Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BO5067

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-11-2010
Datum publicatie
26-11-2010
Zaaknummer
09/6981 WUBO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om erkenning als burger-oorlogsslachtoffer op de grond - samengevat - dat in onvoldoende mate is aangetoond of aannemelijk is gemaakt dat appellant is getroffen door onder de Wubo vallend oorlogsgeweld. Niet is miskend dat appellant tijdens de Bersiap-periode angstige omstandigheden heeft ervaren. De Wubo heeft echter een beperkte strekking hetgeen meebrengt dat erkenning als burger-oorlogsslachtoffer is gebonden aan de in die wet omschreven specifieke gebeurtenissen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/6981 WUBO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant]s, wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

en

de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)

Datum uitspraak: 18 november 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening 11 december 2009, kenmerk BZ 9241, JZ/O60/2009, ten aanzien van hem genomen besluit (hierna: bestreden besluit) ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo).

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 oktober 2010. Daar is appellant in persoon verschenen. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. T.R.A. Dircke, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant, geboren in 1943 in het voormalige Nederlands-Indië, heeft in februari 2009 bij verweerster een aanvraag ingediend om te worden erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wubo en als zodanig in aanmerking te worden gebracht voor, onder meer, een periodieke uitkering. In dat verband heeft appellant gewezen op gebeurtenissen tijdens de zogenoemde Bersiap-periode, te weten:

(I) het steeds met zijn moeder en zuster moeten vluchten van het ene adres naar het andere adres;

(II) de moord op vader en zoon [J.] die woonden op één van de adressen waar appellant heeft verbleven;

(III) het moeten vluchten naar en het verblijf in het 10e Bataljon in Batavia.

1.2. Bij besluit van 16 juli 2009, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit heeft verweerster de aanvraag van appellant afgewezen op de grond - samengevat - dat in onvoldoende mate is aangetoond of aannemelijk is gemaakt dat appellant is getroffen door onder de Wubo vallend oorlogsgeweld.

2. De Raad overweegt als volgt.

2.1. Op grond van artikel 2, eerste lid, onder a, b, d en f, van de Wet wordt - voor zover hier van belang - onder burger-oorlogsslachtoffer verstaan:

degene die tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 of gedurende de daaraan direct aansluitende periode van ongeregeldheden in het voormalige Nederlands-Indië (de zogenoemde Bersiap-periode) lichamelijk of psychisch letsel heeft opgelopen

- ten gevolge van met de krijgsverrichtingen of ongeregeldheden direct verbonden handelingen of omstandigheden;

- ten gevolge van direct tegen hem gerichte handelingen of maatregelen door de Japanse bezetter of daarmee vergelijkbare omstandigheden tijdens de Bersiap-periode;

- ten gevolge van confrontatie met extreem geweld tegen derden door de Japanse bezetter of daarmee vergelijkbare omstandigheden tijdens de Bersiap-periode.

2.2. Uit het bepaalde in artikel 2 van de Wubo volgt dat voor erkenning als burger-oorlogsslachtoffer primair de voorwaarde geldt dat de aanvrager direct betrokken is geweest bij oorlogsgeweld als omschreven in dat artikel. Pas als een zodanige betrokkenheid is vastgesteld, kunnen de medische gevolgen daarvan een rol spelen. Verweerster heeft dan ook terecht in de eerste plaats beoordeeld of bij appellant sprake is geweest van directe betrokkenheid bij oorlogsgeweld.

2.3. Met betrekking tot het onder 1.1 (I) gestelde is de Raad met verweerster van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat appellant daadwerkelijk heeft moeten vluchten omdat hij zich in direct levensgevaar bevond en/of dat zijn leven in gevaar is geweest gedurende deze vluchtsituatie, zoals in het kader van de Wubo is vereist. Uit de bij de beoordeling van de aanvraag betrokken relatiedossiers van zijn moeder en zuster blijkt veeleer dat er sprake is geweest van het vluchten uit voorzorg vanwege het dreigende Bersiap-geweld. Het vluchten om zich te onttrekken aan een in het algemeen en voor iedereen bedreigende oorlogssituatie is geen gebeurtenis die onder de werking van de Wubo valt.

2.4. Voor wat betreft de onder 1.1 (II) genoemde moorden onderschrijft de Raad het door verweerster ingenomen standpunt dat die gebeurtenis niet onder de werking van de Wubo kan worden gebracht, omdat appellant heeft aangegeven daarvan geen getuige te zijn geweest.

2.5. Met betrekking tot het onder 1.1 (III) genoemde is door appellant niet gesteld noch is uit de gegevens van zijn moeder en zuster gebleken dat die vlucht heeft plaatsgevonden vanuit of onder direct levensbedreigende omstandigheden. Het verblijf in het 10e Bataljon, dat dienst heeft gedaan als opvangkamp, kan op zichzelf niet onder de werking worden gebracht. Eventuele (levensbedreigende) omstandigheden tijdens het verblijf in het 10e Bataljon kunnen wel onder de Wubo worden gebracht. Dergelijke omstandigheden zijn, althans in het gedeelte van het kamp waar appellant verbleef, door hem niet gesteld en zijn evenmin gebleken uit de gegevens van zijn moeder of zuster. Voor de als lotgenoten genoemde neven [R.]. en [H.] heeft gegolden dat zij tijdens het verblijf in het 10e Bataljon direct betrokken zijn geweest bij beschietingen en dat zij om die reden op grond van de Wubo zijn aanvaard. In zoverre verkeren deze neven in een andere situatie dan appellant.

2.6. Appellant heeft nog naar voren gebracht dat aan zijn moeder en zuster op basis van dezelfde oorlogsgebeurtenissen wel een uitkering is toegekend. De Raad kan appellant hierin niet volgen. Zoals namens verweerster is toegelicht ontvangt de zuster van appellant weliswaar een uitkering op grond van de Wubo maar ligt daaraan een geheel andere gebeurtenis ten grondslag die door appellant bij zijn aanvraag niet is genoemd. De moeder van appellant is nimmer in het kader van de Wubo erkend maar heeft bij leven een uitkering ontvangen op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers

1940-1945 als nabestaande van haar (tweede) echtgenoot. Uit de gegevens van zijn zuster en moeder is de Raad overigens niet gebleken dat appellant dezelfde gebeurtenissen heeft meegemaakt.

3. Gelet op het voorgaande concludeert de Raad dat het bestreden besluit in rechte kan standhouden. Daarmee is zeker niet miskend dat appellant tijdens de Bersiap-periode angstige omstandigheden heeft ervaren. De Wubo heeft echter een beperkte strekking hetgeen meebrengt dat erkenning als burger-oorlogsslachtoffer is gebonden aan de in die wet omschreven specifieke gebeurtenissen.

4. De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en R. Kooper en A.J. Schaap als leden, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 november 2010.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) I. Mos.

HD