Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BO4977

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-11-2010
Datum publicatie
25-11-2010
Zaaknummer
09-1867 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ongewijzigde vaststelling WAO-uitkering. De Raad kan het standpunt van appellant, inhoudende dat de rechtbank een te grote waarde aan het expertiserapport van Kenter heeft toegekend niet volgen. De rechtbank heeft haar oordeel dat appellant de beperkingen van betrokkene onvoldoende heeft onderkend immers niet uitsluitend gebaseerd op het expertiserapport van Kenter, waarin een psychiater en psycholoog hebben geconcludeerd dat bij betrokkene sprake is van een chronisch ernstig depressieve stoornis. Ook de informatie van de behandelaars is door de rechtbank bij haar beoordeling betrokken. De Raad is van oordeel dat de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapportages van 23 juli 2008, 27 november 2008 en 1 mei 2009 onvoldoende heeft gemotiveerd dat de depressieve klachten van betrokkene op de datum in geding, 8 februari 2008, niet tot verdergaande beperkingen op de FML dienen te leiden.

. Voorts is de Raad van oordeel dat ook de conclusie van de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapportage van 23 juli 2008 dat er in vergelijking met de laatste medische beoordeling op 7 februari 2006 geen relevante medische veranderingen zijn, zich niet verdraagt met zijn conclusie dat op grond van de aanpassingsstoornis bij betrokkene reden is in de rubrieken I (persoonlijk functioneren) en II (sociaal functioneren) van de FML enige beperkingen aan te houden. Op grond hiervan kan naar het oordeel van de Raad niet van een consistente oordeelsvorming worden gesproken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/1867 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 23 februari 2009, 08/6051 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene)

en

appellant.

Datum uitspraak: 24 november 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld, waarbij een rapportage van de bezwaarverzekeringsarts R.M. Hulst van 1 mei 2009 is overgelegd.

Namens betrokkene heeft mr. W.G. Fischer, advocaat te Haarlem, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 oktober 2010. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. J.P.H. Loogman. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. Fischer.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Op 2 mei 2000 is betrokkene uitgevallen voor zijn werk als croupier bij Holland Casino. Per einde wachttijd is hem een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, die laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. Daarnaast was hij nog gedurende 19 uur per week werkzaam als spelobservator bij Holland Casino.

1.2. Op 22 januari 2008 heeft betrokkene aan appellant verzocht om de mate van zijn arbeidsongeschiktheid te herbeoordelen, omdat zijn werkgever het aantal uren wilde uitbreiden en hem onregelmatige diensten wilde laten verrichten. Bij brief van 25 januari 2008 heeft appellant aan betrokkene meegedeeld dat hij vooralsnog geen aanleiding ziet de mate van arbeidsongeschiktheid te (her)beoordelen. Naar aanleiding van de reactie hierop van de zijde van betrokkene heeft appellant bij besluit van 26 februari 2008 aan betrokkene meegedeeld dat hij geen aanleiding ziet om terug te komen op het gestelde in de beslissing van 25 januari 2008.

1.3. Bij besluit van 4 augustus 2008 (hierna: bestreden besluit) heeft appellant het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 26 februari 2008, onder verwijzing naar rapportages van de bezwaarverzekeringsarts Hulst van 23 juli 2008 en 28 juli 2008 en van de bezwaararbeidsdeskundige R.B. van Vliet van 31 juli 2008, ongegrond verklaard. Daarbij is besloten dat de mate van arbeidsongeschiktheid van betrokkene per 8 februari 2008 ongewijzigd dient te worden vastgesteld naar de klasse van 45 tot 55%.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat appellant een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen met inachtneming van de uitspraak, alsmede bepalingen gegeven met betrekking tot vergoeding van griffierecht en proceskosten. De rechtbank heeft geoordeeld dat het aannemelijk is dat gelet op de in de rapportage van de expertise door een psycholoog en psychiater van Kenter gestelde diagnose, welke wordt onderschreven door de behandelend sector, bij betrokkene op de datum in geding sprake was van ernstig depressieve klachten als gevolg waarvan betrokkene zeer beperkt belastbaar was. Appellant heeft betrokkenes beperkingen volgens de rechtbank onvoldoende onderkend door bij het vaststellen van de arbeidsbeperkingen op de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) slechts uit te gaan van een bij betrokkene bestaande “aanpassingsstoornis”, die -zoals de bezwaarverzekeringsarts ook in beroep heeft gesteld- niet noodzaakt tot een urenbeperking en/of beperking tot het slechts mogen verrichten van regelmatige diensten.

3. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat het door betrokkene overgelegde expertiserapport van Kenter niet voldoet aan de Richtlijn Medisch Specialistische Rapportage (van de Werkgroep Medisch Specialistische Rapportage) en dat de rechtbank derhalve ten onrechte een te grote waarde heeft toegekend aan dit rapport.

4. De Raad, oordelend over hetgeen appellant tegen de aangevallen uitspraak heeft aangevoerd, overweegt het volgende.

4.1. De Raad kan het standpunt van appellant, inhoudende dat de rechtbank een te grote waarde aan het expertiserapport van Kenter heeft toegekend niet volgen. De rechtbank heeft haar oordeel dat appellant de beperkingen van betrokkene onvoldoende heeft onderkend immers niet uitsluitend gebaseerd op het expertiserapport van Kenter, waarin een psychiater en psycholoog hebben geconcludeerd dat bij betrokkene sprake is van een chronisch ernstig depressieve stoornis. Ook de informatie van de behandelaars is door de rechtbank bij haar beoordeling betrokken. In dat verband wijst de Raad erop dat in de brief van 16 januari 2008 van de psycholoog/psychotherapeut drs. J.J.V. de Tombe wordt vermeld dat betrokkene ernstig depressief is en hiervoor medicatie gebruikt en dat de psychiater S. Wiersma in zijn brief van 23 juni 2008 heeft aangegeven dat betrokkene sinds 7 februari 2008, derhalve rond de datum in geding, bij de crisisdienst in behandeling is. Gelet op de voorhanden medische gegevens is de Raad, evenals de rechtbank, van oordeel dat de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapportages van 23 juli 2008, 27 november 2008 en 1 mei 2009 onvoldoende heeft gemotiveerd dat de depressieve klachten van betrokkene op de datum in geding, 8 februari 2008, niet tot verdergaande beperkingen op de FML dienen te leiden.

4.2. Voorts is de Raad van oordeel dat ook de conclusie van de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapportage van 23 juli 2008 dat er in vergelijking met de laatste medische beoordeling op 7 februari 2006 geen relevante medische veranderingen zijn, zich niet verdraagt met zijn conclusie dat op grond van de aanpassingsstoornis bij betrokkene reden is in de rubrieken I (persoonlijk functioneren) en II (sociaal functioneren) van de FML enige beperkingen aan te houden. Op grond hiervan kan naar het oordeel van de Raad niet van een consistente oordeelsvorming worden gesproken.

4.3. Gelet op hetgeen onder 4.1 en 4.2 is overwogen komt de Raad dan ook tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. De Raad acht termen aanwezig om appellant met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van betrokkene wegens verleende rechtsbijstand in hoger beroep tot een bedrag van € 644,--.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van € 644,--;

Bepaalt dat van het Uwv een griffierecht wordt geheven van € 447,--.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en C.P.J. Goorden en R.P.T. Elshoff als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 november 2010.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) M.A. van Amerongen.

JL