Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BO4954

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-11-2010
Datum publicatie
25-11-2010
Zaaknummer
09-2568 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening W AO-uitkering. Voldoende medische grondslag. Geen redenene aanwezig on te twijfelen aan de juistheid van de vaststelling van de bij appellante bestaande medische beperkingen en haar functionele mogelijkheden op 7 oktober 2008. Ervan uitgaande dat de ten aanzien van appellante van toepassing geachte beperkingen juist zijn te achten, staat ten slotte ook voor de Raad genoegzaam vast dat de bij de schatting gebruikte functies geacht kunnen worden binnen het bereik van appellante te liggen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/2568 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 26 maart 2009, 09/60 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 24 november 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld en heeft bij brieven van 28 juni 2009, 4 juli 2009, 7 juli 2009 en 21 juli 2010 nadere stukken overgelegd.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend met een rapportage van 14 juli 2009 van bezwaarverzekeringsarts T. Miedema. Bij brief van 20 september 2010 is een rapportage van 15 september 2010 van bezwaarverzekeringsarts N. Visser ingezonden als reactie op de overgelegde stukken.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 oktober 2010. Appellante is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F.H.M.A. Swarts.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante is op 10 maart 1983 uitgevallen voor haar functie van bankmedewerker in verband met rugklachten. Haar is met ingang van 7 maart 1984 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.2. In het kader van een herbeoordeling heeft het Uwv bij besluit van 6 augustus 2008 de WAO-uitkering van appellante met ingang van 7 oktober 2008 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.

1.3. Bij besluit op bezwaar van 2 december 2008 (hierna: bestreden besluit), heeft het Uwv het bezwaar gegrond verklaard in die zin dat de mate van arbeidsongeschiktheid ingaande 7 oktober 2008 wordt vastgesteld op 35 tot 45%.

2. De rechtbank heeft het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft, gelet op alle voorhanden medische gegevens, geen aanwijzingen gevonden om aan te nemen dat de belastbaarheid van appellante per 7 oktober 2008 door de (bezwaar)verzekeringsarts is overschat. Daarnaast heeft de rechtbank geoordeeld dat appellante in staat moet worden geacht de door de arbeidsdeskundige aan haar voorgehouden functies te verrichten.

3. De gronden van appellante in hoger beroep betreffen in het bijzonder het oordeel van de rechtbank over de medische grondslag van het bestreden besluit. Zij heeft haar standpunt herhaald dat haar beperkingen, zowel op psychisch als op lichamelijk terrein, in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 27 mei 2008 zijn onderschat. Appellante wijst op haar vele pijnklachten in haar bewegingsapparaat. Ondanks in het verleden plaatsgevonden hernia-operaties blijft appellante rug- en pijnklachten houden. Ter ondersteuning van haar standpunt heeft appellante in hoger beroep een brief van

2 juli 2009 van dr. A.M.C. Vervest, anesthesioloog pijnspecialist, overgelegd. Naast deze klachten heeft zij nekklachten en klachten van haar benen. Wat betreft haar psychische klachten geeft appellante aan dat zij na het overlijden van haar echtgenoot in april 1995, haar gezin, met de grootste moeite, staande heeft weten te houden. Door de herziening van haar WAO-uitkering zijn er financiële problemen ontstaan en zijn haar psychische klachten toegenomen. In dit verband heeft zij ter onderbouwing van haar verslechterde psychische situatie in hoger beroep een aantal brieven van psychiater C.J. Oterdoom overgelegd.

4.1. De Raad oordeelt als volgt.

4.2. Met betrekking tot de medische grondslag van het bestreden besluit heeft de Raad, evenals de rechtbank, geen redenen te twijfelen aan de juistheid van de vaststelling van de bij appellante bestaande medische beperkingen en haar functionele mogelijkheden op 7 oktober 2008. De Raad is van oordeel dat het medisch onderzoek voldoende zorgvuldig is geweest en ziet op grond van de beschikbare informatie geen aanleiding voor het aannemen van meer of verdergaande beperkingen. De Raad neemt hierbij in aanmerking dat appellante in het kader van een herbeoordeling medisch is onderzocht door de verzekeringsarts waarbij haar lichamelijke en psychische klachten zijn onderzocht. In bezwaar heeft de bezwaarverzekeringsarts een aanvullend medisch onderzoek verricht en heeft hierbij de door appellante overgelegde informatie van de behandelend sector betrokken. De bezwaarverzekeringsarts heeft zich kunnen verenigen met het primair medisch oordeel en heeft geen aanleiding gezien de FML van 27 mei 2008 aan te scherpen. Naar aanleiding van de door appellante in hoger beroep overgelegde brieven van psychiater Oterdoom en van anesthesioloog Vervest, heeft het Uwv bij rapportage van 15 juli 2009 van bezwaarverzekeringsarts Miedema en later bij rapportage van 15 september 2010 van bezwaarverzekeringsarts Visser, overtuigend uiteengezet waarom deze stukken geen aanleiding geven om te twijfelen aan de FML van 27 mei 2008. De Raad schaart zich achter deze rapportages. Met het standpunt van appellante dat haar psychische gezondheidssituatie nadien is verslechterd, merkt de Raad op dat in het kader van dit geding hiermee geen rekening kan worden gehouden.

4.3. Ervan uitgaande dat de ten aanzien van appellante van toepassing geachte beperkingen juist zijn te achten, staat ten slotte ook voor de Raad genoegzaam vast dat de bij de schatting gebruikte functies geacht kunnen worden binnen het bereik van appellante te liggen. Ook op dit punt sluit de Raad zich aan bij de in de aangevallen uitspraak neergelegde overwegingen van de rechtbank.

4.4. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Er zijn geen termen voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en C.P.J. Goorden en R.P.T. Elshoff als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 november 2010.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) M.A. van Amerongen.

IvR