Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BO5104

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-11-2010
Datum publicatie
30-11-2010
Zaaknummer
09/3947 AW + 09/4219 AW + 09/4905 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De Raad kan niet meegaan in de aanname van de rechtbank dat het dagelijks bestuur begin juni 2006 al heeft gekozen voor ontslag en niet serieus verdere pogingen heeft ondernomen om ontslag te vermijden. Aan betrokkene is in juni 2006 een andere passende functie aangeboden. Dat daarnaast ook een aanbod voor outplacement is gedaan kan de conclusie van de rechtbank evenmin dragen. Betrokkene is vervolgens een periode volledig arbeidsongeschikt geweest en toen er geen medische belemmeringen meer bestonden, zijn aan betrokkene zelfs twee functies aangeboden, op welk aanbod betrokkene niet is ingegaan omdat zij alleen wilde re-integreren in haar eigen functie. Hieruit kan slechts de conclusie worden getrokken dat het dagelijks bestuur geen overwegend aandeel heeft in het ontstaan en voortbestaan van de uiteindelijke impasse. De rechtbank heeft daarom ten onrechte geoordeeld dat het dagelijks bestuur betrokkene nog een zekere mate van tegemoetkoming had dienen toe te kennen. Vernietiging uitspraak. Beroep ongegrond. Vernietiging besluit van 3 augustus 2009.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2011/43
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/3947 AW

09/4219 AW

09/4905 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

[betrokkene], wonende te [woonplaats], (hierna: betrokkene), en

het Dagelijks Bestuur van de Kamer van Koophandel Den Haag (hierna: dagelijks bestuur),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 17 juni 2009, 08/5305 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

betrokkene

en

het dagelijks bestuur

Datum uitspraak: 11 november 2010

I. PROCESVERLOOP

Beide partijen hebben hoger beroep ingesteld.

Beide partijen hebben een verweerschrift ingediend.

Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft het dagelijks bestuur een nieuwe beslissing op bezwaar genomen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 september 2010. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. H.J. van Gijssel, advocaat te ’s-Gravenhage. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F.I.M. Tevette, advocaat te ’s-Gravenhage.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Betrokkene trad op 1 december 1997 als medewerker Financiële Administratie in dienst bij (de rechtsvoorganger van) de Kamer van Koophandel Den Haag. Zij verrichtte haar werkzaamheden met drie collega’s en een leidinggevende op de afdeling Financiële Administratie (hierna: afdeling).

1.2. Begin 2003 viel betrokkene tijdens een zwangerschap uit met medische klachten. Na afloop van haar bevallingsverlof was zij nog enige tijd volledig arbeidsongeschikt ten gevolge van de zwangerschap en bevalling. In november 2003 hervatte zij haar werkzaamheden voor 50%. Periodes van volledige en gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid wisselden elkaar sindsdien af.

1.3. Toen problemen in de onderlinge sfeer en samenwerking op de afdeling werden gesignaleerd, is aan de Arbo Unie verzocht die problemen in kaart te brengen en verbetervoorstellen te doen. De medewerkers van de afdeling zijn op 30 mei 2006 geïnformeerd over de uitkomsten van dit onderzoek en van het op basis van deze uitkomsten door de leidinggevende opgestelde plan van aanpak. Afgesproken is dat op 1 juni 2006 de medewerkers met elkaar het plan van aanpak doorspreken en de volgende dag aangeven of zij voldoende basis zien voor verdere samenwerking. Betrokkene heeft uitstel gevraagd en gekregen voor het nemen van de beslissing of zij nog voldoende basis zag voor verdere samenwerking. Mede vanwege dit verzoek om uitstel van betrokkene hebben de drie andere medewerkers van de afdeling aangegeven geen vertrouwen te

hebben dat uitvoering van het plan van aanpak kan zorgen voor herstel van de sfeer en een werkbare samenwerking op de afdeling.

1.4. Op verzoek van het dagelijks bestuur heeft mr. J.J. Blanken op 22 juni en 4 juli 2006 afzonderlijke interviews bij de medewerkers en het hoofd van de afdeling afgenomen. Op basis van de verslagen van die interviews heeft het dagelijks bestuur geconstateerd dat sprake is van een zodanige verstoring van de verhoudingen op de afdeling dat iedere poging tot herstel bij voorbaat zinloos moet worden geacht. In aansluiting op een bespreking met betrokkene en haar raadsman is bij brief van 31 augustus 2006 onder meer het aanbod gedaan betrokkene te plaatsen in de functie van medewerker Verkoop-ondersteuning, dan wel inschakeling van een outplacementbureau. Dit aanbod is niet geaccepteerd.

