Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BO4978

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-11-2010
Datum publicatie
25-11-2010
Zaaknummer
08/1469 WAO + 08/1470 ZW + 08/1471 ZW + 10/56 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening en nabetaling WAO-uitkering. Verrekening en terugvordering ziekengeld. De specificatie met de vaststelling van de hoogte van de na te betalen WAO-uitkering is een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, omdat bij de vaststelling van het na te betalen bedrag aan WAO-uitkering over een afgesloten periode in het verleden een wijziging optreedt ten opzichte van de voorgaande betaling van de WAO-uitkering. Berekening ziekengeld is niet onjuist. Geen schadevergoeding, omdat appellant de omvang van die schade niet heeft becijferd en met bewijsstukken heeft onderbouwd.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 1:3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/1469 WAO, 08/1470 ZW, 08/1471 ZW en 10/56 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraken van de rechtbank Maastricht van 14 februari 2008, 07/602, 07/603 en 07/604 (hierna: aangevallen uitspraak 1) en 23 december 2009, 08/1855 (hierna aangevallen uitspraak 2)

in de gedingen tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 24 november 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.C.S. Grégoire, thans advocaat te Beek, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraken.

Het Uwv heeft verweerschriften ingediend.

Mr. Grégoire heeft desgevraagd op het verweerschrift in de gedingen 08/1469 WAO, 08/1470 ZW en 08/1471 ZW bij brief van 4 mei 2009 gereageerd.

Op verzoek van de Raad heeft het Uwv hierop met een schrijven van 22 juli 2009 gereageerd.

De voornoemde gemachtigde heeft desgevraagd een schriftelijke reactie van 27 augustus 2009 ingezonden.

Het onderzoek ter zitting van het geding 08/1469 WAO heeft plaatsgevonden op 20 november 2009, waar appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Grégoire, en het Uwv zich heeft laten vertegenwoordigen door E.W. Huiskamp. Het onderzoek ter zitting is geschorst en dit geding is opnieuw ter behandeling aan de orde gesteld op de nadere zitting van 15 december 2009, waar partijen, na voorafgaand bericht, niet zijn verschenen. Partijen is daarna bericht dat het onderzoek niet volledig is geweest en dat het onderzoek in dit geding is heropend.

Vervolgens heeft het onderzoek ter zitting van alle gedingen gevoegd plaatsgevonden op 13 oktober 2010. Appellant en zijn gemachtigde zijn, met schriftelijk bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door F.P.L. Smeets.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is in januari 2000 uitgevallen voor zijn werk als internationaal vrachtwagenchauffeur met (post)whiplashklachten en is per 9 januari 2001 in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Die uitkering is per 11 april 2003 berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%. Daarnaast is appellant een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) toegekend. Vanuit die uitkeringssituatie heeft appellant zich op 11 januari 2005 ziek gemeld met linkerschouderklachten. Het Uwv heeft de WW-uitkering met ingang van deze datum beëindigd en appellant in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW).

1.2. Bij besluit van 8 maart 2006 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellant (na een wachttijd van vier weken) met terugwerkende kracht tot 8 februari 2005 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Bij brief van 22 juni 2006 heeft het Uwv appellant bericht dat hij recht heeft op een nabetaling van de verhoogde WAO-uitkering over de periode van 8 februari 2005 tot 1 april 2006 ten bedrage van € 6.186,77 netto. Met twee besluiten van 16 juni 2006 heeft het Uwv appellant geïnformeerd over de consequenties van de herziene WAO-uitkering voor de hoogte van zijn ZW-uitkering met ingang van 8 februari 2005. Bij brief van 19 juni 2006 heeft het Uwv appellant een betalingsspecificatie van de ZW-uitkering over de periode van 2 januari 2006 tot en met 18 juni 2006 doen toekomen, waaruit blijkt van een bruto verrekening van het ziekengeld over deze periode ten bedrage van € 2.878,80. Tegen voornoemde besluiten/brieven van 16 juni 2006, 19 juni 2006 en 22 juni 2006 heeft appellant bezwaar gemaakt. Bij besluit van 7 september 2006 heeft het Uwv de als gevolg van de herziening van de WAO-uitkering onverschuldigd betaalde ZW-uitkering over de periode van 2 januari 2006 tot en met 11 juni 2006 ad € 4.460,85 na verrekening van voornoemd bedrag van € 2.878,80 tot een bedrag van € 1.582,05 van appellant teruggevorderd. Ook tegen dit besluit heeft appellant bezwaar gemaakt.

