke tot het eerdere ongeschiktheidsontslag per 1 mei 2004 hebben geleid. Naar het oordeel van de Raad heeft de korpsbeheerder er hiermee blijk van gegeven de uitspraak van de Raad van 12 juli 2007 niet juist te hebben verstaan. In wezen berust immers (ook) het opnieuw verleende ontslag op de gedachte dat appellant de geschiktheid mist om op de vereiste wijze te functioneren als politieambtenaar. Deze gedachte verdraagt zich niet met de eerdere uitspraak van de Raad. Volgens die uitspraak is appellant immers na de door de korpsbeheerder terecht gewraakte gedragingen in staat gebleken zijn gedrag zo te verbeteren dat er feitelijk geen sprake meer was van ongeschiktheid.

3.1.2. Hieruit volgt dat de gestelde impasse niet is terug te voeren op een deugdelijke grond. De korpsbeheerder ontbeerde dan ook de bevoegdheid appellant ontslag te verlenen als geschied.

3.2. De buitenfunctiestelling

3.2.1. Gezien hetgeen de Raad hiervoor over het ontslag heeft overwogen en nu het besluit tot het buitenfunctiestellen van appellant op soortgelijke gronden berust, moet worden geoordeeld dat de korpsbeheerder ook op dit punt niet bevoegd was.

3.3. Het voorgaande betekent dat de aangevallen uitspraak evenals het bestreden besluit moeten worden vernietigd. Aangezien de gebreken die kleven aan het bestreden besluit niet kunnen worden hersteld zal de Raad de primaire besluiten van 9 oktober 2007 en 5 november 2005 herroepen.

4. Appellant heeft verzocht om vergoeding van de kosten in verband met de behandeling van het bezwaar. Nu de Raad het besluit van 5 november 2007 zal herroepen wegens aan de korpsbeheerder te wijten onrechtmatigheid is er aanleiding de korpsbeheerder op grond van artikel 7:15 in verbinding met artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te veroordelen in de kosten van appellant in bezwaar. Deze kosten worden begroot op € 1.127,- aan kosten van rechtsbijstand.

5. In het vorenstaande vindt de Raad aanleiding de korpsbeheerder op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant in eerste aanleg tot een bedrag van € 644,- en in hoger beroep tot een bedrag van € 644,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

Herroept de besluiten van 9 oktober 2007 en 5 november 2007;

Veroordeelt de korpsbeheerder in de kosten van appellant in verband met de behandeling van het bezwaar, het beroep en het hoger beroep tot een bedrag van € 2.415,-, te betalen door de korpsbeheerder;

Bepaalt dat de korpsbeheerder aan appellant het door hem betaalde griffierecht van in totaal € 368,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en B.J. van de Griend als leden, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 november 2010.

(get.) K. Zeilemaker.

(get.) P.W.J. Hospel.

HD