1.5. Op 27 oktober 2006 heeft het Uwv op verzoek van betrokkene als deskundigen-oordeel uitgesproken dat betrokkene op en na 8 augustus 2006 niet geschikt was voor haar werk. In januari 2007 heeft de bedrijfsarts aangegeven dat betrokkene nog steeds ziek is, haar eigen werk niet kan doen, maar wel kan re-integreren in passend werk op een neutrale werkplek. Aan betrokkene is op 22 februari 2007 nogmaals de functie van medewerker Verkoopondersteuning aangeboden, in welke functie zij via een opbouw-schema zou kunnen re-integreren. Een aan het Uwv verbonden arbeidsdeskundige heeft in het kader van een deskundigenoordeel in april 2007 het standpunt ingenomen dat de functie van medewerker Verkoopondersteuning geen passende functie is, omdat het een voltijdse functie is en betrokkene op dat moment maximaal 10 uur per week kon werken. Het dagelijks bestuur heeft hierin aanleiding gezien een functie-ongeschiktheidsadvies te vragen aan het Uwv. Betrokkene is op 31 augustus 2007 in opdracht van het Uwv door een verzekeringsarts onderzocht en heeft op 7 september 2007 het dagelijks bestuur laten weten haar eigen werkzaamheden zo spoedig mogelijk te willen hervatten. In een op 24 september 2007 gehouden overleg is gewezen op de mogelijkheid van herplaatsing in de functie van medewerker Verkoopondersteuning, dan wel in de functie van medewerker Financiële Administratie bij de Kamer van Koophandel Rijnland. Verder is bij brief van 11 oktober 2007 aan betrokkene een concreet voorstel gedaan om in onderling overleg tot een oplossing te komen. Het Uwv heeft op 12 oktober 2007 het advies uitgebracht dat betrokkene op de voorgenomen ontslagdatum twee jaar ongeschikt is voor de functie van medewerker Financiële Administratie, maar dat zij dat naar verwachting niet meer zal zijn binnen zes maanden na die datum.

1.6. Bij besluit van 31 oktober 2007 heeft het Uwv de eerder aan betrokkene toegekende WAO-uitkering met ingang van 2 november 2007 ingetrokken omdat betrokkene weer geschikt was voor haar eigen werk. Bij brief van 12 november 2007 is betrokkene andermaal de functie van medewerker Verkoopondersteuning aangeboden. Na afwijzing van dit aanbod is betrokkene bij besluit van 17 december 2007, overeenkomstig het aan

haar kenbaar gemaakte voornemen, met toepassing van artikel 54, eerste lid, aanhef en onder c, van het Rechtspositiereglement Kamer van Koophandel Haaglanden (Rpr) met ingang van 31 december 2007 ontslag verleend “op andere gronden”. Het bezwaar van betrokkene tegen het ontslag is bij besluit van 30 juni 2008 (hierna: bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft een ook door betrokkene ingesteld beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen het uitblijven van een beslissing op het verzoek om toepassing van artikel 46 van het Rpr ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het beroep van betrokkene voor zover gericht tegen de ongegrondverklaring van het bezwaar tegen het ontslag gegrond verklaard, het bestreden besluit in zoverre vernietigd en het dagelijks bestuur opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. Daarbij heeft de rechtbank, kort samengevat, overwogen dat sprake was van een verstoorde verhouding tussen betrokkene en haar werkomgeving, dat terugkeer van betrokkene naar haar oude werkplek redelijkerwijs niet meer tot de mogelijkheden behoorde en dat de verhoudingen zodanig verstoord waren geraakt dat voortzetting van het dienstverband redelijkerwijs niet van het dagelijks bestuur kon worden verwacht. Het dagelijks bestuur kon naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid overgaan tot het verlenen van ontslag aan betrokkene, toen pogingen om een oplossing voor het gerezen probleem te vinden niet tot resultaat hadden geleid.

De rechtbank heeft verder overwogen dat, hoewel niet kan worden gesteld dat de verstoorde arbeidsrelatie in overwegende mate aan het dagelijks bestuur is te wijten, het dagelijks bestuur zich meer had moeten inspannen om tot een oplossing te komen. Omdat het dagelijks bestuur begin juni 2006 al heeft gekozen voor ontslag en niet serieus verdere pogingen heeft ondernomen om ontslag te vermijden, is de rechtbank van oordeel dat geen ontslag had mogen worden verleend zonder daarbij, bovenop de ingevolge artikel 54, derde lid, van het Rpr minimaal toe te kennen uitkering, een zekere mate van tegemoetkoming toe te kennen. Ten overvloede heeft de rechtbank een tegemoetkoming van € 10.000,- bruto adequaat en redelijk genoemd.