1.3. Bij besluit op bezwaar 1 van 26 maart 2007 heeft het Uwv het bezwaar tegen de besluiten van 16 juni 2006 en de betalingspecificatie van 19 juni 2006 gegrond verklaard, deze besluiten en de bepalingsspecificatie herroepen en het uit te betalen gedeelte van de ZW-uitkering per 8 februari 2005 vastgesteld op € 4,61 per uitkeringsdag. Bij besluit op bezwaar 2 van 23 maart 2007 is het bezwaar tegen het besluit van 22 juni 2006 ongegrond verklaard. Bij besluit op bezwaar 3 van 23 maart 2007 heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 7 september 2006 gedeeltelijk gegrond verklaard en de hoogte van de terugvordering gewijzigd vastgesteld op € 3.927,25. Omdat er, anders dan in het besluit van 7 september 2006 was vermeld, niets was verrekend, is dit hele bedrag van appellant teruggevorderd. Appellant heeft tegen deze besluiten van 23 maart 2007 beroep ingesteld.

1.4. Hangende beroep heeft het Uwv een drietal nieuwe besluiten op bezwaar afgegeven. Onder intrekking van het besluit op bezwaar 2 van 23 maart 2007 heeft het Uwv het bezwaar tegen de nabetalingspecificatie van 22 juni 2006 bij besluit van 18 oktober 2007 alsnog niet-ontvankelijk verklaard omdat deze brief van 22 juni 2006 slechts een informatief karakter had, niet gericht was op rechtsgevolg en derhalve geen besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Onder intrekking van het besluit op bezwaar 1 van 23 maart 2007 heeft het Uwv bij besluit (1) van 26 november 2007 het bezwaar gegrond verklaard en het uit te betalen bedrag van de ZW-uitkering per 8 februari 2005 vastgesteld op € 7,12 en per 2 januari 2006 op € 7,18 per dag. Onder intrekking van het besluit op bezwaar 3 van 23 maart 2007 heeft het Uwv bij besluit (2) van 26 november 2007 het bezwaar tegen het besluit van 7 september 2006 gegrond verklaard en van terugvordering van de onverschuldigd betaalde ZW-uitkering over de periode van 2 januari 2006 tot 11 juni 2006 afgezien.

1.5. Op 15 september 2008 heeft het Uwv de over de periode van 1 februari 2005 tot en met 31 december 2005 aan appellant onverschuldigd betaalde ZW-uitkering ad € 7.352,28 van hem teruggevorderd. Appellant heeft daartegen bezwaar gemaakt. Bij besluit op bezwaar van 6 november 2008 heeft het Uwv dit bezwaar niet-ontvankelijk verklaard omdat de beslissing van 15 september 2008 identiek was aan een eerder besluit van 26 november 2007 en derhalve niet als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb kan worden aangemerkt.