2.1. Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft het dagelijks bestuur bij besluit van 3 augustus 2009 het bezwaar van betrokkene tegen het ontslagbesluit gedeeltelijk gegrond verklaard, betrokkene bovenop de gegarandeerde uitkering eenmalig een bedrag van € 10.000,- bruto toegekend en voor het overige het ontslagbesluit gehandhaafd.

2.2. Het hoger beroep van betrokkene richt zich vooral tegen de vaststelling door de rechtbank dat het dagelijks bestuur haar in redelijkheid heeft kunnen ontslaan. Verder kan zij zich niet verenigen met de hoogte van de in het besluit van 3 augustus 2009 toegekende tegemoetkoming.

2.3. Het dagelijks bestuur verzet zich tegen de vaststelling door de rechtbank dat het dagelijks bestuur een aanvullende vergoeding aan betrokkene had moeten toekennen omdat het zich onvoldoende heeft ingespannen om tot een oplossing te komen. Volgens het dagelijks bestuur is het ontstaan van de verstoorde arbeidsverhouding en de impasse voornamelijk te wijten aan het gedrag en de houding van betrokkene en konden er door de opstelling van betrokkene geen alternatieve oplossingen gevonden worden om uit de impasse te raken.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad het volgende.

4. Het hoger beroep van betrokkene

4.1. De afwijzing van de rechtbank van het verzoek van betrokkene om [naam getuige] als getuige te doen horen, kan de Raad billijken. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen ligt het zwaartepunt van het geding in de periode vanaf 2006 en kan [naam getuige] over die periode niet uit eigen waarneming verklaren.

4.2. De Raad deelt niet het standpunt van betrokkene dat het waarheidsgehalte van de verslagen van door Blanken gehouden interviews met haar collega’s uitermate dubieus is. Alle collega’s hebben het verslag van het met ieder van hen gehouden interview, zonodig na aanvulling of wijziging, voor akkoord ondertekend. Omdat in de verslagen zowel de gestelde vragen als de gegeven antwoorden zijn opgenomen, is inzichtelijk dat de interviewer zakelijke en open vragen heeft gesteld. Dat de interviews zijn gehouden door degene, die in de bezwarenprocedure en bij de rechtbank het college heeft vertegen-woordigd, maakt de interviews evenmin dubieus. Van enige vorm van beïnvloeding door de interviewer is de Raad niet gebleken.

De met de collega’s gehouden interviews laten overigens geen ander beeld zien dan het beeld dat oprijst uit het rapport van de Arbo Unie, zij het dat ten tijde van het houden van de interviews de collega’s unaniem hebben aangegeven geen enkel vertrouwen meer te hebben dat op basis van het in 1.3 genoemde plan van aanpak weer een normale werk-situatie kan worden bereikt. Het vragen van uitstel door betrokkene voor een antwoord op de vraag of zij bereid was op basis van het plan van aanpak te werken aan verbetering van de werksituatie, heeft voor de collega’s als de bekende laatste druppel gewerkt.

4.3. Gelet op deze omstandigheden heeft het dagelijks bestuur in redelijkheid het standpunt kunnen innemen dat sprake was van een zodanig verstoorde verhouding dat voortzetting van de samenwerking tussen betrokkene en haar collega’s geen optie meer was. Gelet op de benodigde continuïteit heeft het dagelijks bestuur in redelijkheid de keus kunnen maken om betrokkene, en niet haar collega’s, niet langer te laten werken op de afdeling.

4.4. Het dagelijks bestuur heeft getracht betrokkene te herplaatsen, zowel binnen de organisatie in de functie van medewerker Verkoopondersteuning, als daarbuiten in de functie van medewerker Financiële Administratie bij de (toenmalige) Kamer van Koophandel Rijnland. De stelling van betrokkene dat laatstgenoemde functie geen reëel aanbod betrof wijst de Raad af. Dat geldt ook voor de stelling van betrokkene dat zij niet geschikt was voor de functie van medewerker Verkoopondersteuning. Het is juist dat in april 2007 een deskundigenoordeel luidde dat de functie van medewerker Verkoopondersteuning niet geschikt was voor betrokkene. Dat deskundigenoordeel zag op de situatie zoals die was in januari 2007 en strekt zich niet uit tot de situatie in september 2007, toen er geen medische belemmeringen meer bestonden voor werkhervatting. Uit het op 24 september 2007 met betrokkene gehouden gesprek blijkt dat betrokkene nog slechts bereid was mee te werken aan re-integratie in haar eigen functie, een optie die het dagelijks bestuur terecht als niet reëel heeft gezien.