2.1. In aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het besluit van 18 oktober 2007 en het besluit (1) van 26 november 2007 in de beoordeling betrokken en, voor zover hier van belang, hierover het navolgende overwogen. Ten aanzien van het besluit (1) van 26 november 2007 heeft de rechtbank geoordeeld, dat de reden waarom appellant het niet eens is met dit besluit betrekking heeft op besluiten die niet in geding zijn terwijl de rechtbank geen aanleiding ziet voor het oordeel dat de nader vastgestelde hoogte van het ziekengeld onjuist is. Dit heeft de rechtbank tot de slotsom geleid dat het beroep tegen het besluit op bezwaar 1 van 23 maart 2007 niet-ontvankelijk is, omdat het Uwv dit besluit niet heeft gehandhaafd, en dat het beroep tegen besluit (1) van 26 november 2007 ongegrond dient te worden verklaard. Ten aanzien van het besluit van 18 oktober 2007 heeft de rechtbank het standpunt van het Uwv onderschreven dat de brief van 22 juni 2006 geen besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. De rechtbank heeft geconcludeerd dat het beroep tegen het besluit 2 van 23 maart 2007 niet-ontvankelijk is omdat het Uwv dit besluit niet heeft gehandhaafd, en dat het beroep tegen het besluit van 18 oktober 2007 ongegrond is. Ten aanzien van het besluit 2 van 26 november 2007 heeft de rechtbank overwogen dat het beroep niet geacht kan worden mede hiertegen te zijn gericht, omdat het Uwv met dit besluit geheel aan het bezwaar van appellant is tegemoet gekomen. De rechtbank heeft ten slotte het beroep tegen besluit 3 van 23 maart 2007

niet-ontvankelijk verklaard omdat het Uwv dit besluit niet heeft gehandhaafd.

2.2. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak 2 overwogen dat ingevolge vaste jurisprudentie van de Raad een herhaling van een besluit geen besluit is als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Awb en dat dit ook geldt voor het besluit van 15 september 2008, zodat het Uwv op goede gronden het bezwaar niet-ontvankelijk heeft verklaard.

3. De Raad, oordelend over hetgeen appellant tegen de aangevallen uitspraken heeft aangevoerd, overweegt het volgende.

3.1. Voor zover appellant in hoger beroep heeft aangevoerd dat het Uwv door het samenstel van besluiten onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt wat de gevolgen waren van het niet aangevochten besluit van 8 maart 2006 in de sfeer van verrekening, (na)betaling en terugvordering merkt de Raad op, dat de rechtbank in de aangevallen uitspraak 1 hierin terecht aanleiding heeft gezien het Uwv in alle zaken te veroordelen in de proceskosten die appellant redelijkerwijs heeft moeten maken.

08/1469 WAO

3.2. Anders dan de rechtbank is de Raad, onder verwijzing naar zijn uitspraken van 16 november 2005, LJN AU6817, en 7 april 2010, LJN BM3173, van oordeel dat de specificatie van 22 juni 2006, waarbij het Uwv de hoogte van de na te betalen WAO-uitkering over de periode van 8 februari 2005 tot 1 april 2006 op een bedrag van € 6.186,77 netto vaststelt, een besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, omdat bij de vaststelling van het na te betalen bedrag aan WAO-uitkering over een afgesloten periode in het verleden een wijziging optreedt ten opzichte van de voorgaande betaling van de WAO-uitkering. De Raad vernietigt de aangevallen uitspraak 1 in zoverre, alsmede het besluit van 18 oktober 2007. Daarmee ziet de Raad zich voor de vraag gesteld of bij besluit op bezwaar 2 van 23 maart 2007 het bezwaar tegen het besluit van 22 juni 2006 terecht ongegrond is verklaard. De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend, mede in aanmerking genomen dat appellant in bezwaar, beroep en hoger beroep de (berekening van de) nabetaling op zichzelf niet heeft bestreden.

08/1470 ZW

3.3. Ten aanzien van het besluit 1 van 26 november 2007 onderschrijft de Raad de overweging van de rechtbank dat er geen aanknopingspunten zijn voor het oordeel dat de nader vastgestelde hoogte van het (uit te betalen) ziekengeld per 8 februari 2005 en per 2 januari 2006 onjuist is. Dit leidt de Raad tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak 1 in zoverre voor bevestiging in aanmerking komt.

08/1471 ZW

3.4. De Raad stelt vast dat appellant in hoger beroep geen gronden heeft aangevoerd tegen het oordeel van de rechtbank in de aangevallen uitspraak 1 ten aanzien van het besluit 2 van 26 november 2007 en het besluit 3 van 23 maart 2007. De rechtbank heeft overwogen dat het beroep niet geacht kan worden mede te zijn gericht tegen het besluit 2 van 26 november 2007 omdat het Uwv met dit besluit geheel aan het bezwaar van appellant is tegemoet gekomen. De rechtbank heeft het beroep tegen besluit 3 van 23 maart 2007 niet-ontvankelijk verklaard omdat het Uwv dit besluit niet heeft gehandhaafd. De Raad ziet geen aanknopingspunten om dit oordeel van de rechtbank voor onjuist te houden en onderschrijft de aangevallen uitspraak 1 in zoverre.

3.5. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak 1 omtrent het verzoek om schadeloosstelling overwogen dat niet gebleken is dat de door appellant bestreden terugvordering daadwerkelijk is geëffectueerd, zodat appellant in zoverre geen schade heeft geleden. Voor zover appellant heeft aangevoerd dat de handelwijze van het Uwv dat appellant over de jaren 2005 en 2006 een te hoog belastbaar inkomen heeft gehad en dat dit negatieve gevolgen heeft gehad voor het recht op studietoelage/-financiering van zijn dochter, heeft de rechtbank overwogen dat het enige bestuursrechtelijke aanknopingspunt voor deze vordering is gelegen in het onder 1.2 genoemde besluit van 8 maart 2006. Nu appellant tegen dit besluit geen bezwaar heeft gemaakt moet dit besluit geacht worden rechtmatig te zijn. Voor zover appellant meent nadeel te hebben geleden door de feitelijke nabetaling van de WAO-uitkering in juni 2006 staat hem naar het oordeel van de rechtbank de weg naar de burgerlijke rechter open. De Raad onderschrijft de overwegingen en het oordeel van de rechtbank en voegt daaraan toe dat de door appellant geleden schade in verband met een te hoog belastbaar inkomen over 2005 en 2006 niet voor vergoeding in aanmerking kan komen, reeds omdat appellant de omvang van die schade niet heeft becijferd en met bewijsstukken heeft onderbouwd.

10/56 ZW

3.6. De Raad komt in dit geding niet tot een ander oordeel dan de rechtbank en stelt zich derhalve achter de overwegingen van de rechtbank in de aangevallen uitspraak 2. In dit verband merkt de Raad nog op dat hij het beroepschrift van appellant tegen het voorafgaande terugvorderingsbesluit van 26 november 2007, bij brief van

29 november 2007 door appellant ingediend in de gedingen bij de rechtbank die hebben geleid tot de aangevallen uitspraak 1, heeft aangemerkt als bezwaarschrift en met toepassing van artikel 6:15 van de Awb aan het Uwv heeft doorgestuurd.

3.7. Hetgeen de Raad onder 3.1 tot en met 3.6 heeft overwogen leidt de Raad tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak 1, voor zover daarbij is beslist in het geding 07/603, voor vernietiging in aanmerking komt. De Raad verklaart het beroep tegen het besluit van 18 oktober 2007 gegrond en vernietigt dat besluit. De Raad verklaart voorts het beroep tegen het besluit op bezwaar 2 van 23 maart 2007 ongegrond. Voor het overige komt de aangevallen uitspraak 1 voor bevestiging in aanmerking. Ook de aangevallen uitspraak 2 komt voor bevestiging in aanmerking.

4. De Raad acht termen aanwezig om het Uwv op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal derhalve € 966,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt aangevallen uitspraak 1 voor zover daarbij is beslist in het geding 07/603;

Vernietigt het besluit van 18 oktober 2007;

Verklaart het beroep tegen het besluit op bezwaar 2 van 23 maart 2007 ongegrond;

Bevestigt aangevallen uitspraak 1 voor het overige;

Bevestigt aangevallen uitspraak 2;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep in het geding 08/1469 WAO tot een bedrag van € 966,-, te betalen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het Uwv het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht in het geding 08/1469 WAO van in totaal € 146,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.M. van de Kerkhof en M.C.M. van Laar als leden, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 november 2010.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) T.J. van der Torn.

KR