4.5. Het dagelijks bestuur heeft betrokkene daarna nog een voorstel gedaan om in onderling overleg tot een oplossing te komen. Op dit voorstel is betrokkene niet ingegaan, en evenmin op het opnieuw gedane aanbod om te hervatten in de functie van medewerker Verkoop-ondersteuning.

4.6. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat vanwege de ontstane impasse het dagelijks bestuur bevoegd was om betrokkene te ontslaan op “andere gronden” en dat het dagelijks bestuur in redelijkheid van die ontslagbevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. Het hoger beroep van betrokkene slaagt niet.

5. Het hoger beroep van het dagelijks bestuur

5.1. Het dagelijks bestuur heeft betrokkene ter zake van haar ontslag de minimaal toe te kennen uitkering ingevolge artikel 54, derde lid, van het Rpr verleend. Volgens vaste rechtspraak (CRvB 23 mei 2001, LJN AD3438 en TAR 2001, 122) kan de rechter slechts tot het oordeel komen dat een dergelijke uitkeringsregeling onvoldoende is, indien zou komen vast te staan dat het het dagelijks bestuur is geweest dat een overwegend aandeel heeft gehad in het ontstaan en voortbestaan van de impasse die tot het ontslag heeft geleid, of indien gezegd zou moeten worden dat het dagelijks bestuur met het oog op de omstandigheden van het geval een uitkering die niet uitgaat boven het niveau van het reguliere wachtgeld, niet redelijk heeft kunnen achten.

5.2. Voorafgaand aan de uiteindelijke impasse was sprake van een verstoorde arbeidsrelatie. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat niet kan worden gesteld dat de verstoorde arbeidsrelatie in overwegende mate aan het dagelijks bestuur is te wijten. Naar het oordeel van de Raad kan de leidinggevende wellicht wel worden verweten dat hij niet eerder heeft ingegrepen om de steeds slechter wordende verstandhouding tussen

betrokkene en haar collega’s te herstellen. Toen eenmaal wel werd ingegrepen is het toch voornamelijk de houding van betrokkene geweest die herstel van de arbeidsrelatie onmogelijk heeft gemaakt.

5.3. De Raad kan niet meegaan in de aanname van de rechtbank dat het dagelijks bestuur begin juni 2006 al heeft gekozen voor ontslag en niet serieus verdere pogingen heeft ondernomen om ontslag te vermijden. Aan betrokkene is in juni 2006 een andere, en naar het oordeel van de Raad passende, functie aangeboden. Dat daarnaast ook een aanbod voor outplacement is gedaan kan de conclusie van de rechtbank evenmin dragen. Betrokkene is vervolgens een periode volledig arbeidsongeschikt geweest en toen er geen medische belemmeringen meer bestonden, zijn aan betrokkene zelfs twee functies aangeboden, op welk aanbod betrokkene niet is ingegaan omdat zij alleen wilde re-integreren in haar eigen functie. Naar het oordeel van de Raad kan hieruit slechts de conclusie worden getrokken dat het dagelijks bestuur geen overwegend aandeel heeft in het ontstaan en voortbestaan van de uiteindelijke impasse. De rechtbank heeft daarom ten onrechte geoordeeld dat het dagelijks bestuur betrokkene nog een zekere mate van tegemoetkoming had dienen toe te kennen. Het hoger beroep van het dagelijks bestuur slaagt.

5.4. Voor zover de aangevallen uitspraak betrekking heeft op het (gehandhaafde) ontslag van betrokkene moet die uitspraak worden vernietigd. Die vernietiging betreft dus ook de bepalingen over de vergoeding van griffierecht en proceskosten. Het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit moet ongegrond worden verklaard.

5.5. De overwegingen in 5.3 brengen met zich dat aan het ter uitvoering van de aangevallen uitspraak genomen besluit van 3 augustus 2009, dat de Raad op de voet van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in dit geding mede beoordeelt, de grondslag is komen te ontvallen, zodat ook dit besluit moet worden vernietigd.

6. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover deze betrekking heeft op het ontslag van betrokkene;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond;

Vernietigt het besluit van 3 augustus 2009.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en M.C. Bruning en W.H. Bel als leden, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 november 2010.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) I. Mos.

HD